Consument heeft niet de juiste juridische weg gevolgd door de overeenkomst te ontbinden zonder dat ondernemer in verzuim was. De ondernemer kan gewoon leveren en daarom is consument ten onrechte overgegaan tot ontbinding van de overeenkomst zonder eerst in gebreke te stellen.

  • Home >>
  • Bruidsmode en Maatwerk >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Bruidsmode en Maatwerk    Categorie: Ontbinden    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 107392

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een d.d. 9 april 2016 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, waarbij de ondernemer zich heeft verplicht tot het leveren van een bruidsjapon (hierna te noemen: het artikel) tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 2.000,–.

De consument heeft op 22 juni 2016 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Na herhaalde malen informeren en waarschuwen om de bruidsjapon te leveren, is op 15 juni 2016 de knoop doorgehakt en is de overeenkomst eenzijdig ontbonden onder terugvordering van het reeds betaalde bedrag. Vervolgens heeft de consument op 20 juni 2016 nog aangeboden om 50% van de japon te betalen en verder afstand te doen van de japon.

Voor een volledig en gedetailleerd overzicht van de klachten van de consument wordt verwezen naar schrijven, dat als bijlage van het klachtenformulier is gestuurd naar de commissie.

De consument verlangt teruggave van de aankoopprijs, zijnde € 2.000,–.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Voor alles is een beroep gedaan op het feit dat de klacht niet ontvankelijk zou zijn wegens overschrijding van de termijn van drie maanden.

Voorts is aangegeven, dat geen leverdatum is overeengekomen, maar dat als huwelijksdatum 1 september 2016 is opgegeven.

Er kon geleverd worden op 21 juni 2016, hetgeen ruim voor de geplande huwelijksdatum was. Het feit dat de consument reeds op 15 juni 2016 van de aankoop heeft afgezien door eenzijdig de overeenkomst te verbreken was dan ook veel te prematuur en bovendien niet volgens de wettelijke regels van het overeenkomstenrecht.

De vordering om het volledige bedrag te betalen door de consument blijft dan ook gehandhaafd.

Voor een volledig en gedetailleerd overzicht van het ingenomen standpunt van de ondernemer wordt verwezen naar diens schrijven van 19 januari 2017 aan de commissie.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Vooreerst wil de commissie opmerken dat blijkens artikel 6, onder b, van het reglement van de commissie de klacht van een consument niet ontvankelijk wordt verklaard, indien de klacht niet binnen 12 maanden nadat het geschil is ontstaan bij de commissie is aangemeld. In het onderhavige geval is de klacht ruim binnen de hiervoor aangegeven termijn aanhangig gemaakt bij de commissie, zodat de consument in haar klacht kan worden ontvangen.

Het feit, dat artikel 15, lid 3 van de Voorwaarden voor Bruidsmode en Maatwerk een voor de consument ongunstiger termijn kent van 3 maanden, leidt voor de commissie niet tot een ander oordeel. Immers op grond van artikel 6, lid 3, van haar reglement laat de commissie de termijn van 3 maanden buiten beschouwing en prevaleert de termijn van 12 maanden.

Met betrekking tot de inhoud van de klacht heeft de commissie nog het volgende overwogen.

Blijkens de zich in het dossier bevindende aankoopnota d.d. 9 april 2016 is geen vaste leverdatum afgesproken tussen partijen. Wel is daarop als huwelijksdatum 1 september 2016 vermeld.

Op grond van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van hier van toepassing zijnde Voorwaarden voor Bruidsmode en Maatwerk moet de levering plaatsvinden een week voor de gelegenheidsdatum, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.

In het onderhavige geschil wil de commissie ervan uitgaan dat door partijen niet is overeengekomen dat een week voor de bruiloft zou worden geleverd, maar dat de bedoeling van partijen is geweest dat de leverdatum in ieder geval ruimschoots voor de bruiloft, die gepland was op 12 augustus 2016 en niet op 1 september 2016, zou plaatsvinden. Blijkbaar heeft de consument vrees gehad dat de bruidsjapon niet tijdig zou worden geleverd en heeft vanaf begin juni 2016 aan de ondernemer aangegeven om het artikel met spoed te leveren.
Vervolgens heeft de consument op 15 juni 2016 eenzijdig de overeenkomst opgezegd met als argument dat het vertrouwen in een levering voor haar volledig verdwenen was. Zij heeft dat op 15 juni 2016 mondeling gedaan bij een medewerkster van de ondernemer en op 16 juni 2016 per mail aan deze bevestigd.
Nog daargelaten het feit dat het eenzijdig verbreken van de overeenkomst meer dan twee maanden voor de geplande huwelijksdatum de commissie sowieso te prematuur voorkomt, heeft de consument in deze niet de juiste juridische weg gevolgd. Immers bij vrees voor niet tijdige levering had de consument de ondernemer schriftelijk moeten sommeren om alsnog binnen een redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Dit heeft de consument nagelaten, zodat de ontbinding heeft plaatsgevonden, voordat vast stond dat de ondernemer in verzuim was. Bovendien heeft de ondernemer op 21 juni 2016 aan de consument gemeld dat de levering inmiddels had plaatsgevonden en de bruidsjapon haar ter beschikking stond. De commissie acht dit ruimschoots binnen een redelijke termijn voordat de huwelijksdatum zou plaatsvinden.
Het is de consument dan ook te verwijten dat zij na kennisneming van de mail van 21 juni 2016 geen contact met de ondernemer heeft opgenomen om met deze tot nadere afspraken te komen. In dit verband voegt de commissie nog toe dat zij evenmin het ingenomen standpunt van de consument kan onderschrijven dat een ingebrekestelling, in dit geval niet nodig was nu weliswaar voor haar vaststond dat er niet geleverd kon worden, maar dat in objectieve zin levering nog mogelijk en zelfs aanstaande was, zo de feiten hebben uitgewezen.

Onder de thans voor de commissie gebleken feiten en omstandigheden kan de commissie tot geen andere conclusie komen dan dat de consument ten onrechte ertoe is overgegaan om de overeenkomst te verbreken. Dit temeer, omdat weliswaar door de consument is gesteld, dat een eerdere leveringsdatum dan 15 juni 2016 is overeengekomen, maar hiervan geen enkel bewijs is overgelegd en voorts een mondelinge toezegging in die richting door de ondernemer met klem wordt ontkend.

De commissie is derhalve van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Bruidsmode en Maatwerk op 22 februari 2017.