Commissie: Energie
Categorie: kosten/ overeenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: -
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1317982/1320495
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument bleef na haar verhuizing onbedoeld maandenlang voorschotten betalen voor het warmtenet op haar oude adres, omdat zij alleen haar correspondentieadres wijzigde maar het contract niet opzegde. De nieuwe bewoner meldde zich bovendien niet aan. De commissie vindt dat de ondernemer het contract terecht pas per 10 maart 2025 heeft beëindigd, omdat de consument haar verhuizing niet officieel had doorgegeven. Tegelijk vindt de commissie dat de ondernemer meer had moeten doen om de nieuwe bewoner vanaf 1 november 2024 aan te spreken op betaling. De ondernemer moet nu een afrekening maken voor het verbruik tot 1 november 2024 en daarna eerst de nieuwe bewoner laten betalen. Lukt dat niet, dan moet de ondernemer de consument de gegevens geven zodat zij zelf verdere stappen kan zetten. De klacht is daarom deels gegrond.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument heeft op de website wel een wijziging aangebracht in haar correspondentieadres, maar heeft verzuimd haar contract te beëindigen en blijft via automatisch afschrijving voorschotbedragen voldoen. De nieuwe bewoner meldt zich niet aan bij de ondernemer voor warmtelevering. De ondernemer dient een afrekening op te stellen over de periode dat de consument klant was en dient verder de nieuwe bewoner aan te spreken tot betaling vanaf het moment dat zij haar intrek nam in de huurwoning van de consument.
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit dat de consument na haar verhuizing wel een wijziging heeft aangebracht in haar correspondentieadres, maar niet heeft doorgegeven dat zij was verhuisd en niet langer klant van de ondernemer wilde zijn.
De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 22 juli 2024 ben ik verhuisd. Op het oude adres betaalde ik een voorschot van € 88,- per maand aan de ondernemer voor het warmtenet. Nadat ik van juli t/m november 2024 naar een ander adres was verhuisd, is mijn (oude) appartement gerenoveerd door [woningcorporatie] en vanaf
1 oktober 2024 is daar een nieuwe bewoner komen wonen.
Toen ik naar een nieuw adres verhuisde had ik gezondheidsproblemen en moest ik het huis volledig zelf renoveren. Op het nieuwe adres zijn de kosten van warm water c.q. verwarming begrepen onder die van gas. In augustus 2024 meldde ik via mijn account dat ik verhuisd was naar een nieuw adres maar de automatisch incasso ging door tot 22 maart 2025.
In november 2004 heeft de nieuwe bewoonster die naar mijn oude adres is verhuisd zich ook aangemeld bij de ondernemer en zij betaalt nu een maandelijks voorschot. Toen ik belde naar de ondernemer werd mij verteld dat ik het voorschot van 22 juli 2024 tot 22 maart 2025 niet terug ontvang omdat ik me niet op tijd heb afgemeld.
Mijn (oude) appartement stond van augustus tot november 2025 leeg en vanaf 1 oktober 2024 woont daar een nieuwe bewoner. De ondernemer stelde dat als ik aantoon dat de nieuwe bewoner over die periode heeft betaald zij met terugwerkende kracht de bedragen kan terugbetalen, maar de nieuwe bewoner was agressief en verleent geen medewerking.
Omdat van 22 juli 2024 tot 30 maart 2025 (acht maanden) van mijn rekening automatisch een voorschotbedrag is afgeschreven wil dat terug wil ontvangen, want ik hoef slechts te betalen voor wat ik gebruik.
De consument verlangt restitutie van de ten onrechte door haar betaalde voorschotbedragen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
In haar klacht geeft de klant aan verhuisd te zijn van haar oude woonadres in [stad] in juli 2024. Op haar nieuwe woonadres heeft de klant geen aansluiting op ons warmtenet. Volgens de klant is er sprake van prestaties zonder rechtsgrond volgens art. 6:203 BW en zij verzoekt ons om de periode vanaf 22 juli 2024 tot en met 10 maart 2025 te herzien.
Op 10 maart 2025 heeft zij contact opgenomen in verband met een automatische incasso van ons. Uit contact met een van onze medewerkers bleek dat zij al in juni 2024 was verhuisd.
De consument gaf aan dat zij op het betreffende adres woonachtig was op basis van een huurcontract dat per 22 juli 2024 is beëindigd. De collega in kwestie heeft in dit telefoongesprek gecontroleerd of er in het verleden een afmelding is doorgegeven. Helaas bleek dit niet het geval. De consument is daarom overeenkomstig onze algemene voorwaarden afgemeld per 10 maart 2025. Dit is de datum waarop de klant contact opnam over haar automatische incasso en daarmee dus het eerste moment dat voor ons duidelijk werd dat de consument niet meer woonachtig was op het genoemde adres.
In de algemene voorwaarden (artikel 6.6 en 6.7, pag. 7/16.) wordt aangegeven dat het opzeggen van het contract binnen een termijn van 30 dagen aan ons moet worden doorgegeven. Dit is helaas niet gebeurd, waardoor het contract op [adres] op naam van de consument niet eerder is beëindigd dan per 10 maart 2025, de datum dat zij hierover voor het eerst contact opnam.
Volgens art. 6.6 van onze algemene voorwaarden kunnen zowel de Verbruiker als het Bedrijf de overeenkomst tot Levering opzeggen. Opzegging door de Verbruiker dient met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 15 werkdagen te geschieden. Opzegging door het Bedrijf dient gemotiveerd en schriftelijk te geschieden en is slechts mogelijk in geval van zwaarwichtige belangen en met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal negentig dagen.
Artikel 6.7 houdt in dat indien de Verbruiker de overeenkomst niet binnen de in lid 6 bedoelde opzegtermijn heeft opgezegd, alsmede indien het Bedrijf niet binnen de opzegtermijn in de gelegenheid is gesteld de voor de beëindiging van de overeenkomst noodzakelijke handelingen te verrichten, de Verbruiker gebonden blijft aan hetgeen in of krachtens de overeenkomst en deze algemene voorwaarden is bepaald, totdat hij aan al zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.
Als warmteleverancier zijn we afhankelijk van wat de oude en/of nieuwe bewoner aan ons doorgeeft. In deze situatie is er helaas voor 10 maart 2025 geen wijziging doorgegeven. Dat maakt dat beide partijen (oude en nieuwe bewoner) in gebreke zijn gebleven. Wij hebben als warmteleverancier geen toegang tot het Basisregister Personen waar woonadressen terug te vinden zijn. Het risico op het verhalen van de kosten ligt daarmee onterecht, volledig bij ons.
De consument heeft sinds juli 2024 verschillende berichten ontvangen die betrekking hadden op haar oude adres. Er is zevenmaal een verbruikskostenoverzicht verzonden per e-mail. In deze e-mail wordt specifiek aangegeven om welk aansluitadres het gaat en wat het verbruik is in de maand waarvoor dit overzicht is verzonden. Daaruit kon worden geconcludeerd dat de overeenkomst op dat moment nog door liep. Op basis van deze e-mails had de consument in augustus 2024 al actie kunnen ondernemen. Daarnaast maakte de consument gebruik van een automatische incasso, waarbij zij maandelijks geld van haar rekening afgeschreven ziet worden. Als laatste versturen wij elke laatste vrijdag van de maand een nieuwsbrief. Omdat de communicatievoorkeur bij de consument op e-mail ingesteld was en zij deze nieuwsbrief niet weigerde, heeft zij deze ook ontvangen in de periode na haar verhuizing.
Op het Mijn Warmte account heeft de consument op 20 juni 2024 haar correspondentieadres aangepast. Dit ziet de consument als het doorgeven van een verhuizing en de opzegging van het contract. Op het Mijn Warmte portaal kun je de persoonsgegevens, waaronder het correspondentieadres, aanpassen bij de optie ‘Mijn gegevens’. Dit is een van de opties boven in de balk op het Mijn Warmte portaal. Er is echter ook een grote tegel ‘Mijn verhuizing doorgeven’. De consument heeft deze optie niet gebruikt. Het wijzigen van een correspondentieadres kan dan ook niet worden gezien als het doorgeven van een verhuizing/het opzeggen van het contract. Daarnaast zijn alle facturen en contractgegevens ook terug te vinden op Mijn Warmte.
Uit een recente uitspraak van de geschillencommissie is gebleken dat de verantwoordelijkheid niet kan worden gelegd bij de leverancier. In zaaknummer 1298828/1311466 is op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een soortgelijke zaak.
De consument wil dat wij de administratie zodanig aanpassen dat wordt uitgegaan van een opzegging per 22 juli 2024. Wij gaan hier niet mee akkoord omwille bovenstaande punten.
Wel willen we aangeven dat we begrijpen dat het gaat om een kennelijke vergissing van de zijde van de consument dat destijds niet is opgezegd. Echter, de verantwoordelijkheid om tijdig op te zeggen ligt bij de consument en kan ook niet bij ons worden gelegd. Juist omdat wij geen zicht (kunnen) hebben op mutaties als deze niet door een van de partijen worden doorgegeven. Om die reden willen we deze zaak aan de Geschillencommissie Energie willen voorleggen om hier een uitspraak over te doen.
In een reactie van [woningcorporatie] wordt door de woningbouwvereniging aangegeven dat zij op 12 november 2024 een meterstandenformulier hebben gestuurd naar ons betreffende de mutatie voor [adres] te [stad]. Hierin zou de nieuwe bewoner voor dit adres zijn doorgegeven.
In onze administratie is dit meterstandenformulier echter nergens terug te vinden. We hebben onze administratie na laten kijken en ondanks gebruik van verschillende zoekopdrachten kunnen we dit formulier niet vinden. We zien hiervoor ook geen bewijsstukken aangeleverd door [woningcorporatie], behalve dat zij aangeven deze verstuurd te hebben.
Wij hebben het meterstandenformulier helaas niet ontvangen. Mocht dit het geval zijn geweest, dan hadden wij de mutatie alsnog met de juiste datum verwerkt.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Uit de door partijen gestelde feiten en verklaringen blijkt dat beiden niet hebben geageerd zoals van ze had mogen worden verwacht. Daarbij valt er met name op te wijzen dat de ondernemer geen pogingen heeft ondernomen om de nieuwe bewoner van de woning waar de consument tot juli 2024 verbleef aan te spreken tot betaling.
Vaststaat dat de consument van niet-Nederlandse origine is en dat zij voor de sociale huurwoning waarin zij woonde een overeenkomst met de ondernemer heeft gesloten zodat zij werd aangesloten op het warmtenet. Daarbij moet worden bedacht dat het de consument niet vrij stond om zelf een keuze te maken, maar dat zij was gebonden aan de ondernemer.
Tijdens de zitting is ook komen vast te staan dat [woningcorporatie], de verhuurster van de betreffende woning, mededelingen heeft gedaan aangaande de verhuizing van de consument, maar dat deze gegevens niet door de ondernemer zijn achterhaald. Naar het oordeel van de commissie wijst dit erop dat ofwel de administratie van [woningcorporatie] niet op orde is dan wel dit geldt voor de administratie van de ondernemer.
Evenmin verschillen partijen van mening over het feit dat de consument wel digitaal een wijziging in het correspondentieadres heeft doorgegeven, maar niet de leveringsovereenkomst heeft beëindigd.
Tussen partijen is verder niet in geschil dat de door de consument verlaten woning tot 1 november 2024 leeg stond en dat vanaf die datum iemand anders huurder werd.
Pas in maart 2025 werd duidelijk dat de consument nog steeds voorschotnota’s betaalde hoewel zij niet meer huurder van het betreffende pand was.
Dat de consument wel een wijziging heeft aangebracht in haar correspondentieadres, maar niet de leveringsovereenkomst heeft beëindigd kan de ondernemer niet worden verweten. Het betekent dat de vordering op dat punt moet worden afgewezen. Daarbij neemt de commissie ook in aanmerking dat de consument na haar verhuizing nog diverse berichten en voorschotnota’s van de ondernemer ontving (welke zij ook betaalde).
Wel wijst de commissie er op dat voor veel huurders algemene voorwaarden en jaaroverzichten weinig inzichtelijk zijn. Dat geldt eens te meer voor degenen die van niet-Nederlandse origine zijn en nog maar een beperkte tijd in Nederland verblijven. Nu aansluiting op het warmtenet slechts kan plaatsvinden door aanmelding bij de ondernemer rust op de ondernemer een bijzondere verantwoordelijkheid. De ondernemer doet er goed aan met de verhuurder van de woning -[woningcorporatie]- een systeem op te zetten waarbij zij elkaar op te hoogte houden van verhuizingen en leegstand van woningen.
In maart 2025 is duidelijk geworden dat de consument was verhuisd en dat zij nog steeds voorschotnota’s ontving en betaalde. Ook was duidelijk dat vanaf 1 november 2024 een derde de betreffende woning huurde. Ondanks een daartoe strekkend verzoek van de consument heeft de ondernemer geen pogingen gedaan om enig bedrag te gaan incasseren bij de nieuwe bewoner. Gelet op haar zorgplicht en haar positie als monopolist had dit wel van haar mogen worden verwacht. De commissie verwerpt dan ook de stelling van de ondernemer dat zij dit niet deed in verband met het risico dat zij niet al het verschuldigde zou kunnen innen. Het had op de weg van de ondernemer gelegen wel incassopogingen te doen, zodat de nieuwe bewoner met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2024 alsnog voorschotbedragen ging betalen. Daarbij wijst de commissie erop dat de ondernemer steun had kunnen zoeken bij [woningcorporatie] die de nieuwe huurder erop had kunnen wijzen dat wie zich niet aanmeldt bij een warmtenet en profiteert van het feit dat een ander ten onrechte voorschotbedragen blijft voldoen, niet is te beschouwen als een goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW en dat dit grond kan zijn voor beëindiging van de huurovereenkomst.
Het vorenstaande leidt de commissie tot de conclusie dat de ondernemer een schatting moet maken van het door de consument verschuldigde over de periode vanaf juli 2024 tot 1 november 2024. Omdat het zomer was en de woning leeg stond zal dat te schatten verbruik beperkt zijn.
Voor de periode 1 november 2024 tot 22 maart 2025 dient de ondernemer allereerst de huidige bewoner -waarmee zij inmiddels een overeenkomst heeft gesloten- tot betaling aan te spreken. Leidt dit tot betaling dan dient het aldus verkregen in mindering te worden gebracht op hetgeen de consument over die periode aan voorschotbedragen heeft voldaan. Als het aanspreken van de huidige bewoner niet succesvol is dient de ondernemer dat mee te delen aan de consument en daarbij ook de onderliggende bescheiden over te leggen, opdat de consument alsnog een procedure kan starten bij de kantonrechter tegen de nieuwe bewoner op basis van artikel 6:203 BW (ongerechtvaardigde verrijking).
De commissie is derhalve van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie gelast:
- De ondernemer ten behoeve van de consument een afrekening op te stellen ter zake van het pand [adres] over de periode tot 1 november 2024;
- De ondernemer de huidig bewoner van dat pand aan te spreken tot betaling over de periode vanaf 1 november 2024 tot 22 maart 2025 en mocht die bewoner niet bereid zijn een overeenkomst over die periode aan te gaan of geen financieel verhaal bieden, de consument te voorzien van de nodige gegevens opdat zij desgewenst een procedure kan starten tegen die nieuwe bewoner.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer prof. mr. A.W. Jongbloed, voorzitter, de heer R.A. Timmer, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 9 februari 2026.