Commissie: Energie
Categorie: Aansprakelijkheid
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1118055/1180851
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument kreeg een factuur van € 5.643,82 voor stroom die niet was gemeten door een fout in de meterkast. Bij inspectie bleek dat twee stroomfasen niet op de meter waren aangesloten en dat zegels waren verbroken. De consument ontkende dat hij iets had aangepast. De commissie oordeelt dat de consument verantwoordelijk is voor de situatie, ook al is niet bewezen dat hij het zelf heeft gedaan. De ondernemer mocht daarom schadevergoeding vragen. Maar omdat de factuur niet goed was onderbouwd, halveert de commissie het bedrag. De consument moet € 2.821,91 betalen. De klacht is deels gegrond en het klachtengeld van € 52,50 wordt aan de consument terugbetaald.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de factuur van 26 februari 2025 waarbij de ondernemer aanspraak maakt op een door de consument te betalen schadevergoeding ten bedrage van € 5.643,82.
De consument heeft de klacht op 11 maart 2025 bij de ondernemer ingediend.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument is eigenaar van de woning aan het adres straatnaam, plaatsnaam en heeft de woning op 15 oktober 2020 betrokken. Op 9 oktober 2024 heeft de ondernemer een onderzoek naar de meterkast in de woning ingesteld. In eerste instantie liet de ondernemer weten dat dit op verzoek van de politie was gebeurd. Later bleek dat niet juist te zijn. Er was geen sprake van een verzoek van de politie. Tijdens deze inspectie werd vastgesteld dat de elektrische meetinrichting niet correct functioneerde, omdat slechts 1 van de 3 fases was aangesloten op de meter. Hierna heeft de ondernemer aanspraak gemaakt op een schadevergoeding ten bedrage van € 5.643,82.
De consument maakt daartegen bezwaar.
De consument heeft geen enkele wijziging aangebracht in de vanaf de aankoop bestaande situatie in de meterkast. De ondernemer heeft geen toelichting gegeven over de technische staat van de meter en over de wijze waarop de meetinrichting was gemanipuleerd. Evenmin is onderbouwd dat de aanpassingen tijdens de contractperiode van de consument zijn verricht en wanneer dat zou zijn gebeurd. De ondernemer heeft erkend dat niet is vastgesteld dat de consument de situatie heeft veroorzaakt. Op grond van artikel 4.7 van de Algemene Voorwaarden moet sprake zijn van een toerekenbare overtreding. Daarvan is geen sprake. De meetinrichting is eigendom van de ondernemer. Structurele meetfouten vallen onder hun beheer. De ondernemer heeft vanaf 2020 geen (digitale) controle uitgevoerd. De ondernemer heeft de verzegeling, tag, bij de inspectie verwijderd en meegenomen. De tag bevat informatie over wanneer en wie erin de meterkast is geweest. Bij de aankoop van de woning is een bouwkundig rapport opgesteld. De daarbij behorende foto’s van de meterkast zijn aan de ondernemer toegezonden. De schadeberekening is onduidelijk en disproportioneel. De schade is niet transparant onderbouwd en de schatting wijkt strek af van het daadwerkelijke verbruik, de tarieven zijn hoger en ook zijn kosten voor interne werkzaamheden meegenomen. Ook is niet duidelijk welke verbruiksperiode is gehanteerd. Het verbruik van de consument was laag tot 2023. Toen is een warmtepomp aangeschaft en sinds mei 2024 rijdt de consument in een elektrische auto, die hij thuis oplaadt.
De consument verlangt dat zijn aansprakelijkheid wordt afgewezen en dat, als deze wel wordt aangenomen, een redelijke schadevergoeding in rekening wordt gebracht. Ook verlangt hij een duidelijke onderbouwing van de vordering.
Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De consument is met de ondernemer ermee akkoord dat de commissie zijn klacht inhoudelijk beoordeeld, ook al is het belang groter dan de competentiegrens van de commissie, zodat de consument ontvankelijk is in zijn klacht en de commissie bevoegd is bindend te adviseren.
Een aan de consument toe te rekenen ontoelaatbare handeling is niet komen vast te staan. Volgens artikel 17.7 van de AV bedraagt de door de consument te betalen schadevergoeding ten hoogste € 3.500,–. Het jaarverbruik van de consument bedraagt ongeveer 6600 kWh. In de periode vanaf 5 november 2024 tot 24 februari 2025 is op de nieuwe meter een verbruik geregistreerd van 3557 kWh. Het verbruik is vanaf mei 2024 omhoog gegaan door het laden van elektrische auto. De consument is niet bereid om 80% van de vordering van de ondernemer te voldoen.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Het geschil betreft een factuur van de ondernemer wegens de geleden schade als gevolg van onbemeten dan wel te weinig bemeten verbruikte elektriciteit.
De ondernemer ontving een anonieme melding van energiediefstal op het adres van de consument en heeft op 9 oktober 2024 aldaar een inspectie uitgevoerd. Daarbij is gebleken dat 2 zekeringen waren bijgeplaatst op 2 andere fases dan waar de enige zekering zat die de consument volgens zijn contract zou hebben. Deze 2 fases waren onbemeten omdat sprake was van een meter met 1 fase. Bij de inspectie is de meter afgenomen en een nieuwe meter geplaatst. Het verbruik op de nieuwe meter kon als betrouwbaar worden aangemerkt en als uitgangspunt dienen voor de herberekening. De periode van herberekening is daarbij beperkt tot de periode vanaf 18 september 2023 tot 9 oktober 2024, zoals blijkt uit de overgelegde schadeberekening. Dit om discussie met de consument over een verminderd energieverbruik te voorkomen. De herberekening liet zien dat er meer elektriciteit moet zijn verbruikt dan via de meerstanden was afgerekend.
Uit de door de ondernemer overgelegde foto’s blijkt van de aangetroffen situatie. Van belang is dat de illegaal aangetroffen situatie niet zag op de groepenkast, maar op een verandering van de hoofdaansluitkast. Die valt bij een bouwkundige inspectie buiten het onderzoek.
De ondernemer heeft kunnen vaststellen dat het elektriciteitsverbruik van de consument over de periode van 1 februari 2022 tot 1 april 2023 een jaarverbruik opleverde van 1170 kWh. Dit, terwijl het NIBUD voor een eenpersoons huishouden een verbruik berekent van 1810 kWh. Ook de consument gaf in de stukken aan dat zijn verbruik laag was. Bij de vorige bewoner was in de periode 1 januari 2019 – 1 januari 2020 sprake van een verbruik van 1727 kWh. Volgens de ondernemer is het dan ook niet aannemelijk dat de situatie al bestond op het moment dat de consument de woning betrok. De situatie is anders dan de consument stelt wel aan hem toe te rekenen. Er is sprake van een schending van de verplichtingen die zijn opgenomen in de artikelen 4.2, 4.6 en 4.7 van de Algemene Voorwaarden, (AV). Met name is sprake van een schending van artikel 4.2 sub a dan wel van artikel 4.6 sub a, b of c. Het afnemen van onbemeten energie was immers slechts mogelijk door het verbreken van de zegels van de hoofdaansluitkast. Het stond de ondernemer ingevolge het bepaald e in artikel 4.7 een berekening van de schade te maken. Het is niet nodig dat de ondernemer ook daadwerkelijk bewijst dat de handelingen zelf heeft verricht. Uit de rechtspraak blijkt dat de zorgplicht voor een legaal gebruik van de elektrische installatie ver gaat.
De ondernemer heeft de schadeperiode beperkt tot iets meer dan 1 jaar, 18 september 2023 – 9 oktober 2024, zodat de consument niet in enig belang is geschaad doordat er niet eerder een meteropnemer is langs geweest. Nog daargelaten dat een meteropnemer doorgaans slechts de standen noteert.
De tarieven op de berekening zijn geaccordeerd door de ACM. Er is per kwartaal berekend wat de netverliezen zijn. Ook is het meerdere aan capaciteitstarief in rekening gebracht omdat door het bijplaatsen van de zekeringen een hoger vermogen kon worden afgenomen en een hoger capaciteitstarief zou zijn verschuldigd. Het stond de ondernemer vrij te dreigen met afsluiting als de schadefactuur niet zou worden betaald. Inmiddels is een betalingsregeling getroffen.
Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende naar voren gebracht.
De ondernemer is met de consument ermee akkoord dat de commissie de klacht inhoudelijk beoordeeld, ook al is het belang groter dan de competentiegrens van de commissie, zodat de consument ontvankelijk is in zijn klacht en de commissie bevoegd is bindend te adviseren.
De zorgplicht van de consument als contractant gaat ver. Alleen al omdat het de ondernemer niet is toegestaan de woning van de consument zomaar binnen te gaan. De tarieven die de ondernemer hanteert liggen hoger dan de tarieven die leveranciers hanteren. Dit heeft te maken met het feit dat de energie ruim van tevoren op de beurs moet worden ingekocht. De ACM is akkoord gegaan met de tarieven.
Het bepaalde in artikel 17 AV is niet toepasselijk omdat die bepaling uitsluitend ziet op de schade die de netbeheerder in voorkomende gevallen moet vergoeden. De artikelen 4 en 11 AV voorzien in volledige vergoeding van de schade van de netbeheerder.
Er is een verbruik van 12401 kWh in rekening gebracht. Het is juist dat de onderliggende berekening niet is overgelegd. Dit kan alsnog gebeuren. Op dit moment kan de ondernemer geen opgave van het SJV overleggen. Na ruggespraak met de teamleider is de ondernemer wel bereid enige korting op de factuur te verlenen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In deze zaak klaagt de consument over de hoogte van de factuur die de ondernemer aan hem stuurde wegens de bij een op 9 oktober 2024 aangetroffen situatie van de elektrische meetinrichting waarbij 2 fases niet op de meetinrichting waren aangesloten en de zegels van de hoofdaansluitkast bleken te zijn verbroken.
De consument stelt dat hij de meetinrichting niet heeft gewijzigd vanaf het moment waarop hij in 2020 als eigenaar de woning heeft betrokken en is voorts van mening dat het in rekening gebrachte bedrag buitenproportioneel is en niet inzichtelijk is onderbouwd.
De ondernemer voert verweer.
De commissie stelt voorop dat nu partijen ter zitting zijn overeengekomen het geschil aan de commissie voor te leggen in weerwil van het feit dat het belang groter is dan € 5.000,– sprake is van een overeenkomst als bepaald in artikel 5 lid 1 onder d van haar reglement, zodat de consument in zijn klacht kan worden ontvangen en de commissie de klacht inhoudelijk kan beoordelen.
Met de ondernemer is de commissie van oordeel dat de zorgplicht van de consument ver gaat en dat het niet noodzakelijk is dat de ondernemer bewijst dat de geconstateerde situatie daadwerkelijk door de consument in het leven is geroepen.
De consument heeft niet weersproken dat op 9 oktober 2024 bij een inspectie gebleken is dat 2 fasen van de elektrische installatie niet op de meter waren aangesloten en dat dit alleen maar kon zijn gebeurd doordat de zekeringen van de kast waarin zich de hoofdaansluiting bevindt, zijn verbroken. Aldus is komen vast te staan dat sprake is van een schending van de zorgplicht van de consument, zoals deze in de AV is omschreven.
De consument is dan ook gehouden de daardoor ontstane schade, bestaande uit netverliezen en andere in dit kader door de ondernemer te maken kosten, te herstellen. De omstandigheid dat de bij de berekening gehanteerde tarieven hoger zijn dan de tarieven die leveranciers hanteren laat zich verklaren door de omstandigheid dat de ondernemer als netbeheerder een geheel andere marktpositie inneemt. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat deze tarieven niet door de ACM zijn geaccordeerd.
Dit neemt echter niet weg dat de consument het in rekening gebrachte bedrag ook daadwerkelijk volledig is verschuldigd.
De factuur is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk, transparant of begrijpelijk, met name voor wat betreft het aan de consument in rekening gebrachte verbruik in de betrekkelijk korte periode van iets meer dan 1 jaar waarop deze betrekking heeft. Naar de commissie begrijpt is een volume van maar liefst 12401 kWh in rekening is gebracht, maar dit volume is op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld door een berekening van het SJV, (standaard jaarverbruik), over te leggen. Te meer nu de ondernemer stelt slechts het niet op de meter geregistreerde verbruik in rekening te hebben gebracht, mocht van de ondernemer een voldoende onderbouwing daarvan worden verwacht.
Ook is onduidelijk waarom een hoger capaciteitstarief dan normaal is verschuldigd nu dat niet is onderbouwd aan de hand van een tarievenlijst en aldus niet is gebleken dat een 1 x 25 AH aansluiting goedkoper is dan een 3 x 25 Ah aansluiting. Mogelijk kan wel het meerverbruik tot hogere transportkosten leiden, maar iedere onderbouwing daarvan ontbreekt.
Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat de ondernemer in redelijkheid geen aanspraak op volledige betaling van de litigieuze factuur kan maken. Naar billijkheid begroot de commissie het door de consument te betalen bedrag op 50% van de factuur van € 5.643,82 oftewel € 2.821,91.
Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument deels gegrond.
Derhalve wordt beslist als volgt.
Beslissing
De commissie bepaalt dat de consument uit hoofde van de factuur van 26 februari 2025 aan de ondernemer een bedrag van € 2.821,91 is verschuldigd.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden en voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard en de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 23 september 2025.