Consument heeft volgens voorwaarden recht op laatste zes maanden van opzegtermijn gratis gebruik standplaats

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Herstructurering    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 44551/54302

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt over de vergoeding van de ondernemer na opzegging door herstructurering. Volgens de Recron-voorwaarden kan de consument bij opzegging vanwege herstructurering de laatste zes maanden van de opzegtermijn gratis gebruik maken van de plaats. Partijen komen er niet uit welk bedrag de consument op grond van die regeling terugkrijgt. Volgens de consument gaat het om 50% van de kale huurprijs en volgens de ondernemer moet dat bedrag weer worden gehalveerd, omdat de consument wel voor de voorzieningen moet betalen. De commissie oordeelt dat de ondernemer onterecht onderscheid maakt tussen de kale huur en de voorzieningen die daar nog vanaf moeten worden getrokken. De consument heeft recht op 50% van de kale huurprijs. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil gaat over de vergoeding na opzegging door de ondernemer in verband met herstructurering.

Feiten
Tussen partijen staan de volgende feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken vast:

a. Bij brief van 14 maart 2019 heeft de ondernemer de overeenkomst met de consument opgezegd in verband met een herstructurering die zal starten op 1 november 2020. “De overeenkomst die wij met u zijn aangegaan komt te vervallen op 1 november 2020. Het spreekt voor zich dat u de mogelijkheid krijgt om tot deze datum gebruik te maken van uw standplaats.”, aldus de ondernemer.

b. Op 2 oktober 2019 zijn partijen een overeenkomst aangegaan, die -voor zover thans van belang- als volgt luidt:

“Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur, van 01 januari 2020 tot 01 januari 2021.
De kosten bedragen — € 3684,00
Toeristenbelasting cha0ets — € 239,20
De kosten van elektriciteit, water en gas, worden in oktober in rekening gebracht
_________

Totaal inclusief — € 3923,20

Alle niet expliciet genoemde kosten worden geacht te zijn inbegrepen.”

c. Op 13 augustus 2020 heeft de ondernemer het volgende mailtje aan de consument gezonden:
“Geachte fam. [naam consument], Vanmiddag heeft de opkoper naar jullie caravan gekeken. Hij geeft € 1.200,- voor de caravan. Hoewel het niet kostendekkend is, zal ik de caravan transport klaar zetten en de plaats opruimen voor € 500,-. Ik zal zoals ik andere jaren ook heb gedaan 10% korting geven op de jaarhuur excl. TB. Dit is een bedrag van 368,40 wat jullie retour ontvangen. Per saldo ontvangen jullie € 1068,40. Jullie kunnen dan laten staan wat of jullie niet willen en meenemen wat of jullie wel willen. Wel moet de caravan origineel blijven met kussens, gordijnen, matrassen, tafels e.d.”

d. Op 14 augustus 2020 heeft de consument als volgt gereageerd:
“Hoi [naam medewerker ondernemer], Bedankt voor je mail. Zoals ik al had aangegeven hebben wij onze caravan zelf al verkocht. Graag daarom een aangepaste berekening. Die 10% korting waar is die precies voor?
Ik mis in je berekening nog wel Artikel 12 van de RECRON voorwaarden. Kan je die nog meenemen?”

e. De ondernemer heeft hierop bij e-mail het volgende geantwoord: “Goedemorgen [naam consument],
De 10 % is een korting omdat ik het gehele jaar heb berekend en het contract per 1 november is opgezegd. Dit is omdat de laatste 2 maanden niet gebruikt kunnen worden. De in Art 12 genoemde kosten bereken ik niet en heb ik ook nooit vergoed. De renovatie is verplicht in gang gezet door de gemeente en heb voor jullie caravan altijd en coulante regeling getroffen. Ook bij omzetten van de plaats en omzetten van reservering van uw moeder. Daarnaast berekenen we nu ook zeer coulante afvoerkosten die niet kostendekkend zijn.”

Standpunt van de consument
Volgens de Recron-voorwaarden is bij opzegging vanwege herstructurering geen staangeld verschuldigd over de laatste 6 maanden. Omdat het contract van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 liep en er is opgezegd per 1 november 2020 wil de consument daarnaast over de laatste 2 maanden restitutie omdat de oplevering eerder plaatsvindt dan de einddatum van het contract. Onder aftrek van het afgesproken bedrag van € 500,– voor het leegruimen van zijn plaats, maakt de consument aanspraak op een bedrag van € 1.956,– (€ 2.456,– minus € 500,–).

Standpunt van de ondernemer
De ondernemer heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat hij nog recht heeft op een bedrag van € 237,–. Hij heeft aangevoerd dat het bedrag van € 500,– aan opruimkosten onderdeel was van een totale afspraak, waar een teruggaaf van het jaargeld niet bij hoorde. Het kan volgens de ondernemer niet zo zijn dat er aan 1 kant coulant gerekend wordt en dat aan de andere kant het maximale er uit gehaald wil worden. De ondernemer had al eerder aangegeven dat het bedrag van € 500,– niet toereikend was. De daadwerkelijke opruimkosten hebben € 1.403,60 bedragen.

Verder erkent de ondernemer dat de consument recht heeft op teruggave van de huur van de jaarplaats. Dit bedrag is volgens de ondernemer niet het volledige jaargeld. 50% van de som is huur van de grond (waar recht op is bij teruggaaf), de overige 50% is voor afvalbijdrage, internet-aansluiting, aanbieden voorzieningen als recreatiewerk, supermarkt, horeca, speeltuinen e.d.
De volledige jaarhuur was € 3.684,–. 50 % hiervan is € 1.842,–. Wanneer er 6 van de 12 maanden worden gecompenseerd komt dit op een bedrag van € 921,– + 2 volledige maanden € 614,–. Totaal € 1.535,–.

In de optiek van de ondernemer zijn de laatste maanden van het jaar minder waard qua volledige huur, omdat het dan geen vakantieseizoen is. Vandaar dat de ondernemer 10% retour heeft betaald (€ 368,40). Daarover wil de ondernemer echter niet meer discussiëren. De ondernemer is bereid uit te gaan van het bedrag van € 614,–. Aldus komt hij tot het bedrag van € 237,– waarop hij nog recht heeft van de consument, te weten € 1.535,– (huurvergoeding) minus € 1.403,60 (opruimkosten) minus € 368,40 (al door hem betaalde vergoeding).

Beoordeling van het geschil
1. De commissie stelt allereerst vast dat partijen het er over eens zijn dat de consument recht heeft op teruggave van een bedrag van € 614,– in verband met de vroegtijdige beëindiging van het contract per 1 november 2020.

2. Partijen zijn het er echter niet over eens welk bedrag moet voortvloeien uit artikel 12 lid 7 van de Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen. Deze bepaling luidt -voor van belang- als volgt: “De laatste 6 maanden van de opzegtermijn van één jaar kan de recreant gratis gebruik maken van de plaats. Kosten omtrent het gebruik van voorzieningen, gas, water, elektra, kabel, riool etc. komen gedurende deze 6 maanden wel voor rekening van de recreant.” De consument is van mening dat hij op basis van deze bepaling recht heeft op een bedrag van € 1.842,– (zijnde 50% van de kale jaarhuur van € 3.684,–), terwijl de ondernemer uitkomt op een bedrag van € 921,– (zijnde 50% van € 1.842,–).

3. De ondernemer is tot zijn berekening gekomen omdat hij in het jaarplaatsgeld een onderscheid maakt tussen huur van de grond (50%) en huur overige componenten (50%). Alleen voor de huur van de grond erkent de ondernemer het recht op teruggave. Hierover merkt de commissie op dat artikel 12 lid 7 van de Recron-voorwaarden geen onderscheid maakt tussen huur van de grond en huur van overige componenten. De ondernemer heeft dat onderscheid zelf ook niet gemaakt in het contract met de consument. Het onderscheid is naar het oordeel van de commissie dan ook niet juist. Op grond van artikel 12 lid 7 van de Recron-voorwaarden kan de consument de laatste 6 maanden van de opzegtermijn gratis gebruik maken van zijn plaats, met dien verstande dat daadwerkelijke kosten voor het gebruik van voorzieningen op zijn plaats (gas, water, elektra, kabel, riool etc.) wel voor rekening van de recreant komen. Met het woord “voorzieningen” in artikel 12 lid 7 van de Recron-voorwaarden worden naar het oordeel van de commissie, anders dan de ondernemer lijkt aan te nemen, niet bedoeld de algemene voorzieningen van een park (recreatiewerk, supermarkt, horeca, speeltuinen e.d.) die een consument ten dienste staan, maar slechts die voorzieningen die zien op het gebruik van de betreffende plaats van de consument. De ondernemer heeft in zijn verweerschrift nagelaten de kosten voor het gebruik van die voorzieningen te onderbouwen, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Onder deze omstandigheden gaat de commissie er dan ook van uit dat de consument die kosten (bijvoorbeeld de in het contract van 2 oktober 2019 genoemde kosten van elektriciteit, water en gas) al heeft betaald dan wel dat die kosten zich voor de ondernemer niet hebben voorgedaan. Het bovenstaande brengt met zich mee dat de commissie met de consument van oordeel is dat de consument op basis van artikel 12 lid 7 van de Recron-voorwaarden in dit geval recht heeft op een bedrag van € 1.842,–.

4. Partijen zijn het ook niet eens over de opruimkosten. In zijn verweerschrift heeft de ondernemer naar voren gebracht dat het bedrag van € 500,– aan opruimkosten onderdeel was van een totale afspraak met de consument, waar een teruggaaf van het jaargeld niet bij hoorde en dat hij in het mailtje van 13 augustus 2020 ook al had aangegeven dat dit bedrag niet kostendekkend was.
De werkelijke opruimkosten waren volgens de ondernemer € 1.403,60. In zijn reactie van 20 november 2020 op het verweerschrift heeft de consument de hoogte van de opruimkosten betwist. De consument heeft aangevoerd dat de ondernemer altijd het bedrag van € 500,– heeft gerekend. Verder heeft de ondernemer volgens de consument in de kosten ook het verplaatsen van de caravan en het tuinhuisje buiten de camping meegenomen. Deze kosten mogen volgens de Recron-voorwaarden bij herstructurering echter niet worden berekend, aldus de consument.

5. Nu de ondernemer weliswaar heeft gesteld dat de opruimkosten van de plaats van de consument € 1.403,60 waren, maar hij die stelling in het geheel niet heeft onderbouwd (laat staan dat hij daarvan verifieerbare bewijsstukken (zoals facturen en betalingsbewijzen) heeft overgelegd), zal de commissie aan zijn stelling voorbij gaan en uitgaan van het bedrag van € 500,– aan opruimkosten.

6. De ondernemer heeft in zijn verweerschrift naar voren gebracht dat hij de consument in verband met de herstructurering al een bedrag van € 368,40 heeft betaald. De consument heeft dat in zijn reactie op het verweerschrift niet weersproken, zodat de commissie van de juistheid daarvan zal uitgaan.

7. De conclusie is dat de klacht gegrond is en dat consument nog recht heeft op betaling van een bedrag van € 1.587,60 (€ 614,– + € 1.842,– minus € 500,– minus € 368,40).

8. De gegrondverklaring van de klacht brengt tevens met zich mee dat de ondernemer het klachtengeld aan de consument dient te vergoeden en dat hij behandelingskosten aan de commissie verschuldigd is.

9. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing
De ondernemer dient aan de consument binnen 30 kalenderdagen na verzending van deze beslissing een bedrag te betalen van € 1.587,60.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden in verband met het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit mr. J. L. Sierkstra, voorzitter, drs. P. C. Hoogeveen-de Klerk en mr. M. de Rooij-Slager, leden, op 19 april 2021.