Commissie in beginsel niet bevoegd te beslissen over hoogte tarieven ook voor wat betreft Warmtewet; hier heeft commissie marginale beoordelingsruimte en oordeelt geen sprake van evident onredelijke tarieven.

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Warmte    Jaartal: 2016
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 96158

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de jaarafrekening over 2014, met name de daarbij door de ondernemer aan de consument in rekening gebrachte kosten van de centrale afleverset voor de levering van warm tapwater. Daarnaast zijn er nog een aantal klachten als hierna vermeld.

De consument stelt dat de klacht op 10 november 2014 is ontstaan en hij heeft de klacht op dezelfde datum schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
klacht 1.
De ondernemer heeft bij de jaarnota over de periode vanaf oktober 2013 tot en met december 2014 een bedrag ad € 347,28 wegens kosten van een afleverset bij de consument in rekening gebracht.
De afleverset bevindt zich in de centrale verwarmingsruimte van het appartementencomplex, dat in totaal 30 appartementen omvat, waarvan de consument er een als eigenaar bewoont.
De 30 appartementen betalen aan kosten voor de afleverset in totaal 30 x € 347,28 = € 10.418,40 per jaar. Deze kosten zijn veel te hoog voor een dergelijk eenvoudige en relatief kleine installatie.

De consument heeft zich tot de Autoriteit Consument & Markt (ACM) gewend en ACM heeft bij brief d.d. 31 maart 2015 aangegeven twijfels te hebben over de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten.
De consument verlangt dat een onafhankelijke instantie vaststelt wat de echte en redelijke kosten zijn van de betreffende installatie en op basis daarvan een nieuw tarief afleverset bepaalt.

klacht 2.
Mede door de kosten van de afleverset stijgen de kosten voor het vastrecht over het jaar 2014 met 36% ten opzichte van het jaar 2013. Hiermee wordt het Niet Meer Dan Anders (NMDA) principe overschreden. De ondernemer brengt aan de consument € 1.675,09 in rekening en mag volgens door de consument ingewonnen informatie niet meer in rekening brengen dan ongeveer € 1.380,– per jaar.

klacht 3.
Uit onderzoek van de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het appartementencomplex is gebleken dat de temperatuur van het door de ondernemer geleverde warm tapwater niet meer dan 50 graden Celsius bedroeg. Die temperatuur had ter voorkoming van de legionella bacterie minstens 60 graden moeten zijn. Inmiddels is dit door de ondernemer in orde gemaakt.
De consument verlangt een bedrag ad € 50,– als vergoeding voor de levering van warm tapwater op een te lage temperatuur gedurende de periode vanaf 1 juli 2013 tot medio april 2015.

klacht 4.
De ondernemer levert in strijd met de destijds aan de kopers van de appartementen verstrekte informatie niet gedurende het gehele jaar koude of warmte. In het geval van de consument wordt er slechts gedurende een half jaar warmte geleverd. De ondernemer brengt echter de vaste kosten aansluiting ruimteverwarming gedurende een heel jaar in rekening.
De consument verlangt dat de ondernemer de kosten voor de aansluiting ruimteverwarming met de helft vermindert.

Ter zitting is door de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De consument is penningmeester van de VvE, maar de klacht is onder persoonlijke titel gedaan.
Het complex omvat 30 appartementen.
Met betrekking tot de klachten 1 en 2 is de consument van mening dat het zozeer onduidelijk is wat onder de afleverset moet worden verstaan en welke kosten door de ondernemer aan de consument in rekening mogen worden gebracht, dat de consument verzoekt om als deskundige, de firma Dubourgraaf te benoemen. Partijen komen daar zelf nooit uit en waarschijnlijk de commissie ook niet.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

ad klacht 1 en 2.
Iedere woning in het complex, waartoe ook de woning van de consument behoort, heeft een samenstel van afsluiters, regelklep, thermostaatregeling en een retourbegrenzer ten behoeve van de warmtelevering. In iedere woning is ten behoeve van de levering van warm tapwater een afsluiter, watermeter en inregelafsluiter aanwezig.

In de kelder van het complex zijn een warmtewisselaar met circulatiepompen, buffervaten en een circulatieleiding aanwezig (een zogenoemd boilerlaadsysteem), welke installatie dienst doet als afleverset/wisselaar ten behoeve van de warmtapwater bereiding.

Bij brief d.d. 7 juli 2014 heeft de minister van Economische Zaken aangegeven dat een centrale afleverset beschouwd kan worden als een individuele afleverset/wisselaar.

Bij brief d.d. 3 december 2014 heeft de ondernemer aan de VvE, waarvan de consument bestuurslid is, medegedeeld hoe de kosten voor de afleverset zijn opgebouwd. De ondernemer heeft de werkelijke kosten bepaald van alle installatieonderdelen vanaf de collectieve dubbelwandige tapwater warmtewisselaar in de centrale stookruimte van het appartementencomplex tot en met de watermeter in het appartement. De ondernemer heeft de kosten gespecificeerd en vastgesteld op in totaal een bedrag ad € 232,86.

De ondernemer benadrukt dat het gaat om de kosten voor aanschaf, onderhoud, beheer en vervanging van de centrale afleverset.
De ondernemer is van mening met deze onderbouwing de redelijkheid van de kosten aangetoond te hebben.

ad klacht 3.
Deze klachten werden veroorzaakt door de waterhydrofoor, die in beheer en onderhoud is bij de VvE. De waterhydrofoor gaf onvoldoende waterdruk en functioneerde niet naar behoren. Aanvankelijk was de retourtemperatuur van het warm tapwater circa 55 graden. De temperatuurmetingen die de VvE heeft gedaan zijn onnauwkeurig, immers op indicatieve meters in een gelaagd boilervat afgelezen.
Er is geen legionella bedreigende situatie geweest.
Medio maart 2015 zijn aanpassingen aan het tapwatersysteem uitgevoerd, nadat het probleem met de waterdruk door het bestuur van de VvE was opgelost. Na aanpassing van het boilerlaadsysteem door de ondernemer wordt een retourtemperatuur van gemiddeld 60 graden behaald.

ad klacht 4.
De temperatuur regeling vindt weersafhankelijk plaats. Aan de hand van de buitentemperatuur en een stooklijn wordt door de systeemregeling een aanvoertemperatuur van het water bepaald.
De systeemregeling stopt het transport van C.V.- water bij een buitentemperatuur van 22 graden. Bij een buitentemperatuur van 20 graden en lager start de systeemregeling het transport van C.V.-water.
Eenzelfde vrijgave en blokkering vindt plaats bij het leveren van koude. Er wordt gekoeld water geleverd vanaf een buitentemperatuur van 14,5 graden. Bij een buitentemperatuur van minder dan 12,5 graden blokkeert de regeling. De regeling van de temperatuur van gekoeld water, vindt plaats via een stooklijn koude. Tot 16,5 graden buitentemperatuur wordt gekoeld water van 19 graden aangeboden. Vanaf 16,5 graden buitentemperatuur en hoger wordt gekoeld water aangeboden van 17,5 graden.
De consument kan derhalve het gehele jaar door wanneer de buitentemperatuur lager is dan 20 graden zijn appartement verwarmen.

Ter zitting is namens de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer heeft er geen bezwaar tegen dat stukken die gericht zijn aan de VvE in het onderhavige geschil met de consument worden gebruikt. In het verweerschrift wordt vermeld dat het complex 39 appartementen omvat. Het klopt dat dit er 30 zijn.

Met betrekking tot de klachten 1 en 2 heeft de ondernemer aangegeven dat de bij de consument bij de jaarnota in rekening gebrachte kosten voor de afleverset alleen betrekking hebben op de in de kelder van het complex aanwezige warmtewisselaar met circulatiepompen, buffervaten en de circulatieleiding (het boilerlaadsysteem), welke installatie dienst doet als afleverset/wisselaar ten behoeve van de warmtapwater bereiding.

De ACM heeft in de brief d.d. 31 maart 2015 medegedeeld dat geen kosten in rekening zouden mogen worden gebracht voor de circulatieleiding van de afleverset, omdat dit de kenmerken heeft van een warmtenet, waar reeds een vergoeding tegenover staat. De ondernemer is het daarmee niet eens. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de leiding ten behoeve van de aanvoer van warmte en de leiding ten behoeve van de aanvoer van warm tapwater.

De ondernemer heeft er zelf ook alle belang bij dat eindelijk definitief vast komt te staan wat onder afleverset moet worden verstaan en welke kosten in rekening mogen worden gebracht en is in principe dus niet gekant tegen een onderzoek door een onafhankelijk deskundige.

Het bedrag genoemd door de consument van € 347,28 heeft betrekking op de kosten afleverset, inclusief BTW en inclusief vastrecht koude.
Het bedrag in de jaarnota ad € 286,22 heeft betrekking op de kosten afleverset, exclusief BTW en inclusief vastrecht koude.
Het in het verweerschrift genoemde bedrag ad € 232,86 heeft betrekking op de kosten afleverset, exclusief BTW en exclusief vastrecht koude.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

t.a.v. klachten 1 en 2.
 
Ingevolge de Warmtewet, inwerking getreden per 1 januari 2014, dient door de ondernemer aan de warmteverbruiker een afleverset ter beschikking gesteld te worden. De warmtewet spreekt in dit verband van “huur”. 

Mede op grond van de nadere precisering, zoals gegeven door de Minister van Economische zaken bij brief d.d. 7 juli 2014 dient onder de afleverset te worden verstaan een warmtewisselaar, inclusief buizen en onderdelen, zonder de daaraan gekoppelde meter. Bij voormelde brief – op pagina 11 – heeft de minister nader gepreciseerd dat ook centrale afleversets die dezelfde functie vervullen voor een groep verbruikers beschouwd worden als collectieve warmtesystemen, waarvoor de gebruikskosten aan de verbruikers in rekening kunnen worden gebracht. Ook deze kosten dienen uiteraard redelijk te zijn, aldus de minister.

Een door de ondernemer opgeworpen vraagpunt is of ook het leidingstelsel ten behoeve van warm tapwater onder de afleverset valt. De ondernemer is van mening dat dit wel het geval is en maakt een onderscheid tussen het leidingstelsel voor de warmtevoorziening en voor warm tapwater. Bij brief d.d. 31 maart 2015 heeft ACM aangeven dat dit leidingstelsel niet onder de kosten van de afleverset kunnen vallen, omdat deze onderdelen niet de functie van een afleverset hebben.
De commissie volgt ACM in dit standpunt. Mogelijk is ook op dit punt een verdere precisering door de minister gewenst.

Uit het dossier blijkt dat de door de ondernemer gehanteerde kostenopbouw van de afleverset warm tapwater, inclusief BTW, per jaar volgens de ondernemer als volgt is:

kosten installatieonderdelen: € 162,67
(wisselaar, buffervaten, leidingwerk, afsluiters)
kosten preventief en correctief onderhoud van 
de installatieonderdelen:                                 €    51,94
meetkosten warm tapwater:  €    18,25
                                                                       ———— 
Totale kosten   € 232,86

Op grond van artikel 3 van het Reglement Geschillencommissie Energie (versie per 7 juli 2015) heeft de commissie tot taak geschillen tussen consument en ondernemer te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting en/of levering van gas, warmte of elektrische energie en daarmee samenhangende leveringen en diensten.

De commissie is in beginsel niet bevoegd te beslissen over de hoogte van in rekening gebrachte tarieven of kosten, in zijn algemeenheid, ook wat betreft de Warmtewet. De commissie heeft hier slechts een marginale beoordelingsruimte.

De commissie vraagt zich af of het redelijk is dat de ondernemer één en hetzelfde tarief hanteert in de situatie waarbij het warm tapwater met behulp van een collectieve afleverset wordt gegenereerd, omdat dit in het onderhavige geval betekent dat 30 keer het individuele tarief ad € 232,86 per appartement in rekening wordt gebracht. De hoogte van alle bij de consumenten in rekening gebrachte kosten, lijkt zich met de kosten van één centrale afleverset moeilijk te verdragen.

De commissie is op basis van de voorhanden zijnde informatie echter niet van oordeel dat sprake is van evident onredelijke tarieven.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat deze klachten van de consument ongegrond worden verklaard.

t.a.v. klacht 3

Mede naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, stelt de commissie vast dat er problemen waren met de waterdruk van het warm tapwater. Daarnaar is zowel door de VvE als door de ondernemer onderzoek gedaan. Daarbij is gebleken dat de waterhydrofoor, die in beheer en onderhoud is bij de VvE, niet goed functioneerde. De VvE heeft vervolgens maatregelen getroffen, waarna de gewenste waterdruk werd gerealiseerd.
 
Per e-mail d.d. 7 januari 2015 heeft de VvE aan de ondernemer gemeld dat de watertemperatuur van het warm tapwater niet meer dan 50 graden was, zodat er een risico van besmetting met de legionella bacterie aanwezig was. De ondernemer heeft aangevoerd dat de temperatuurmetingen die door de VvE werden gedaan om diverse redenen onjuist en onnauwkeurig waren. De ondernemer heeft op zich erkend dat de toen bereikbare temperatuur van circa 55 graden niet robuust genoeg was en aangegeven maatregelen te zullen nemen om de retourtemperatuur op gemiddeld 60 graden te krijgen.

Medio maart zijn door de ondernemer aanpassingen aan het tapwatersysteem uitgevoerd. Volgens de ondernemer werd naar aanleiding van de verhoogde waterdruk de circulatiepomp vervangen, de boilerlaadpomp ingeregeld en worden hogere temperaturen van de wisselaar opgenomen. Thans wordt een retourtemperatuur van gemiddeld 60 graden behaald.

De consument heeft bevestigd dat de temperatuur van 60 graden thans ook wordt bereikt, maar hij verlangt compensatie gesteld op een bedrag ad € 50,– over de periode vanaf 1 juli 2013 tot medio april 2015, gedurende welke periode het warm tapwater een te lage temperatuur had.

De commissie acht deze klacht niet gegrond en wijst dit verzoek af. Noch gesteld, noch anderszins is gebleken dat de consument enige schade zou hebben geleden. Een besmetting met de legionella bacterie heeft zich gelukkig niet voorgedaan. De consument heeft naar het oordeel van de commissie ook geen serieuze hinder kunnen ondervinden van het feit dat de temperatuur van het warm tapwater gedurende voormelde periode op zich minder dan 60 graden was.

t.a.v. klacht 4

Uit hetgeen over en weer door partijen is gesteld blijkt het volgende.

De ondernemer bezigt een buitentemperatuur afhankelijke warmte en koude regeling, waarbij het leveren van warmte stopt boven de 22 graden buitentemperatuur en het leveren van een koude stopt onder 12,5 graden buitentemperatuur.
Uit het vorenstaande volgt dat – anders dan de consument stelt – er niet sprake is van een periodieke regeling waarbij gedurende 6 maanden alleen warmte en gedurende de andere 6 maanden alleen koude wordt geleverd. Er kan immers buitentemperatuurafhankelijk gedurende het gehele jaar gelijktijdig verwarmd en gekoeld worden. 
Ook deze klacht, zoals verwoord in het vragenformulier, is naar het oordeel van de commissie niet gegrond.

De commissie begrijpt zeer wel dat de bewoners van het complex, waaronder de consument, nog steeds problemen hebben met de warmteregeling. De ondernemer heeft daarnaar onderzoek laten doen in een van de koudst gelegen appartementen in het complex en komt tot de slotsom dat de werkwijze en aanvoertemperatuur conform het hoofddocument uit 13 september 2007 plaatsvindt, maar dat de warmteleidingen van de vloerverwarming in het appartement te krap bemeten zijn.
Het is aan de consument om hiernaar verder onderzoek te doen en daarover vervolgens met de ondernemer in overleg te treden om te bezien wat gedaan kan worden om in onderling overleg een meer gewenste situatie te realiseren.

Beslissing

De commissie wijst het door de consument verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie op 28 september 2015.