Commissie mag klacht over gesloten vakantiepark behandelen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Recreatie    Categorie: Ontbinding overeenkomst    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: voorbeslissing   Uitkomst: aanhouding beslissing   Referentiecode: 457789/546304

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze zaak bij de Geschillencommissie Recreatie wil een recreant de huurovereenkomst voor een kampeerplaats ontbinden en zijn aanbetaling van €1.487,50 terugkrijgen, omdat hij geen gebruik kon maken van het park dat door de gemeente is gesloten. De ondernemer stelt dat haar bedrijfsactiviteiten niet zijn beëindigd en biedt een alternatieve plek aan op een ander park. De commissie moest eerst beoordelen of zij het geschil mag behandelen. Volgens het reglement mag dat niet als de ondernemer zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd. De commissie oordeelt dat dit niet het geval is: de ondernemer is nog actief, neemt boekingen aan, beheert vaste kampeermiddelen en biedt alternatieven aan. Daarom mag de klacht verder worden behandeld. De inhoudelijke beslissing wordt aangehouden.

De volledige uitspraak

Motivering van de te nemen voorbeslissing

De commissie heeft het volgende overwogen.

Van deze wijze van geschillenbeslechting maakt onlosmakelijk deel uit het reglement van deze geschillencommissie. In artikel 11 lid 2 van dat reglement is het volgende vastgelegd:

2. De commissie zal een geschil niet behandelen of de behandeling staken, indien aan de ondernemer surseance van betaling is verleend, deze in staat van faillissement is geraakt, een schuldsaneringsregeling van kracht is geworden of zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd, voordat de consument heeft voldaan aan het bepaalde in de artikelen 7 lid 2, 8 en 9.”.

In casu doet zich alleen de vraag voor of sprake is van de situatie dat de ondernemer “zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd”.

Bepalend hiervoor is dus het moment waarop recreant de klacht bij de geschillencommissie heeft ingediend en klachtengeld en depot heeft gestort. Als voor dat moment sprake is van feitelijke beëindiging van “zijn bedrijfsactiviteiten”, heeft de commissie de behandeling van het geschil te staken, wat een voorbeslissing is.

Door recreant is op 19 juli 2024 de klacht ingediend bij de geschillencommissie en is klachtengeld voldaan. Van een depot/openstaand bedrag is geen sprake.

Door/namens recreant is – voor zover hier relevant – het standpunt ingenomen dat niet sprake is van de situatie dat de ondernemer “zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd”.

Dit omdat:
– de inschrijving in het handelsregister niet vermeld dat de onderneming (deels) is beëindigd;
– de ondernemer nog nieuwe boekingen in behandeling neemt;
– de ondernemer bestaande reserveringen omboekt naar 2025;
– de ondernemer beschikt over meer locaties waarbij hij nog een actieve rol heeft;
– de ondernemer zelf erkent dat zijn activiteiten worden voortgezet;
– de ondernemer tot op heden de kampeermiddelen van recreanten onder zich houdt.

Ook is door de ondernemer op 4 juni 2024 gereageerd op de klacht van recreant door een plaats op een ander park van de ondernemer aan te bieden, nu sluiting van het park door de gemeente kennelijk een feit is. Eerder was recreant gevraagd af te wachten. Recreant is niet akkoord gegaan met genoemde oplossing en verzoekt in dit geding om de door partijen op 8 juni 2023 gesloten huurovereenkomst te ontbinden met terugbetaling door de ondernemer van de aanbetaling ad € 1.487,50. Dit – kort gezegd – omdat recreant geen gebruik kan maken van de overeengekomen “kampeerplaats nabij het water nr. … voor de periode van 15 maart 2024 tot 4 november 2024” bij – kort gezegd – het park.

Door/namens de ondernemer is – voor zover hier relevant – hierover het volgende standpunt ingenomen;

in de richting van recreant:

Cliënte benadrukt het te betreuren dat uw cliënt momenteel geen gebruik kan maken van zijn seizoensplaats. Echter valt cliënte in dezen niets te verwijten. Juridisch is nog steeds sprake van een situatie waarbij nakoming niet blijvend onmogelijk is. De kans is nog steeds zeer reëel dat uw cliënt op korte termijn over zijn kampeerplaats kan beschikken. Zonder daarbij enige schuld te erkennen biedt cliënte uw cliënt aan dat hij van een alternatieve kampeerplek gebruik mag maken op een ander park van cliënte tot aan het moment dat het park weer open zal gaan. Uw cliënt kan in dat kader contact opnemen met de afdeling reservering via (mail adres) Een kostbare juridische procedure dient wat cliënte betreft achterwege te blijven.”.

en desgevraagd in de richting van de geschillencommissie:
Cliënte merkt op dat er geen enkele sprake is van het staken van bedrijfsactiviteiten. De geschillencommissie is wel degelijk bevoegd deze zaak in behandeling te nemen.

De commissie stelt vast dat de ondernemer een rechtspersoon is, te weten een besloten vennootschap. Onder die vlag worden kennelijk een of meer ondernemingen gedreven, waaronder het park, waarover het geschil handelt. Alleen dat laatstgenoemde park is al dan niet gedeeltelijk gesloten. Niet is gebleken dat andere vakantieparken waarover de onderneming(en) van ondernemer beschikt/beschikken, zijn gesloten.

Voor recreanten was het na bovengenoemde datum nog steeds mogelijk om een reservering te maken voor het park. Dit was te verifiëren op de website. Recreanten hebben kennelijk ook mogen ervaren dat de ondernemer nog steeds actief is met nieuwe boekingen (voor 2025) en dat zij nog contact heeft met haar recreanten, ook voor het doen van omboekingen naar andere vakantieparken.

Naast kampeerplaatsen waar recreanten een gedeelte van een jaar gebruik van kunnen maken en daarbij hun eigen kampeermiddelen kunnen meenemen, biedt de ondernemer in het park ook vaste plaatsen aan voor recreanten die hun kampeermiddelen op het park laten staan. Met betrekking tot deze kampeermiddelen heeft het vakantiepark een zorgplicht die strekt tot een goede bewaring en waar nodig onderhoud. De vaste kampeermiddelen zijn tot op heden aanwezig op het vakantiepark en er is geen indicatie dat recreanten zijn gevraagd om de kampeerplaatsen te ontruimen. De voornaamste bedrijfsactiviteit van de ondernemer in het park, de verhuur van een kampeerplaats inhoudende de terbeschikkingstelling daarvan tegen betaling van een huursom, vindt feitelijk gezien nog steeds in beperktere mate plaats aangezien de kampeerplaatsen nog steeds ter beschikking worden gesteld aan de recreanten die daar vaste kampeermiddelen op hebben geplaatst en niet hebben weggehaald.

De conclusie van de commissie is dan ook dat bij wijze van voorbeslissing als volgt moet worden beslist.

(Voor)beslissing

De commissie:

Stelt indachtig het bepaalde in artikel 11 lid 2 van het Reglement van deze commissie vast dat er geen reden is om het geschil van partijen niet behandelen of de behandeling daarvan te staken.

Bepaalt dat het geschil verder moet worden behandeld op de wijze zoals dat is vastgelegd in het Reglement van deze commissie.

Houdt daartoe elke beslissing aan.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp , mevrouw mr. L. Schots – Smit , leden, op 18 december 2024.

Opslaan als PDF