Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Ontvankelijkheid
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: ontvankelijkverklaring
Uitkomst: ontvankelijk
Referentiecode:
1327234/1335622
De uitspraak:
Waar gaat deze uitspraak over?
Deze zaak gaat over een klacht van een cliënt tegen de zorgaanbieder over een mogelijk onvolledig medisch dossier. De cliënt stelt dat belangrijke medische documenten rond de geboorte van haar kind in december 2009 ontbreken, zoals hartfilmpjes, een deel van de navelstrenganalyse en een verslag van de kinderarts. Volgens de cliënt heeft het ontbreken van deze gegevens mogelijk gevolgen gehad voor de herkenning van een syndroom, chromosoomafwijking of zuurstoftekort bij haar kind. Daarnaast geeft zij aan dat zij na het indienen van haar klacht geen inhoudelijke reactie heeft ontvangen. De zorgaanbieder vindt dat de klacht niet behandeld kan worden omdat de cliënt de interne klachtenprocedure niet volledig zou hebben doorlopen en geen juiste machtiging zou hebben verstrekt. De Geschillencommissie Ziekenhuizen is het daar niet mee eens. De commissie stelt vast dat de cliënt op 16 oktober 2025 wel degelijk een machtiging heeft ondertekend waarmee zij toestemming gaf voor de behandeling van haar klacht en inzage in haar dossier. De extra eis van de zorgaanbieder om een aparte machtiging voor een jurist te verstrekken, vindt de commissie niet terug in de wet of in de klachtenregeling van het ziekenhuis. Daarom kan deze voorwaarde niet aan de cliënt worden tegengeworpen. De commissie oordeelt dat de cliënt ontvankelijk is in haar klacht. De inhoud van de klacht wordt later nog behandeld, waarbij de zorgaanbieder de gelegenheid krijgt om inhoudelijk verweer te voeren.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt in haar klacht ontvankelijk is.
De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026 te Den Haag.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het al dan niet compleet zijn van het medisch dossier. Allereerst dient de commissie de te beoordelen of de cliënt ontvankelijk is in haar klacht.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 28 juli 2025 is de cliënt in gesprek gegaan met de klachtenfunctionaris en is melding gemaakt van een mogelijke calamiteit.
De cliënt heeft verzocht om een onderzoek wegens onder andere het ontbreken van essentiële medische stukken in het medisch dossier. Hierdoor is voor, bij en na de geboorte van het kind van de cliënt geen alertheid geweest op een syndroom dan wel chromosoomafwijking en zuurstoftekort. De ontbrekende stukken betreffen onder andere het gemaakte hartfilmpje in de avond van 29 december 2009 en het hartfilmpje dat is gemaakt gedurende de bevalling op 29 december 2009.
Ook ontbreekt het arterieel deel van de navelstrenganalyse en het verslag van de kinderarts die direct na de geboorte het kind heeft onderzocht.
Op 1 oktober 2025 is de klacht formeel ingediend bij de Raad van Bestuur. De Raad van Bestuur en de klachtenonderzoekscommissie zijn gemachtigd het dossier in te zien. De cliënt heeft echter nooit een schriftelijke reactie ontvangen op de klacht.
De cliënt wenst de ontbrekende medische stukken alsnog te ontvangen, met het oog op de bewaarplicht van 20 jaar.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid van de cliënt in haar klacht, nu zij de interne klachtenprocedure nog niet doorlopen heeft.
De cliënt stelt dat zij geen reactie van de zorgaanbieder heeft ontvangen op haar klacht. Dit is echter niet correct. Meerdere malen is aan de cliënt uitgelegd dat de behandeling van haar klacht schriftelijk via een door de Raad van Bestuur gemachtigde jurist plaatsvindt en dat daarvoor een machtiging vereist is. Tot op heden heeft de cliënt geweigerd deze machtiging te ondertekenen, waardoor de klacht volgens de geldende procedure niet kan worden behandeld.
Conform de geldende rechtspraak kan een klacht niet in behandeling worden genomen indien een patiënt weigert toestemming te verlenen aan de jurist die verantwoordelijk is voor de afhandeling van de procedure. Het risico van het niet in behandeling kunnen nemen van de klacht komt volledig voor rekening van de cliënt.
Beoordeling van het geschil
De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat de cliënt niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht, omdat zij de interne klachtenprocedure van de zorgaanbieder niet volledig heeft doorlopen. Daartoe voert de zorgaanbieder aan dat de cliënt niet de vereiste machtiging heeft verstrekt, waardoor de klacht niet door de jurist namens de Raad van Bestuur in behandeling kon worden genomen.
De commissie volgt de zorgaanbieder niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de cliënt op 16 oktober 2025 een machtiging heeft ondertekend. Uit deze machtiging volgt dat de cliënt uitdrukkelijk toestemming heeft verleend voor de behandeling van haar klacht en voor inzage in haar dossier door de Raad van Bestuur. Naar het oordeel van de commissie heeft de cliënt daarmee voldaan aan de voorwaarde die de zorgaanbieder in artikel 8, vierde lid, van de klachtenregeling van het ziekenhuis aan de behandeling van een klacht heeft gesteld.
De zorgaanbieder heeft daarnaast van de cliënt verlangd dat zij een afzonderlijke machtiging verstrekt ten behoeve van de behandeling van de klacht door een jurist namens de Raad van Bestuur. De commissie stelt vast dat deze aanvullende voorwaarde geen grondslag kent in de Wkkgz, noch in de klachtenregeling van de zorgaanbieder. Deze aanvullende voorwaarde kan de cliënt daarom niet worden tegengeworpen.
De cliënt is ontvankelijk in haar klacht. De zorgaanbieder wordt in de gelegenheid gesteld inhoudelijk verweer te voeren. De inhoudelijke behandeling van het geschil zal plaatsvinden op een nader aan de cliënt en de zorgaanbieder bekend te maken datum en tijdstip.
Op grond van het voorgaande is de cliënt ontvankelijk in de klacht.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De cliënt wordt in de klacht ontvankelijk verklaard.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. drs. F.W. Jansen, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 19 juni 2026.