Cliënte niet-ontvankelijk in klachten uit 2015 en 2018, overige klachten zijn ongegrond

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 32457/37792

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt heeft klachten over de behandeling bij de zorgaanbieder en hij heeft een klacht over de handelswijze van de klachtencommissie van de zorgaanbieder. De cliënt vindt dat de klachten niet juist zijn afgehandeld door de klachtencommissie. De zorgaanbieder stelt dat de commissie niet bevoegd is om over de handelswijze van de klachtencommissie te oordelen. Daarnaast stelt de zorgaanbieder dat de cliënt niet-ontvankelijk is in een groot deel van zijn klachten, deze dateren namelijk uit 2015 en 2018 en zijn niet binnen 12 maanden bij commissie ingediend. Wat betreft de overige klachten stelt de zorgaanbieder dat deze ongegrond zijn. De commissie oordeelt dat de cliënt wat betreft de klachten uit 2015 en 2018 niet-ontvankelijk is, omdat de klachten niet binnen een termijn van 12 maanden bij de commissie zijn ingediend. De overige klachten (uit 2019) gaan over verkeerd voorgeschreven medicijnen en de zonder rechtsgeldige titel gedwongen opname. De commissie sluit zich wat betreft deze klachten aan bij het oordeel van de klachtencommissie. De cliënt heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals van haar verwacht mag worden. De commissie verklaart deze klachtonderdelen ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil:
Cliënt wonende te [woonplaats]

en

Parnassia Groep BV, gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de behandeling van de cliënt bij en door de zorgaanbieder in de achterliggende jaren.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder een zeer uitgebreide klacht ingediend betreffende een reeks van incidenten die in de achterliggende jaren hebben plaatsgevonden. De klachten zijn door de klachtencommissie niet goed afgehandeld omdat de klachtenreeks in zijn volledigheid nooit is verwerkt tot een degelijk proces. De onderhavige klacht bij de geschillencommissie omvat inhoudelijk dezelfde klachtpunten als de eerder bij de klachtencommissie ingediende klachten en bevat daarnaast een klacht over de handelwijze van de klachtencommissie van de zorgaanbieder. De cliënt stelt schade te hebben geleden door de fouten die zijn gemaakt in zijn behandeltraject en vordert een schadevergoeding van € 10.000,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder stelt voorop dat met betrekking tot de klacht over de werkwijze van de klachtencommissie van de zorgaanbieder de commissie niet bevoegd is tot behandeling van die klacht dan wel dat de cliënt niet-ontvankelijk is in deze klacht. De klachtencommissie van de zorgaanbieder is een onafhankelijke klachtencommissie en maakt geen onderdeel uit van de zorgaanbieder. De commissie heeft slechts tot taak geschillen te beslechten over (gedragingen van) een zorgaanbieder jegens een cliënt (art. 19 Wkkgz en art. 3 Reglement geschillencommissie GGZ). De klachtencommissie valt hier niet onder.

Wat betreft de inhoudelijke klachten van de cliënt verwijst de zorgaanbieder naar zijn in het kader van de klachtenbehandeling door de klachtencommissie ingediende verweerschrift. De zorgaanbieder stelt zich in onderhavige procedure op hetzelfde standpunt als in de eerder gevoerde procedure. Concreet betekent dit dat de zorgaanbieder van mening is dat de cliënt in een deel van zijn klachten niet-ontvankelijk is.
Dit betreffen de klachten die zien op de periode 2015. De zorgaanbieder is van mening dat inmiddels te veel tijd is verstreken sinds door de klachtencommissie hierover uitspraak is gedaan (te weten op 28 mei 2015). De cliënt heeft geen redelijk belang meer bij de behandeling van die klachten. Daarnaast had de cliënt er voor kunnen kiezen die klachten voor te leggen aan de Rechtbank.
De cliënt heeft dit niet gedaan.

Verder is de zorgaanbieder van mening dat de cliënt niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in een deel van de klachten dat betrekking heeft op de periode 2018, omdat ook voor wat betreft die klachten inmiddels te veel tijd is verstreken. Gelet op artikel 6b Reglement geschillencommissie GGZ dient een klacht binnen 12 maanden na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig te zijn gemaakt. Die termijn is ruimschoots verstreken.

De cliënt heeft voorts in zijn klacht aangegeven dat de zorgaanbieder het medisch dossier van de cliënt niet wil mailen. De zorgaanbieder was van deze klacht van de cliënt niet op de hoogte en is bereid indien de commissie dat wenst het dossier aan de commissie toe te zenden. Omdat de klacht niet eerder bij de zorgaanbieder is ingediend, is de zorgaanbieder van mening dat de cliënt in deze klacht niet-ontvankelijk is.

Voor de overige klachtonderdelen is de zorgaanbieder van mening dat deze ongegrond zijn. Voor wat betreft de twee klachtonderdelen die door de klachtencommissie gegrond zijn verklaard, betoogt de zorgaanbieder dat deze eveneens niet-ontvankelijk c.q. ongegrond zijn. De klacht betreffende voorgeschreven medicatie die op dieren is getest/dierlijke substanties bevatten is eveneens meer dan 12 maanden geleden ingediend bij de klachtencommissie en derhalve om die reden niet-ontvankelijk.
De klacht dat door een van de behandelaars een belangrijke vraag niet is gesteld aan de gemeente Rotterdam, is niet dermate ernstig dat dit gegrondverklaring van de klacht oplevert.

Er is naar de mening van de zorgaanbieder gelet op de niet-ontvankelijkheid van de cliënt dan wel de ongegrondheid van de klachten geen reden tot toekenning van schadevergoeding. Daarnaast wijst de zorgaanbieder er nog op dat de gestelde schade door de cliënt niet is toegelicht en ook geen causaal verband aannemelijk is gemaakt tussen de behandeling en de gestelde schade.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie dient ten aanzien van de klacht betreffende de werkwijze van de klachtencommissie van de zorgaanbieder te bepalen of de commissie onbevoegd is tot behandeling van de klacht dan wel of de cliënt niet-ontvankelijk is in zijn klacht, zoals door de zorgaanbieder naar voren is gebracht.
De commissie leest in de klacht van de cliënt niet specifiek een (afzonderlijke) klacht betreffende de werkwijze van de klachtencommissie. De klacht van de cliënt richt zich tegen de uitspraak van de klachtencommissie, die naar zijn mening niet juist en niet onpartijdig zou zijn. De cliënt heeft gelet op artikel 10 lid 2 van de klachtenregeling van de zorgaanbieder de mogelijkheid om de uitspraak van de klachtencommissie voor te leggen aan de commissie, zoals hij thans heeft gedaan. De klacht van de cliënt zal door de commissie opnieuw in zijn geheel worden beoordeeld. De mening van de cliënt over de (partijdigheid van de) klachtencommissie, wordt daarbij meegewogen. Naar het oordeel van de commissie is ten aanzien van dit punt geen sprake van onbevoegdheid van de commissie dan wel niet-ontvankelijkheid van de cliënt, nu dit punt een integraal onderdeel uitmaakt van de gehele klacht.

De commissie dient ten aanzien van de klachten die betrekking hebben op de periode 2015 (in de uitspraak van de klachtencommissie genummerd 1 t/m 7) en de klachten die betrekking hebben op een deel van de periode 2018 (in de uitspraak van de klachtencommissie genummerd 8, 12 en 15) primair te beoordelen of de cliënt in zijn klacht kan worden ontvangen, nu de zorgaanbieder in zijn verweerschrift ten aanzien van die onderdelen uitdrukkelijk een beroep op niet-ontvankelijkheid heeft gedaan. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een klacht is het reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg van de commissie bepalend. Ingevolge artikel 6.1 onder b van dit reglement verklaart de commissie de cliënt op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – in zijn klacht niet-ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt. In afwijking van het bepaalde in voormeld artikel, kan de commissie besluiten het geschil – ondanks deze termijnoverschrijding – toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet naleving daarvan naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft (artikel 6.2). De cliënt heeft voor het eerst op 4 mei 2015 bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder zijn klachten kenbaar gemaakt, waarna op 28 mei 2015 uitspraak is gedaan. Vervolgens heeft de cliënt op 15 april 2018 opnieuw een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder. Door de klachtencommissie is klachtopvang voorgesteld om te komen tot een aanvaardbare oplossing. De cliënt heeft hiermee ingestemd en er is geen inhoudelijke uitspraak gedaan. Vervolgens heeft de cliënt op 15 mei 2020 zijn klachten ingediend bij de commissie. De commissie stelt vast dat de cliënt niet binnen 12 maanden na indiening van de klacht bij de zorgaanbieder zijn klacht aan de commissie heeft voorgelegd. Immers de klachten betreffende de periode 2015 zijn ruim 4 jaar na afloop van de termijn (van 12 maanden na 28 mei 2015) bij de commissie aanhangig gemaakt en de klachten betreffende de periode 2018 ruim één jaar na afloop van de termijn (van 12 maanden na 15 april 2018). Nu de cliënt geen omstandigheid heeft gesteld die meebrengt dat de cliënt ten aanzien van deze termijnoverschrijding redelijkerwijs geen verwijt treft en de commissie ook overigens voor deze termijnoverschrijding geen redelijke verklaring in het dossier heeft aangetroffen zal de commissie de client niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de hierbedoelde klachtonderdelen.

De commissie zal de cliënt ten aan zien van de overige klachtonderdelen die betrekking hebben op de periode 2018 (in de uitspraak van de klachtencommissie genummerd 9, 10, 11, 13 en 14) ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren, nu de cliënt gelet op het tijdsverloop geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak van de commissie ten aanzien van bedoelde klachtonderdelen.

Ten aanzien van de overige klachtonderdelen overweegt de commissie als volgt.

Op grond van de zorgovereenkomst, die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De commissie dient derhalve te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst met de cliënt in de hiervoor omschreven zin.

De klachten met betrekking tot de periode 2019 betreffen de volgende onderwerpen:
– De cliënt kreeg gedurende de opname in 2019 Risperdal voorgeschreven. Gelet op de bijwerkingen had dit niet voorgeschreven mogen worden;
– Pas na aandringen kreeg de cliënt een afschrift van zijn rechten als patiënt;
– De cliënt werd zonder rechtsgeldige titel gedwongen opgenomen.

De commissie sluit zich voor wat betreft haar oordeel over deze klachtonderdelen aan bij het oordeel te dien aanzien van de klachtencommissie d.d. 14 mei 2020. De cliënt heeft naar het oordeel van de commissie tegenover de gemotiveerde betwisting van de zorgaanbieder ten aanzien van deze klachtonderdelen niet aannemelijk kunnen maken dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde situatie.
De commissie verklaart deze klachtonderdelen, in de uitspraak van de klachtencommissie genummerd 16, 17 en 18, dan ook ongegrond.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Zoals de commissie heeft overwogen is de zorgaanbieder niet tekortgeschoten in de behandeling van de cliënt zodat zijn verzoek om een financiële vergoeding dient te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de cliënt niet-ontvankelijk in zijn klachten die betrekking hebben op de periode 2015 en 2018;
– verklaart de klachten met betrekking tot de periode 2019 ongegrond;
– wijst af de vordering tot schadevergoeding.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, mevrouw drs. H. Schaffels (psychiater), de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 24 september 2020.