Commissie niet bevoegd te oordelen over uitkeringsbeleid van het Calamiteitenfonds.

  • Home >>
  • Reizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Reizen    Categorie: Procedure    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: REI05-0696-2

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 17 september 2004 via een boekingskantoor met de reisorganisator totstandgekomen overeenkomst. De reisorganisator heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een vliegreis voor twee personen naar Phuket in Thailand met verblijf in een hotel op basis van logies met ontbijt, voor de periode van 25 december 2004 tot en met 15 januari 2005 voor de som van € 2.200,–.

Klager heeft in januari 2005 de klacht voorgelegd aan de reisorganisator.

Standpunt van klager

Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak als volgt en is uitgebreid beschreven in aan partijen bekende brieven aan de reisorganisatie.

Toen wij op 26 december ’s ochtends in Bangkok aankwamen bleek het aanvankelijk niet mogelijk te zijn door te reizen naar Phuket in verband met de Tsunami. Uiteindelijk zijn we in de loop van de avond wel daarnaar toe gevlogen. Ons hotel in Patang was volledig verwoest en die streek was tot rampgebied verklaard en we kregen het advies terug te keren naar Bangkok. Om circa 00.30 uur waren we weer terug in Bangkok en hebben we een hotel gezocht waar we om circa 2 uur waren. Op dat moment was er geen telefoonverkeer mogelijk met Phuket. Na twee dagen kregen we een hostess van de reisorganisator in Bangkok te pakken en die adviseerde ons terug te gaan naar Nederland. Omdat we dat weigerden stemde ze er op de vierde dag mee in om ons te helpen zoeken naar een accommodatie. Via een vriend lukte het ons een vervangende accommodatie te vinden. Dit hotel was minder dan geboekt, maar alles was overvol en het hotel was verder goed. We verzamelden rekeningen en onze bagage bleef zoek, zodat we nieuwe kleren hebben gekocht. Naar alle waarschijnlijkheid vergoedt de verzekering slechts een derde van de waarde en dat betekent een schade van circa € 4.000,–.  We willen een bedrag van € 2.203,40 in verband met de niet-genoten accommodatie terug ontvangen, maar Arke wil slechts € 1.764,– vergoeden.

Klager verlangt een vergoeding van € 2.203,40.

Standpunt van de reisorganisator

Het standpunt van de reisorganisator luidt in hoofdzaak als volgt en is uitgebreider beschreven in de aan partijen bekende brieven aan klager.

Klager boekte zelf een reis naar Thailand en de reisorganisator heeft slechts voor de hotelreservering zorg gedragen. Ter plaatse werd klager geconfronteerd met de gevolgen van de tsunami. Het moge duidelijk zijn dat er sprake is van een overmachtsituatie als bedoeld in artikel 12 ANVR Voorwaarden en dat iedere partij de eigen schade moet dragen. Uit het rapport van de hostess ter plaatse blijkt dat klager Thailand goed kent, zelf veel had geregeld en zou regelen en zelf op zoek is gegaan naar een vervangende accommodatie. Volgens haar rapport stond klager er op zelf een vervangende accommodatie te zoeken. In een fax van 27 december 2004 heeft de hostess bevestigd hoe bij het Calamiteitenfonds moest worden gedeclareerd. Aldus hebben we aan onze plicht tot het verlenen van hulp en bijstand voldaan (volgens artikel 13 ANVR Voorwaarden). Het Calamiteitenfonds wil slechts € 1.764,– vergoeden en niet de kosten die betrekking hebben op o.a. minibar, kiosk en telefax. Naar ons oordeel zijn wij niet verantwoordelijk voor de procedure die het Calamiteitenfonds bij de vaststelling van een vergoeding hanteert.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Met klager is de commissie het eens dat er na de tsunami sprake was een calamiteit en de commissie kan zich maar nauwelijks voorstellen welke indrukken klager alstoen aldaar heeft opgedaan.
Vaststaat dat het door klager geboekte hotel was verwoest en dat klager vervangend onderdak nodig had.
Weliswaar adviseerde de hostess ter plaatse klager om terug te keren naar Nederland, maar het stond klager vrij om al dan niet aldaar te blijven. In het geval klager wenste te blijven, diende de hostess haar medewerking te verlenen aan het vinden van een vervangende accommodatie. Gelukkig slaagde klager er zelf in om een dergelijke vervangende accommodatie te vinden.

Aldus was er naar het oordeel van de commissie sprake van een overmachtsituatie, zijnde een abnormale en onvoorzienbare gebeurtenis waarvoor de reisorganisatie niet aansprakelijk is. Wel heeft de reisorganisatie aan klager onder de gegeven, moeilijke, omstandigheden voldoende hulp en bijstand verleend. Klager kan de reisorganisatie derhalve niet verwijten dat deze zich de belangen van klager onvoldoende heeft aangetrokken.
De commissie zal de klacht gedeeltelijk ongegrond verklaren, namelijk voorzover die inhoudt dat de reisorganisator onvoldoende hulp en bijstand zou hebben verleend.

Nu er sprake was van een calamiteit waarvoor het Calamiteitenfonds dekking gaf – de inmiddels gedane uitkering van het Calamiteitenfonds onderstreept dat – en klager extra uitgaven moest doen in verband met de vervangende accommodatie rijst de vraag of klager het oorspronkelijk betaalde bedrag van € 2.200,– voor de (verwoeste) accommodatie moest ontvangen dan wel een bedrag van € 1.764,– dat klager kennelijk heeft uitgegeven voor de vervangende accommodatie.

Het mag zo zijn dat klagers aanvraag door het boekingskantoor naar de reisorganisator is gezonden en dat de reisorganisator vervolgens zich ermee heeft belast die aanvraag in te dienen bij het Calamiteitenfonds, maar dat betekent niet dat deze commissie bevoegd is te oordelen omtrent de hoogte van de uitkering gedaan door het Calamiteitenfonds. Voor een dergelijke bevoegdheid is geen grondslag te vinden in het Commissiereglement. Hoogstens zou de commissie kunnen oordelen omtrent klachten waarbij wordt gesteld dat de reisorganisator zich niet goed heeft belast met de afwikkeling van een aanvraag bij het Calamiteitenfonds door de aanvraag niet of met grote vertraging door te zenden, omdat in dat geval de verplichting tot het verlenen van hulp en bijstand als bedoeld in artikel 13 ANVR Voorwaarden in het geding zou zijn. Daarvan is hier echter geen sprake.
Naar het oordeel van de commissie past het niet om op de stoel te gaan zitten van het Calamiteitenfonds c.q. om het uitkeringsbeleid van het Calamiteitenfonds te beoordelen. Het enige dat de commissie klager kan adviseren is zich nogmaals tot het boekingskantoor te wenden, het Calamiteitenfonds te vragen om een gemotiveerde beslissing (want die is kennelijk niet voorhanden) en zo nodig een beroep te doen op de hardheidsclausule.

Op grond van het voorgaande acht de commissie zich onbevoegd het geschil ter zake van de hoogte van de uitkering van het Calamiteitenfonds te behandelen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht gedeeltelijk ongegrond, namelijk zover die inhoudt dat de reisorganisator onvoldoende hulp en bijstand zou hebben verleend.

De commissie verklaart zich voorts onbevoegd het geschil ter zake van de hoogte van de uitkering van het Calamiteitenfonds te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen op 12 augustus 2005.