Cliënten stellen advocatenkantoor aansprakelijk na instellen evident kansloze incidentele vordering bij rechtbank

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur Zakelijk    Categorie: Kosten    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: Arbitraal Vonnis   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 93460/96275

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het kantoor had volgens de cliënten een fout gemaakt door bij voorbaat een evident kansloze incidentele vordering in te dienen met als uiteindelijk gevolg dat de rechtbank de cliënten niet (meer) de gelegenheid heeft geboden verweer te voeren en de vordering van de wederpartij integraal heeft toegewezen. Voor de daardoor vervolgens gemaakte kosten en ontstane schade is het kantoor volgens de cliënten dan ook aansprakelijk. Dat de incidentele vordering bij voorbaat kansloos zou zijn, achten de arbiters – anders dan betoogd door de cliënten – niet evident. Het kantoor heeft de vordering voldoende onderbouwd en heeft voorafgaand over de wijze van indiening overleg gevoerd met de griffie en vervolgens de cliënten daarover ook geïnformeerd. De juistheid van dit overleg met de griffie van de rechtbank en hetgeen het kantoor aan de cliënten in de e-mail van 9 januari 2019 heeft geschreven, vindt zijn bevestiging in de omstandigheid dat de wederpartij vervolgens inderdaad op 22 januari 2019 voor antwoord in het incident tot vrijwaring heeft ingediend en de rechtbank vervolgens ook vonnis in het incident heeft gewezen. De cliënten achten voorts het totaal door het kantoor in rekening gebrachte disproportioneel en handelen naar hun mening alleszins redelijk door het te laten bij betaling van het reeds betaalde bedrag van € 73.736,98. Echter, op grond van de overgelegde stukken staat vast dat het kantoor de verrichte – daadwerkelijk aan de zaak bestede – werkzaamheden volgens de gemaakte afspraken in rekening heeft gebracht. Van ondeugdelijk declareren zijn de arbiters niet gebleken. Daarbij nemen de arbiters in aanmerking dat het kantoor het oorspronkelijk overeengekomen uurtarief heeft verlaagd en het totaal in rekening gebrachte heeft gematigd met 55 uur, alsmede dat een bedrag van € 13.402,77 bestaat uit verschotten. De commissie heeft de vordering van het kantoor tot betaling van het openstaande bedrag van € 59.610,85 en van de kosten van de beslaglegging ad € 845,58 vervolgens toegewezen.

Volledige uitspraak

Ondergetekenden:

de heer mr. N. Schaar te [plaatsnaam], mevrouw mr. M.J. de Groot te [plaatsnaam] en de heer mr. F.J. Schop te [plaatsnaam], die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de arbiters berust op een arbitraal beding, zoals vervat in de op de overeenkomst van opdracht van toepassing zijnde algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat het kantoor het gerezen geschil kan voorleggen aan een bevoegde instantie. Bij e-mail van 9 maart 2021 heeft het kantoor aan de cliënten de keuzemogelijkheid voor een procedure bij de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie) of de burgerlijk rechter voorgelegd. De cliënten hebben op 11 maart 2021 ingestemd met arbitrage door de commissie. Het kantoor heeft het geschil daarna voorgelegd aan de commissie. De cliënten hebben vervolgens verweer gevoerd en tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk medegedeeld dat zij de bevoegdheid van de commissie erkennen en ook een uitspraak van de commissie over dit geschil wensen nu het overleg tussen partijen na afloop van de mondelinge behandeling van 8 oktober 2021 geen oplossing in der minne heeft gebracht.
Aldus is naar het oordeel van de commissie voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Partijen zijn tevens overeengekomen dat het geschil zal worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).

De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede personen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.

Standpunt van het kantoor
Voor het standpunt van het kantoor verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In september 2018 hebben de cliënten zich vanwege een tegen hen aangespannen procedure tot het kantoor gewend met het verzoek om behandeling van hun zaak. De wederpartij (een besloten vennootschap) had de cliënt sub 1 a als middellijk bestuurder en de cliënte sub 2 als bestuurder van de wederpartij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk gesteld en beslag gelegd op verschillende vermogensbestanddelen.
Aangezien de cliënte sub 2 slechts gezamenlijk met [naam] (hierna te noemen: G.) bevoegd bestuurder was van de wederpartij en zij dus slechts gezamenlijk rechtshandelingen konden verrichten namens de wederpartij, is in de bodemprocedure besloten tot oproeping in vrijwaring van G. Hiertoe is puur op inhoudelijke gronden besloten en niet uit tactische overwegingen.
Over het indienen van het incident is uitgebreid overleg gevoerd met de cliënten. Zij hebben het schriftelijke stuk tot oproeping in vrijwaring ook ontvangen. Met betrekking tot de indiening van het incident en het gevolg voor de procedure heeft tevens uitvoerig overleg plaatsgevonden met de griffie van de rechtbank. De griffier heeft bevestigd dat de taak om het verweerschrift in te dienen zou worden ingetrokken na het opwerpen van het incident en dat de rechtbank dan eerst zou beslissen in het incident. Het kantoor heeft vervolgens, op aanwijzing van de griffier, het incident ingediend. In het zogenaamde KEI-systeem werd zichtbaar dat de taak om het verweerschrift in te dienen ingetrokken was, waarmee de procedure voor vonnis (in het incident) kwam te staan. Dit was in lijn met de verwachtingen en de mededelingen van de griffier. De cliënten zijn over deze gang van zaken geïnformeerd.
Desondanks heeft de rechtbank geen gelegenheid meer gegeven tot het indienen van een verweerschrift in de hoofdzaak en meteen – een voor de cliënten ongunstig – (eind)vonnis gewezen. Hoewel het kantoor er alles aan heeft gedaan om dit te voorkomen, is de wederpartij toch tot executie van het vonnis overgegaan.
Er is vervolgens hoger beroep ingesteld. Op 16 februari 2021 heeft het gerechtshof arrest gewezen. Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de wederpartij alsnog afgewezen. De wederpartij werd veroordeeld om aan de cliënten bijna € 30.000,– aan proceskosten te betalen.

Het kantoor heeft opdrachtbevestigingen (voor onder andere opheffing beslagen in kort geding) en de algemene voorwaarden aan de cliënten verzonden. Op verzoek van de cliënt sub 1a zijn enkele facturen voor werkzaamheden die het kantoor voor hem heeft verricht, aan de cliënte sub 2 geadresseerd. Het kantoor heeft de client sub 1a aangegeven dat hij verantwoordelijk is en blijft voor het betalen van de declaraties.
Het kantoor heeft de kosten voor de bodemprocedure in eerste aanleg ingeschat op € 50.000,–. Lopende de procedure bleek echter dat de wederpartij zich hard en onredelijk opstelde, zodat juridisch alle zeilen moesten worden bijgezet om onherstelbare gevolgen te voorkomen. Mede gelet op deze harde opstelling heeft het kantoor veel meer tijd aan het dossier moeten besteden dan waar zij normaal gesproken op had hoeven rekenen. Ook in het schrijven van de memorie van grieven moest veel tijd worden geïnvesteerd, ondanks de voorkennis van het dossier. Alleen al door de communicatie met de cliënten bleek het lastig om alle feiten en omstandigheden boven tafel te krijgen. Daarbij kwam dat het verhaal van de cliënten over de feitelijke toedracht zeer onsamenhangend en wisselend van inhoud was. Het kostte het kantoor veel tijd om dit allemaal rond te krijgen en op papier te zetten.

Vanwege de op bankrekeningen van de cliënten gelegde beslagen konden de declaraties van het kantoor met moeite worden betaald en ontstonden er betalingsachterstanden. Het kantoor is daarom herhaaldelijk met de cliënten in overleg getreden over een betalingsregeling voor de (toekomstige) declaraties. In één van deze overleggen is afgesproken dat het uurtarief van de behandelend advocaten werd verlaagd van € 275,– respectievelijk € 295,– per uur naar € 224,– per uur exclusief btw.
Na de procedure in eerste aanleg heeft het kantoor benadrukt dat de cliënten, indien zij van mening waren dat de declaraties niet betaald hoefden te worden omdat het kantoor aansprakelijk was voor schade ten gevolge van de door de rechtbank gedane ongunstige uitspraak, een vordering tegen het kantoor moesten instellen. Dit hebben de cliënten nagelaten. De cliënten wilden graag dat het kantoor de behandeling van de procedure in hoger beroep zou voortzetten en gaven aan vertrouwen te hebben in de professionaliteit van het kantoor. Omdat het kantoor er niets voor voelde om inspanningen te verrichten zonder dat daarvoor zou worden betaald, hebben partijen nadere afspraken met elkaar gemaakt over de (openstaande) declaraties. Het kantoor is er steeds vanuit gegaan dat, als de cliënten in het hoger beroep in het gelijk zouden worden gesteld, zij de declaraties zouden voldoen. Daarom zijn de werkzaamheden voortgezet. Ongeveer 10% van de gewerkte uren is niet gedeclareerd.

De cliënten hebben de hoogte van de declaraties nooit inhoudelijk betwist. Zij stellen dat zij de declaraties niet geheel hoeven te voldoen, omdat zij door toedoen van het kantoor schade hebben geleden. Uitgangspunt daarbij is dat de wederpartij, als de rechtbank haar vordering zou hebben afgewezen, niet in appel zou zijn gegaan. Vanwege de uiterst agressieve wijze waarop de wederpartij tegen de cliënten procedeerde en haar proceshouding in andere procedures, is het volstrekt onaannemelijk dat de wederpartij zich bij een afwijzend vonnis zou hebben neergelegd. Er zijn allerlei omstandigheden die ertoe konden leiden dat een hoger beroepsprocedure onvermijdelijk was. Er is daarom geen sprake van dat de cliënten door toedoen van het kantoor schade hebben geleden. Voor zover er sprake is geweest van een beroepsfout, is die in hoger beroep gecorrigeerd.
Het kantoor heeft ook voldaan aan haar informatieplicht. Er heeft steeds uitvoerig in persoon, telefonisch en per e-mail, overleg plaatsgevonden met de cliënten en deze stemden in met de gang van zaken.
Het kantoor ziet verder niet in waarom zij aansprakelijk zou zijn voor schade ontstaan door de executie van het vonnis door de wederpartij. Er is juist alles gedaan om deze executie te voorkomen. De onrechtmatige executie van een vonnis door de wederpartij kan niet aan het kantoor worden toegerekend, nog afgezien van het ontbreken van causaal verband. De aansprakelijkstelling zou zich dienen te richten op de wederpartij.

Het kantoor heeft ten laste van de cliënten beslag gelegd onder de notaris en onder de bank en daarnaast op onroerend goed. Het kantoor maakt aanspraak op vergoeding van de beslagkosten. Met betrekking tot de executiemaatregelen heeft het kantoor de belangen van de cliënten steeds boven haar eigen belangen gesteld.
De cliënten hebben tot op heden de declaraties tot een bedrag van in totaal € 59.610,85 onbetaald gelaten.

Het kantoor verzoekt de arbiters de cliënten hoofdelijk te veroordelen – onder bepaling dat als de een betaalt, de ander(en) zal (zullen) zijn gekweten – tot betaling van de openstaande declaraties ten bedrage van in totaal € 59.610,85 en van de kosten van de beslaglegging ad € 845,58, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

Ter zitting heeft het kantoor – kort samengevat – verklaard dat zij van mening blijft dat het in vrijwaring oproepen van G. een logische stap is geweest en dat er geen sprake is van een beroepsfout, zodat de openstaande declaraties en de beslagkosten moeten worden betaald en er geen aanleiding is tot het betalen van een schadevergoeding aan de cliënten.

Standpunt van de cliënten
Voor het standpunt van de cliënten verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het kantoor heeft de cliënten bijgestaan in een procedure die de wederpartij tegen hen had aangespannen. Er is eerst een kort geding gevoerd tot opheffing van de door de wederpartij gelegde conservatoire beslagen, zonder dat de cliënten wisten dat dergelijke opheffingsgedingen in het algemeen een kleine kans van slagen hebben.
Het kantoor heeft na het kort geding een bedrag van € 50.000,– aangeboden als fixed fee voor de bodemprocedure. Dat aanbod hebben de cliënten afgewezen, aangezien zij dat destijds een hoog bedrag vonden.
In samenspraak met de cliënten heeft het kantoor in de bodemprocedure een verweerschrift opgesteld. Zonder overleg met en zonder schriftelijk advies aan de cliënten is vervolgens besloten dat het de voorkeur verdiende om op de (rol)zitting van 14 januari 2019 een incident tot vrijwaring op te werpen. De achtergrond hiervan was van proces-strategische aard. Het kantoor heeft op de rolzitting van 14 januari 2019 niet het gereedliggende verweerschrift ingediend en heeft niet, conform het KEI-reglement, tijdig en schriftelijk gevraagd om uitstel van deze proceshandeling, met afschrift aan de advocaat aan de wederpartij. Om voor de cliënten onduidelijke redenen heeft het kantoor kennelijk vervolgens op 21 januari 2019 alsnog het verweerschrift toegezonden aan de rechtbank.

De rechtbank heeft meteen eindvonnis gewezen, het ingediende incident als “onvoldoende toegelicht” en “bij voorbaat evident kansloos” afgewezen, akte niet dienen verleend vanwege misbruik procesrecht en de vorderingen van de wederpartij als onweersproken toegewezen. De gevolgen van de omissie van het kantoor waren desastreus. De cliënten hadden een – uitvoerbaar bij voorraad – vonnis tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,– tegen zich. De wederpartij is direct aangevangen met executoriale maatregelen op basis van dit vonnis. Van de privébankrekening van de cliënt sub 1a is een bedrag van € 8.065,43 uitbetaald aan de wederpartij.

Het kantoor heeft vervolgens hoger beroep ingesteld en daarbij incidenten ingesteld ter schorsing van de executie. In verband met de noodzakelijke acties (incidenten schorsing executie, hoger beroep, grieven opstellen) heeft het kantoor declaraties verzonden tot aanzienlijke bedragen voor deze activiteiten. De cliënten hebben deze declaraties ter discussie gesteld. Zij hebben zich afgevraagd of het kantoor niet een steek had laten vallen. Het kantoor was echter stellig; zij kon er niets aan doen en wilde volledige betaling van de declaraties. Er zijn diverse gesprekken gevoerd over de verschuldigdheid van de declaraties. De uitkomst daarvan was dat de cliënten een maandelijks bedrag als voorschot bleven betalen en dat het kantoor het hoger beroep zou afronden. Verder zou een definitief oordeel over de verschuldigdheid van declaraties worden overgelaten aan de arbiters.
Het gerechtshof heeft het vonnis in eerste aanleg vernietigd en de vorderingen van de wederpartij alsnog afgewezen op inhoudelijke gronden. Het gerechtshof heeft zich vanwege het terugverwijzingsverbod niet uitgelaten over de gang van zaken in eerste aanleg.

De cliënten menen dat het kantoor niet de bedragen in rekening kan brengen die gemoeid zijn met het rechtzetten van een fout, waarvoor de behandelend advocaten op grond van de wet en de Gedragsregels Advocatuur verantwoordelijk zijn. Het kantoor heeft de opdracht niet uitgevoerd met de vereiste zorgvuldigheid. Door de eigen keuze van het kantoor om in plaats van het verweerschrift een incident tot vrijwaring in te dienen, heeft zij niet voldaan aan haar wettelijke taak om haar cliënten rechtsbescherming te leveren. En ook op de andere relevante zorgvuldigheidsnormen heeft zij niet gehandeld zoals een goed advocaat betaamt.
De cliënten mogen ervan uitgaan dat de rechtbank de vorderingen van de wederpartij had afgewezen, als het verweerschrift was ingediend op de aangegeven roldatum. Daarmee staat ook voldoende vast dat de complicaties en bijbehorende kosten die nodig waren om de gevolgen van het nadelige vonnis van de rechtbank te mitigeren, nodeloos zijn geweest.
De cliënten zijn voorts van mening dat de behandelend advocaten onvoldoende deskundig waren. Uit de gang van zaken blijkt dat zij niet goed wisten hoe zij onder KEI het incident moesten aanpakken, in relatie tot het indienen van principaal verweer. Zij twijfelden of uitstel wel verleend zou worden, want zij hebben mondeling overlegd met de griffie. Die twijfel hebben zij echter niet gedeeld met hun cliënten of de wederpartij. Ook uit de bewoordingen in het vonnis van de rechtbank blijkt dat het kantoor onvoldoende deskundig was.
Het kantoor heeft voorts niet voldaan aan haar informatieplicht. Het incident tot vrijwaring was puur eigen initiatief. Zij heeft niet vooraf met de cliënten besproken of het indienen van een incident een goed idee was. Zij heeft evenmin de eventuele risico’s besproken, laat staan dat zij de ernstige gevolgen heeft besproken indien die risico’s zich zouden verwezenlijken.

De cliënten hebben ook vragen bij de omvang van de totale declaraties en zij betwijfelen of de conform specificaties opgegeven uren kunnen worden gezien als een doelmatige aanpak van de zaak. Reeds op eerste gezicht is een totale rekening van € 134.736,96 in een periode van twee jaar overdreven. De cliënten plaatsen voorts vraagtekens bij een aantal in de specificaties opgenomen posten.
De eindafrekening dient krachtens de Gedragsregels te worden bepaald op wat een redelijk honorarium is voor de behandelde zaak. Dit is een aanzienlijk lager bedrag dan het door het kantoor in totaal in rekening gebrachte bedrag van € 134.736,96.

De cliënten verzoeken de arbiters om de voltallige declaraties, in hun geheel en in het licht van alle omstandigheden, te beoordelen, inclusief de specificaties. Zelf zijn zij van mening dat zij in beginsel in totaal een bedrag van € 64.511,39 zijn verschuldigd. Strikt genomen zou hierop de vermogensschade vanwege onterecht geëxecuteerde bedragen ad € 8.065,43 moeten worden afgetrokken. Theoretisch is dan in totaal een bedrag van € 56.445,96 verschuldigd. In redelijkheid zijn de cliënten bereid het door hen reeds betaalde bedrag van in totaal € 73.736,96 als verschuldigd te erkennen en de relatie met het kantoor af te wikkelen met gesloten beurzen. Zij menen dat dit een alleszins redelijke beloning is, voor een dossier waarin het kantoor een keuze heeft gemaakt die volstrekt verkeerd is uitgepakt en waardoor aan cliënten de gezochte rechtsbescherming werd onthouden. De daaropvolgende complicaties behoren niet voor rekening te komen van de cliënten.
Indien de arbiters zouden menen dat een betalingsverplichting op declaraties bestaat die hoger is dan € 73.736,96, verzoeken de cliënten om bij wijze van tegenvordering een schadevergoeding van € 8.065,43 toe te kennen en deze te verrekenen met die verschuldigde bedragen.

Ter zitting hebben de cliënten – kort samengevat – aangegeven dat zij hun standpunt handhaven dat zij onvoldoende rechtsbescherming hebben gekregen, dat de behandelend advocaten onzorgvuldig en ondoelmatig hebben gehandeld en niet hebben voldaan aan hun informatieplicht, waardoor zij schade hebben geleden. Verder blijven zij van mening dat de declaraties van het kantoor excessief zijn en dat zij deze door de beroepsfout van het kantoor niet geheel zijn verschuldigd.

Behandeling van het geschil
Op 8 oktober 2021 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door [naam] fungerend als plaatsvervangend secretaris.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

Beide partijen zijn (digitaal) ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. De cliënten werden bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het kantoor zijn verschenen: [naam], [naam] en [naam].

Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen overleg gevoerd om tot een oplossing in der minne te komen. Bij brief van 15 oktober 2021 heeft het kantoor, mede namens (de gemachtigde van) de cliënten, aan de commissie bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en dat zij daarom een uitspraak van de commissie wensen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overwegen de arbiters het volgende.

De arbiters beslissen naar redelijkheid en billijkheid, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van (de behandelend advocaten van) het kantoor hanteren dat zij heeft (hebben) gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en ingebracht stellen de arbiters het navolgende als niet dan wel onvoldoende weersproken vast.
De cliënten zijn in een door de wederpartij aangespannen procedure bij de rechtbank alsmede in het door de cliënten tegen de wederpartij ingestelde hoger beroep bijgestaan door het kantoor. Ook heeft het kantoor voor de cliënten eind 2018 een kort geding tot opheffing van conservatoire beslagen gevoerd.
De wederpartij verweet de cliënten – kort gezegd – zich schuldig te hebben gemaakt aan onbehoorlijk bestuur ten gevolge waarvan de wederpartij schade had geleden (nader op te maken bij staat). De wederpartij vorderde dat de cliënten hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,–.
Het verweerschrift van de cliënten moest in eerste instantie op 13 december 2018, en na uitstel, op 14 januari 2019 digitaal worden ingediend. Na het verkregen uitstel heeft de (eerste) advocaat van de cliënten zich onttrokken.
Op 7 januari 2019 heeft het kantoor zich als advocaat voor de cliënten gesteld. Er is vervolgens geen uitstel verzocht voor het indienen van een verweerschrift in de hoofdzaak.
Het kantoor heeft op 8 januari 2019 gebeld met de griffie om te vragen of het verweerschrift tegelijk met de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring diende te worden ingediend.
Op 9 januari 2019 heeft het kantoor de cliënten een e-mail gestuurd inhoudende dat de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring was ingediend en dat de wederpartij daarop digitaal op 22 januari 2019 kon reageren, waarna de rechtbank een vonnis in incident zou wijzen. Ook staat in deze e-mail vermeld dat de rechtbank de mogelijkheid om op 14 januari 2019 een verweerschrift in te dienen had gecanceld en na het te wijzen vonnis in incident daarvoor een nieuwe datum zou bepalen.
Op 14 januari 2019 is een incidentele conclusie genomen tot oproeping in vrijwaring van G.; er is geen verweerschrift in de hoofdzaak ingediend. Dit in overleg met de cliënten opgestelde verweerschrift was wel gereed voor indiening.
Op 22 januari 2019 heeft de wederpartij antwoord in het incident tot vrijwaring ingediend.
Op 1 maart 2019 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen en het incident tot oproeping in vrijwaring als “bij voorbaat evident kansloos” aangemerkt en als alleen bedoeld om nogmaals een uitstel te bewerkstelligen voor indiening van het verweerschrift na wisseling van advocaat. Voorts heeft de rechtbank bij deze uitspraak de vordering van de wederpartij integraal toegewezen.
Het kantoor heeft na deze uitspraak de cliënten schriftelijk – op 31 oktober 2019 en 13 januari 2020 gevraagd duidelijkheid te verschaffen of het kantoor door hen aansprakelijk zou worden gesteld vanwege een (vermeende) beroepsfout. Een dergelijke aansprakelijkstelling is uitgebleven.
De cliënten hebben aan het kantoor opdracht verstrekt haar dienstverlening voort te zetten en werkzaamheden te (blijven) verrichten. Zij hebben opdracht gegeven tot het instellen en voeren van de appelprocedure.
Het gerechtshof heeft in deze geoordeeld dat het hoger beroep gegrond was en het door de cliënten bestreden vonnis vernietigd. Deze uitspraak is onherroepelijk, nu door geen der partijen cassatieberoep is ingesteld.
De door het kantoor verrichte werkzaamheden werden aanvankelijk in rekening gebracht bij de cliënt sub 1a. Op zijn verzoek is een deel van de declaraties ook aan de cliënte sub 2 gericht. Het kantoor heeft per brief van 20 december 2018 aan de cliënt sub 1a bevestigd dat deze desondanks persoonlijk verantwoordelijk blijft voor het betalen van de declaraties.
De cliënten hebben de door het kantoor verrichte en in rekening gebrachte werkzaamheden na ontvangst van de daarop betrekking hebbende declaraties betaald met uitzondering van een bedrag van € 59.610,85 dat thans – naast een bedrag van € 845,58 aan door het kantoor gemaakte kosten van beslaglegging ten laste van de cliënten – nog openstaat.

Naar de arbiters begrijpen, heeft het kantoor volgens de cliënten een fout gemaakt door bij voorbaat een evident kansloze incidentele vordering in te dienen tot het in vrijwaring oproepen van G., met als uiteindelijk gevolg dat de rechtbank de cliënten niet (meer) de gelegenheid heeft geboden verweer te voeren en de vordering van de wederpartij integraal heeft toegewezen. Voor de daardoor vervolgens gemaakte kosten en ontstane schade is het kantoor volgens de cliënten dan ook aansprakelijk.

Dit betoog faalt. Daartoe overwegen de arbiters als volgt.

Op grond van artikel 210 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de gedaagde partij indien deze gronden meent te hebben om een derde in vrijwaring op te roepen, na dagvaarding (procesinleiding geheten onder KEI) een conclusie vóór alle weren nemen strekkende tot oproeping van deze derde in vrijwaring.
De eventuele door de wederpartij gestelde omstandigheid dat het verweerschrift reeds eerder had moeten worden ingediend en ondanks bezwaar er wegens klemmende reden tot de rolzitting van 14 januari 2019 uitstel was verleend voor dit indienen, maakt dit niet anders.
Zelfs na een afwijzing van een uitstelverzoek bestaat immers nog steeds het recht om de incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen. Daarbij komt dat na overleg met de griffie – zoals hiervoor reeds is vastgesteld – door de griffie het indienen van het verweerschrift in het systeem KEI is gecanceld in verband met het indienen van de incidentele vordering; volgens de griffie zou na het vonnis in het incident een datum voor dienen van antwoord worden bepaald.

De incidentele vordering heeft het kantoor (blijkens de Memorie van Grieven) als volgt onderbouwd:
10. Wanneer in de Hoofdzaak onverhoopt – ondanks het verweer van [naam cliënt 1 sub a] c.s. – in rechte komt vast te staan dat [naam cliënt 1 sub a] c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door bevoegdheden te misbruiken en onbehoorlijk bestuur heeft gepleegd en dat [naam cliënt 1 sub a] c.s. ter zake hiervan een persoonlijk en ernstig verwijt kan worden gemaakt, staat tevens vast dat (G.) in dezelfde periode naast [naam cliënt 2] B.V., bestuurder van (naam wederpartij) is geweest. Als [naam cliënt 1 sub a] c.s. gehouden is de schade die (naam wederpartij) dientengevolge heeft geleden te vergoeden, is het waarschijnlijk dat (G.) als direct bestuurder ook hiertoe (geheel of gedeeltelijk) gehouden kan worden. Het besturen van een vennootschap is immers in beginsel een collectieve taak. Aan het voorgaande doet niet af dat (G.) als enige van de twee aandeelhouders aanwezig was op een algemene vergadering van aandeelhouders van (naam wederpartij). d.d. 13 december 2016 uitsluitend aan zichzelf als bestuurder decharge heeft verleend en dat uitdrukkelijk niet heeft gedaan aan de medebestuurder [naam cliënt 2] B.V.
11. Gelet op het voorgaande heeft [naam cliënt 1 sub a] c.s. er – onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle weren in de hoofdzaak – recht op en belang bij om (G.) in vrijwaring op te roepen voor het geval dat de rechtbank onverhoopt de vordering van (naam wederpartij) jegens [naam cliënt 1 sub a] c.s. mocht toewijzen. (G.) moet als direct bestuurder van (naam wederpartij) voor de integrale schade van (naam wederpartij) verantwoordelijk worden gehouden en in de interne verhouding tussen de bestuurders [naam cliënt 1 sub a] c.s. volledig dienen te vrijwaren.

Ingevolge artikel 210 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt voorts dat de maatstaf voor toewijsbaarheid van een dergelijke vordering is of gedaagde in de hoofdzaak/eiser in het incident (de gewaarborgde) voldoende onderbouwd stelt dat tussen hem en de in vrijwaring op te roepen derde (de waarborg) een rechtsverhouding bestaat die voor laatstgenoemde een verplichting tot vrijwaring meebrengt, in die zin dat de derde de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak moet dragen. Het verlies van de hoofdzaak moet derhalve ontstaansvoorwaarde zijn voor toewijzing van de vordering van de gewaarborgde op de waarborg. Niet is vereist dat rechtstreeks verband bestaat tussen de vordering in de hoofdzaak en die in de vrijwaring, evenmin het bestaan van een verplichting van de waarborg tot processuele bijstand aan de gewaarborgde.
Het daadwerkelijk bestaan van die rechtsverhouding hoeft overigens niet te worden aangetoond in het vrijwaringsincident. Dat moet in de (eventuele) vrijwaringszaak zelf worden onderzocht.

Dat de incidentele vordering bij voorbaat kansloos zou zijn, achten de arbiters – anders dan betoogd door de cliënten – gelet op het hiervoor is overwogen niet evident. Het als onderbouwing daartoe ingebrachte vonnis van de rechtbank kan daar niet aan afdoen.
Het kantoor heeft de vordering voldoende onderbouwd en heeft – zoals hiervoor reeds vastgesteld -voorafgaand over de wijze van indiening overleg gevoerd met de griffie en vervolgens de cliënten daarover ook geïnformeerd. De juistheid van dit overleg met de griffie van de rechtbank en hetgeen het kantoor aan de cliënten in de e-mail van 9 januari 2019 heeft geschreven, vindt zijn bevestiging in de omstandigheid dat de wederpartij vervolgens inderdaad op 22 januari 2019 voor antwoord in het incident tot vrijwaring heeft ingediend en de rechtbank vervolgens ook vonnis in het incident heeft gewezen.

Uit het voorgaande volgt dat het kantoor naar het oordeel van de arbiters heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Van een door het kantoor op dit punt gemaakte fout is dan ook geen sprake.
Wat er verder zij van het incidentele vonnis – tevens (in hoger beroep vernietigde) eindvonnis van de rechtbank in de hoofdzaak – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen achten de arbiters, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, voorts niet dan wel onvoldoende onderbouwd noch gebleken dat het kantoor een verwijt kan worden gemaakt dat de rechtbank tot deze uitspraak is gekomen, laat staan dat het kantoor voor de gestelde gevolgen die deze uitspraak voor de cliënten heeft gehad, een verwijt zou kunnen worden gemaakt.

Nu er naar het oordeel van de arbiters geen sprake is van een fout, zoals door de cliënten gesteld, behoeven de overige daarop gebaseerde verweren van de cliënten geen verdere bespreking, omdat de grondslag daarvoor immers ontbreekt.

Aan de orde zijn dan de declaraties van het kantoor.
De cliënten achten het totaal door het kantoor in rekening gebrachte disproportioneel en handelen naar hun mening alleszins redelijk door het te laten bij betaling van het reeds betaalde bedrag van € 73.736,98.
Echter, op grond van de overgelegde stukken staat vast dat het kantoor de verrichte – daadwerkelijk aan de zaak bestede – werkzaamheden volgens de gemaakte afspraken in rekening heeft gebracht. Van ondeugdelijk declareren zijn de arbiters niet gebleken. Daarbij nemen de arbiters in aanmerking dat het kantoor het oorspronkelijk overeengekomen uurtarief heeft verlaagd en het totaal in rekening gebrachte heeft gematigd met 55 uur, alsmede dat een bedrag van € 13.402,77 bestaat uit verschotten.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van het kantoor tot betaling van het openstaande bedrag van € 59.610,85 en van de kosten van de beslaglegging ad € 845,58 worden toegewezen. De arbiters zullen de wettelijke rente over (alleen) het openstaande bedrag toewijzen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift (4 april 2021).

De door de cliënten verzochte schadevergoeding zal worden afgewezen, nu van schade door toedoen van het kantoor niet is gebleken.

De arbiters zullen voorts de cliënten als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 332,75 (€ 90,75 plus € 242,–) van het door de Stichting Geschillencommissie voor Beroep en Bedrijf (SGB) vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters.
Gelet op de beslissing wordt het kantoor geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens de cliënten te hebben voldaan. De arbiters bepalen voorts dat het bedrag dat het kantoor ter zake van de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt de cliënten tot betaling van deze kosten aan het kantoor.

Hetgeen partijen ieder voor zich overigens verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De arbiters:

– verklaren de klacht van de cliënten ongegrond;

– veroordelen de cliënten hoofdelijk om aan het kantoor te voldoen een bedrag van € 59.610,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordelen de cliënten hoofdelijk tot betaling aan het kantoor van de kosten van de beslaglegging ad € 845,58;

– bepalen dat het bedrag dat het kantoor ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt de cliënten in de kosten van deze arbitrage, aan de zijde van het kantoor vastgesteld op € 332,75 aan honorarium en verschotten van de arbiters;

– wijzen af het meer of anders verzochte.