Cliënte klaagt over dienstverlening advocaat bij verkoop woning

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Schade    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 17224/30570

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het geschil gaat over de dienstverlening van de advocaat bij het verkopen van het huis van de cliënte. De cliënte klaagt over het niet aanvragen van een toevoeging, het niet volgen van de gewenste strategie en het nalatig handelen door te hoge declaraties. De advocaat stelt dat de cliënte vanwege de vermogensnorm geen recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand. Dit is ook door de cliënte en haar gemachtigde bevestigd en in de opdrachtbevestiging opgenomen. Daarnaast heeft de advocaat geprobeerd een regeling te treffen met de kopers zodat de cliënte haar woning alsnog kon verkopen en schadeloos zou worden gesteld, maar dit wilde, de cliënte niet. De commissie oordeelt dat de advocaat heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat. In de opdrachtbevestiging is vastgelegd dat geen toevoeging is aangevraagd, daarnaast heeft de cliënte er zelf voor gekozen om de woning niet meer te willen verkopen aan de oorspronkelijke kopers. Ook is er geen sprake van buitensporig declareren. De klachten zijn ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de advocaat.

De advocaat heeft de cliënte bijgestaan in een procedure tegen de oorspronkelijke kopers van haar huis. Het geschil betreft de wijze van declareren van de werkzaamheden van de advocaat en de kwaliteit van dienstverlening.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte spreekt geen Nederlands. Zij werd daarom in het gesprek met de advocaat bijgestaan door haar gemachtigde. De advocaat heeft de cliënte niet geholpen met de aanvraag van gesubsidieerde rechtsbijstand waarover hij in het eerste gesprek sprak. De cliënte heeft aangegeven dat zij slechts een erg gering inkomen had uit de Verenigde Staten van Amerika, geen pensioen en dat zij bang was dat haar vermogen op zou zijn voordat het huis opnieuw zou zijn verkocht. De advocaat heeft gelogen door aan te geven dat hij de cliënte zou helpen met de aanvraag.

De cliënte en haar gemachtigde hebben meerdere malen naar de aanvraag gevraagd toen zij declaraties ontvingen. De advocaat gaf tegenover de gemachtigde aan dat de aanvraag geen haast had.

De advocaat is erg nalatig geweest in het bijstaan van de cliënte om de schade die zij leed door het niet doorgaan van de verkoop van haar woning vergoed te krijgen (artikel 15 van de koopovereenkomst). De advocaat heeft meermaals geprobeerd de cliënte een nieuwe koopovereenkomst te laten tekenen met de eerdere kopers hoewel de cliënte aangaf dat niet te willen. De cliënte wilde alleen de op artikel 15 gebaseerde schadevergoeding ontvangen. De dagvaarding die de advocaat had opgesteld was niet correct. De cliënte heeft hem op diverse onjuistheden moeten wijzen.

De advocaat was nalatig, incompetent, roekeloos en onprofessioneel. Hij heeft bij herhaling niet relevante uren en niet gewerkte uren in rekening gebracht. De nieuwe advocaat van de cliënte heeft de toevoeging wel voor de cliënte geregeld. Op 5 november 2019 heeft nog een overleg tussen de cliënte en een medewerker van het advocatenkantoor plaatsgevonden. Daar bleek dat de advocaat de klachten van de cliënte die zij per e-mail aan hem had verzonden niet had gelezen.

De cliënte verlangt terugbetaling van alle declaraties die zij reeds heeft voldaan (€ 6.000,–).

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Tijdens het intakegesprek is gesproken over gesubsidieerde rechtsbijstand. De advocaat heeft aangegeven dat de cliënte recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand als haar inkomen en vermogen onder een bepaalde grens liggen. De cliënte vertelde dat zij inkomen uit vermogen heeft. Daarop is door de advocaat uitgesproken dat zij vanwege de vermogensnorm geen aanspraak zou kunnen maken op gesubsidieerde rechtsbijstand. Dat hebben de cliënte en haar gemachtigde ook in het gesprek bevestigd. In artikel 6.3 van de opdrachtbevestiging wordt deze handelswijze ook uitdrukkelijk bevestigd. De cliënte heeft aangegeven dat zij geen bezwaar had tegen een Nederlandse opdrachtbevestiging omdat iemand deze voor haar zou kunnen vertalen.

Dat de cliënte meermaals heeft gevraagd naar de aanvraag is onjuist. Wel is er gesproken over het griffierecht. In de e-mail van de advocaat van 6 augustus 2019 wordt gewezen op het lagere griffierecht waar onvermogenden aanspraak op kunnen maken. Telefonisch is meermaals besproken dat de cliënte mogelijk aanspraak zou kunnen maken op het lagere griffierecht. Dan zou wel een verklaring gevraagd moeten worden aan de Raad voor Rechtsbijstand. De gemachtigde van de cliënte gaf aan dat deze verklaring niet aangevraagd hoefde te worden, vooral omdat de griffierechten binnen de proceskostenveroordeling zouden vallen wanneer de cliënte in het gelijk zou worden gesteld.
De cliënte heeft tot op heden niet aangetoond dat zij daadwerkelijk in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand.

Het is onjuist dat de advocaat te veel zou hebben gedeclareerd. In de e-mail van 6 augustus 2019 heeft de advocaat aangegeven dat het voorschot opgebruikt was en dat vanaf dat moment extra kosten in rekening gebracht zouden worden. Daarnaast bevat die e-mail een schatting van de te verwachten kosten. De cliënte wist dus dat het opstellen van de dagvaarding meer zou gaan kosten. De advocaat heeft een kwart van de gewerkte uren niet bij de cliënte in rekening gebracht. Om kosten te besparen is de dagvaarding zoveel mogelijk voorbereid door een juridische medewerker met een lager uurtarief.

De cliënte had haar huis verkocht, maar de kopers weigerden af te nemen. Zoals gebruikelijk was een financieringsvoorbehoud overeengekomen alsook een contractuele boete van 10% van de koopsom. De kopers hadden zelf hun huis verkocht en die verkoop ging niet door. Als gevolg daarvan konden de kopers de financiering niet rond krijgen en hebben zij op de laatste dag het financieringsvoorbehoud ingeroepen. Op 18 juni 2019 heeft de advocaat de kopers in gebreke gesteld. Vervolgens is, nadat bleek dat niet is voldaan aan het financieringsvoorbehoud, bij brief van 28 juni 2019 de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, zodat aanspraak kon worden gemaakt op de contractuele boete.

De advocaat heeft geprobeerd een regeling te treffen met de kopers zodat de cliënte haar woning alsnog kon verkopen en schadeloos zou worden gesteld. Dit was volgens de advocaat de meest efficiënte manier. De cliënte heeft echter uitdrukkelijk aangegeven de woning niet te willen verkopen aan de oorspronkelijke kopers. Zij zou hen niet meer vertrouwen en per se enkel de volledige schadevergoeding willen vorderen.

Na het verzenden van een factuur klaagde de cliënte over de hoogte van de facturen. De cliënte is uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek op 11 oktober 2019. De cliënte is zelf niet gekomen maar heeft haar gemachtigde gestuurd. De advocaat heeft aangegeven dat een goede vertrouwensrelatie noodzakelijk is om zijn werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren. Toen de gemachtigde aangaf dat de kosten nu wel erg hoog werden, heeft de advocaat voorgesteld om verder te overleggen over een mogelijke schikking.
De cliënte heeft nadien aangegeven dat zij niet langer gebruik wilde maken van de diensten van de advocaat. Feitelijke basis voor de beschuldigingen van de cliënte ontbreekt.

De advocaat meent dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van de cliënte in de kosten van de procedure.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat.

De cliënte klaagt over (1) het niet aanvragen van een toevoeging, (2) het niet volgen van de gewenste strategie en (3) nalatig handelen.

1. Het niet aanvragen van een toevoeging
Het is juist dat de advocaat voor de cliënte geen toevoeging heeft aangevraagd. Dat is ook met haar besproken en door de advocaat vastgelegd in artikel 6.3 van de opdrachtbevestiging. De klacht is ongegrond.

2. Niet volgen van de gewenste strategie
De commissie is van oordeel dat de advocaat adequaat heeft gehandeld. De advocaat heeft, toen de kopers het financieringsvoorbehoud inriepen, de kopers in gebreke gesteld en vervolgens, toen bleek dat niet is voldaan aan het financieringsvoorbehoud, de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, zodat aanspraak kon worden gemaakt op de contractuele boete. De advocaat heeft vervolgens geprobeerd een regeling te treffen met de kopers zodat de cliënte haar woning alsnog kon verkopen en schadeloos zou worden gesteld. Toen de cliënte aangaf de woning niet te willen verkopen aan de oorspronkelijke kopers is de advocaat uiteindelijk in de procedure met de cliënte meegegaan. De commissie is niet van oordeel dat de advocaat verweten kan worden te lang te hebben gewacht met het aanhangig maken van een gerechtelijke procedure en onnodig overleg te hebben gevoerd met de wederpartij. De klacht is ongegrond.

3. Nalatig handelen
De cliënt heeft haar klacht op dit punt niet voldoende geconcretiseerd. Er is geen sprake van buitensporig declareren. De klacht is ongegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klachten ongegrond zijn. De verlangde terugbetaling van de reeds voldane declaraties wordt afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klachten ongegrond.

De commissie wijst het gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. A.G.M. Zander, voorzitter, mevrouw mr. M.J. de Groot, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris.