Commissie: Verbouwingen en nieuwbouw
Categorie: Kwaliteit geleverde werk / ondeugdelijke levering
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: voorbeslissing
Uitkomst: bevoegd
Referentiecode:
294609/294735
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In dit geschil gaat het om lekkage in de kelder van een nieuwbouwwoning. De consument diende hierover een klacht in tegen het bouwbedrijf dat de woning heeft gebouwd. Tijdens de zitting werd eerst besproken of de commissie de zaak nog wel mag behandelen, omdat het bouwbedrijf inmiddels is opgeheven. Volgens de regels van de Geschillencommissie hoeft de behandeling alleen te worden stopgezet als het bedrijf failliet is, en dat is hier niet het geval. De commissie oordeelde daarom dat de klacht gewoon inhoudelijk behandeld kan worden. Ook omdat de voormalige vennoten van het bouwbedrijf nog steeds hoofdelijk aansprakelijk zijn voor eventuele fouten. De commissie heeft bepaald dat er zo snel mogelijk een nieuwe zitting moet komen om de inhoud van de klacht te bespreken.
De volledige uitspraak
Ondergetekenden:
De heer mr. M.L.J. Koopmans, de heer C. de Vries, mevrouw mr. C. Muller, die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.
Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw (hierna: de commissie) tot beslechting van het geschil berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals opgenomen in artikel 15 lid 1 van de tussen de ondernemer en de consument gesloten aannemingsovereenkomst voor eengezinswoning met toepassing van de BouwGarant Nieuwgarantieregeling Eengezinswoning 2020. Hierin wordt het volgende bepaald:
“Alle geschillen, welke ook – waaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd – die naar aanleiding van de aannemingsovereenkomst met toepasselijkheid van de BouwGarant Nieuwbouwgarantieregeling 2020 of van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen de Opdrachtgever en de Deelnemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage conform het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Verbouw & Nieuwbouw zoals dat luidt ten dage van de aanhangigmaking van het geschil.”
Er is hiermee voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De arbiters zijn daarom bevoegd om het geschil te beslechten. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 30 lid 1 van het reglement van de commissie (hierna: het reglement) te beslissen als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden.
Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft lekkage in de kelderbak van de door de ondernemer gerealiseerde woning.
Het procesverloop
Op 15 november 2024 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden, bijgestaan door mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk fungerend als secretaris.
Verschenen zijn de consument, vergezeld van diens partner en vader. Aan de zijde van de ondernemer zijn de vennoot sub 2 en vennoot sub 1 verschenen.
De mondelinge behandeling heeft zich toegespitst op een voorvraag, te weten of sprake is van een situatie die de commissie verplicht tot staking van de behandeling.
Nadat partijen hierover hun standpunten over en weer hadden toegelicht, hebben arbiters bepaald dat eerst een voorbeslissing zal worden gegeven.
Overwegingen in het kader van deze voorbeslissing
Voor zover hier relevant hebben arbiters van het volgende uit te gaan:
– De overeenkomst van partijen is gedateerd op 6 oktober 2021;
– Voormelde VOF was toen aangesloten bij BouwGarant;
– De door de ondernemer gerealiseerde woning is opgeleverd in augustus 2022;
– Per 31 december 2022 is de VOF geen deelnemer meer van BouwGarant;
– Het uittreksel KvK van bovengenoemde vennootschap bevat de volgende informatie: “Op 07-01-2023 is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 31-12-2022”;
– Bovengenoemde vennoten waren de enige twee vennoten van de VOF.
Eerst na de mondelinge behandeling is voor de commissie duidelijk geworden dat niet artikel 23 maar artikel 34 van het Reglement van deze commissie hier – bij arbitrage – bepalend is voor de beoordeling of de behandeling al dan niet moet worden gestaakt.
Artikel 34 gaat minder ver dan artikel 23, en verplicht alleen tot staking van de behandeling “indien de ondernemer in staat van faillissement is geraakt, voordat het geschil ter zitting door de commissie is behandeld en een eindbeslissing is gewezen”.
Dit artikel 34 verplicht dus niet tot staking van de behandeling in het in artikel 23 aangeduide geval dat de ondernemer (…) “zijn bedrijfsactiviteiten feitelijk heeft beëindigd, voordat het geschil door de commissie op de zitting is behandeld en een eindbeslissing is gewezen”.
De reden voor dit verschil is de commissie niet duidelijk geworden en heeft zij niet kunnen achterhalen. Feit is dat dit verschil bij de wijziging van dit reglement per 2018 niet ongedaan is gemaakt, nadat toen op dit verschil was gewezen bij de makers van dit reglement.
Mede daardoor is er geen reden voor de commissie om aan te nemen dat artikel 34 per abuis te beperkt is geformuleerd indachtig de meeromvattende inhoud van genoemd artikel 23. Aldus beschouwd is er naar het oordeel van de commissie dan ook niet sprake van een geval “waarin dit reglement niet voorziet”, waarin de commissie op basis van artikel 37 van dat reglement heeft te beslissen “met inachtneming van eisen van redelijkheid en billijkheid”.
De commissie heeft uit te gaan van het vigerende reglement en dus van het bepaalde in artikel 34.
Gesteld noch gebleken is dat de VOF en de vennoot sub 1 en vennoot sub 2 failliet zijn verklaard, zodat er geen reden is om de behandeling geheel of gedeeltelijk te staken.
Verder geldt dat vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn/blijven voor schulden van de VOF, ook als de VOF niet langer bestaat.
De klacht van de consument tegen de voormalige vennootschap en haar toenmalige vennoten kan dan ook inhoudelijk door deze commissie worden beoordeeld.
Dit betekent dat in na te melden zin moet worden beslist.
Beslissing
De arbiters, als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden, beslissen als volgt:
– Stellen vast dat het geschil van de consument tegen de voormalige vennootschap en haar toenmalige vennoten inhoudelijk door deze commissie kan worden beoordeeld, en dat er geen reden is de behandeling te staken,
– Bepalen dat een inhoudelijke behandeling van het geschil van partijen dient plaats te vinden ten overstaan van arbiters, en wel op zo kort mogelijke termijn,
– Dragen het secretariaat van de commissie op in samenspraak met partijen een datum en tijdstip te bepalen voor het houden van die mondelinge behandeling, met een uitdrukkelijke voorkeur voor een behandeling in de maanden januari of februari 2025,
– Houdt daartoe elke nadere beslissing aan.
Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op 15 november 2024 en door de arbiters van de Geschillencommissie Verbouwingen en Nieuwbouw ondertekend. De heer mr. M.L.J. Koopmans, de heer C. de Vries & mevrouw mr. C. Muller