Commissie: Energie
Categorie: Depotbeslissing
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: deels ontvankelijk/deels niet-ontvankelijk
Referentiecode:
995589/1281799
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument heeft een klacht ingediend over een eindafrekening van € 4.085,18 voor energieverbruik en cv-ketelhuur, maar zegt dit bedrag niet te kunnen storten als depot vanwege financiële omstandigheden na een verhuizing. De ondernemer wil dat het volledige bedrag wordt gestort als zekerheid voordat de commissie de zaak inhoudelijk behandelt. Volgens het reglement is depotstorting verplicht, tenzij de consument duidelijk aantoont dat hij niet kan betalen. Omdat de consument geen bewijsstukken heeft meegestuurd, kan de commissie zijn financiële onvermogen niet vaststellen. Wel blijkt dat € 2.264,44 van het bedrag mogelijk ten onrechte is gerekend voor cv-ketelhuur, waarover de ondernemer geen uitleg heeft gegeven. Daarom verlaagt de commissie het depotbedrag tot € 1.820,74, dat binnen vier weken moet worden betaald voordat het geschil verder wordt behandeld.
De volledige uitspraak
Samenvatting
Het geschil betreft het op de eindafrekening van 28 september 2024 in rekening gebrachte verbruik van energie met een te betalen bedrag van € 4.085,18 alsmede de door de consument betaalde huur voor een cv.-ketel.
De consument heeft op 27 augustus 2024 de klacht bij de ondernemer ingediend.
Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
De consument is op dit moment financieel niet in staat om het verzochte depot te stellen. De reden hiervoor is dat de consument recent is verhuisd en daardoor veel kosten heeft gemaakt. Het potje is helaas even leeg. Een zekerheidsstelling is overbodig omdat de consument een koopwoning bezit.
Het inkomen van zijn echtgenote bedraagt € 2.543,04, dat van de consument zelf bedraagt € 2.164,30.
De maandelijkse hypotheeklast bedraagt € 1.343,98. Er is geen vermogen in Box 3.
Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt. Een depotbedrag van het openstaande bedrag van € 4.085,18 is voor de ondernemer wel een vereiste voor het in behandeling nemen van het geschil door de commissie. Depotstorting is voor de ondernemer de garantie, dat indien hij (deels) in het gelijk wordt gesteld, hij wordt betaald voor de geleverde diensten.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie, voor zover de consument de betaling van een goed of dienst waarover het geschil gaat, achterwege heeft gelaten, in de regel zal verlangen dat de consument een bedrag ten hoogste gelijk aan het nog openstaande bedrag bij haar deponeert.
Kern van de geschillenregeling is dat de ondernemer moet gedogen dat een geschil door de commissie wordt behandeld, als de consument dit wenst. Hiertegenover staat dat de ondernemer verzekerd moet zijn van de betaling van datgene dat volgens de commissie verschuldigd is. Die zekerheid wordt verkregen door de in het reglement van de commissie voorgeschreven depotstorting. De consument lijdt hierdoor geen nadeel, omdat zij het depotbedrag terugkrijgt indien en voor zover de vordering van de ondernemer wordt afgewezen. Op die gronden is de consument in beginsel verplicht tot depotstorting. Van die verplichting kan geen ontheffing worden verleend enkel op de grond dat de depotstorting de consument slecht uitkomt of op grond van een inhoudelijke beoordeling van de vordering van de ondernemer door de commissie. Het past de commissie niet zich al een oordeel te vormen over het geschil voordat partijen hun standpunt hebben kunnen toelichten. De depotstorting staat naar zijn aard in beginsel los van een inhoudelijk oordeel over de vordering van de commissie en dient uitsluitend als zekerheid voor de betaling van de vordering van de ondernemer.
Slechts in het geval door de consument voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij niet over de financiële middelen beschikt om de verlangde depotstorting te doen, kan er naar redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaan gehele of gedeeltelijke ontheffing te verlenen.
De consument heeft weliswaar verzocht om geen depotstorting te hoeven doen en heeft dit verzoek met een opgave, zonder onderliggende stukken, van zijn inkomens- en vermogensgegevens van hemzelf en van zijn echtgenote, gedaan. Bij gebreke van onderliggende stukken kan de commissie echter niet vaststellen of inderdaad sprake is van financieel onvermogen. Wel blijkt uit de stukken dat de consument stelt dat door de ondernemer aan hem ten onrechte een bedrag van € 2.264,44 in rekening is gebracht voor de huur van een cv-ketel. Nu de ondernemer daarop bij zijn verzoek tot
depotstorting met geen woord heeft gerept en evenmin een specificatie van het openstaande bedrag is overgelegd, ziet de commissie aanleiding om het (verlangde) bedrag van de depotstorting van € 4.085,18 te verminderen met het bedrag van € 2.264,44. Het depotbedrag wordt aldus vastgesteld op € 1.820,74.
Derhalve wordt beslist als volgt.
Beslissing
De commissie bepaalt dat de consument gehouden is een bedrag van € 1.820,74 in depot bij de commissie te storten alvorens het geschil door de commissie inhoudelijk kan worden behandeld.
De betaling dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van deze beslissing.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer R.A. Timmer, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 26 augustus 2025.