Consument hoeft geen verkoopprovisie aan ondernemer te betalen, Recron-voorwaarden hebben voorrang

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Kosten    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 14483/26425

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt over de verkoopprovisie die de ondernemer in rekening brengt. De consument heeft zijn chalet verkocht via twee makelaars, waarvan een van de makelaars een verkoopprovisie heeft gekregen zoals afgesproken. Echter, bij de eindafrekening kreeg de consument een factuur voor 3% verkoopprovisie van de ondernemer, terwijl zij geen verkoopovereenkomst heeft afgesloten met de ondernemer. De ondernemer geeft aan dat de 3% verkoopprovisie gebaseerd is op zijn aanvullende voorwaarden, deze voorwaarden heeft de consument ook ondertekend. De commissie oordeelt dat uit de Recron-voorwaarden blijkt dat een ondernemer recht heeft op een verkoopprovisie als daaraan een schriftelijke overeenkomst met de consument ten grondslag ligt, hiervan is in dit geval niet gebleken. Deze aanvullende voorwaarden waar de ondernemer zich op beroept, gaan niet boven de Recron-voorwaarden en dus hoeft de consument geen verkoopprovisie aan de ondernemer te betalen. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil gaat hoofdzakelijk over een door de ondernemer bij de eindafrekening aan de consument in rekening gebrachte verkoopprovisie van 3%, zijnde een bedrag van € 2.550,–.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

Wij hebben ons chalet verkocht via twee makelaars, waarvan één de verkoopprovisie heeft ontvangen, volgens afspraak. Nu krijgen wij bij de eindafrekening een factuur van de camping eigenaar voor 3% verkoopprovisie. Wij hebben met de eigenaar geen verkoopovereenkomst en ook geen afspraak dat hij de verkoop van ons chalet zou doen.
De beide makelaars hebben alles geregeld en hebben ook de bezichtigingen gedaan. De camping eigenaar heeft geen werk gehad aan de verkoop. Het enige wat hij gedaan heeft is zijn eigen werkzaamheden voor de nieuwe chalet eigenaar. Hij heeft geen recht op de verkoopprovisie.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

In het verweerschrift van 10 april 2020 heeft de ondernemer, samengevat, aangegeven dat de 3% verkoopprovisie berust op zijn aanvullende voorwaarden, zoals die gelden vanaf 1 januari 2008.
De consument heeft destijds het jaarplaatscontract ondertekend en daarmee bevestigd dat hij die aanvullende voorwaarden heeft ontvangen en gelezen. Op basis van deze aanvullende voorwaarden brengt de ondernemer standaard 3% verkoopprovisie in rekening voor alle verkopen van stacaravans en chalets op zijn terrein, ongeacht of hij actief bij de verkoop bemiddelt. De ondernemer laat het aan de klanten over of zij van bemiddeling gebruik willen maken. Het percentage aan verkoopprovisie is gebaseerd op de gemiddelde hoeveelheid werk die verkoop en koop voor hem met zich meebrengt. Ook als de ondernemer niet bemiddelt zijn er van zijn kant werkzaamheden, zoals het contact met de makelaar, gesprekken met potentiële kopers en de administratieve afhandeling.

Beoordeling van het geschil
1. Artikel 9 van de van toepassing zijnde Recron-voorwaarden voor vaste plaatsen luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

Artikel 9: Verkoop kampeermiddel
1. Verkoop van het kampeermiddel is te allen tijde toegestaan. De verkoop van het kampeermiddel met behoud van plaats is slechts toegestaan na schriftelijke toestemming van de ondernemer.
(…)
4. Het staat de recreant vrij zijn kampeermiddel zelf te verkopen dan wel de ondernemer, of – na schriftelijke toestemming van de ondernemer – een derde, hiervoor in te schakelen. Indien de recreant de ondernemer of een door de ondernemer aangewezen derde opdracht geeft op te treden als bemiddelaar bij de verkoop van het kampeermiddel kan dit uitsluitend bij schriftelijke overeenkomst.
5. Bij de opdracht als bedoeld in de tweede zin van het vierde lid, bedraagt de bemiddelingsvergoe-ding een vastgesteld overeengekomen bedrag of een bepaald percentage van de verkoopprijs. Deze bemiddelingsvergoeding dient in redelijke verhouding te staan tot de te verwachten uren en kosten die de bemiddelaar maakt of zal maken voor zijn opdracht. In afwijking van het hiervoor in dit lid bepaalde kunnen recreant en ondernemer voorafgaand aan de bemiddeling een vergoeding van de kosten en uren van de ondernemer op basis van nacalculatie overeenkomen.
(…)

2. Op grond van artikel 9 lid 4 in samenhang met artikel 9 lid 5 van de Recron-voorwaarden heeft een ondernemer slechts recht op een bemiddelingsvergoeding (verkoopprovisie) als daaraan een schriftelijke overeenkomst met de consument ten grondslag ligt. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is. Bij afwezigheid van die schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 9 lid 4, tweede zin van de Recron-voorwaarden, kan de ondernemer volgens vaste uitspraken van de commissie geen aanspraak maken op provisiekosten. Dat de aanvullende voorwaarden van de ondernemer uit 2008 iets anders bepalen, is niet van belang. Uit artikel 2 lid 7 van de Recron-voorwaarden volgt immers dat de Recron-voorwaarden vóór gaan boven de eigen regels van een ondernemer, wanneer die eigen regels – zoals in dit geval – voor de consument nadelig zijn ten opzichte van de Recron-voorwaarden.

3. Het bovenstaande betekent dat de klacht gegrond is en dat de consument de factuur van de ondernemer van € 2.550,– van 27 augustus 2019 (factuurnummer 003048) niet hoeft te betalen.
Het depotbedrag van € 2.550,– kan daarom aan de consument worden terugbetaald. Ook leidt dit ertoe dat de consument nog recht heeft op betaling van het door de ondernemer in zijn vertrekfactuur vermelde bedrag van € 1.725,45. Het is de commissie op basis van de stukken niet duidelijk geworden of de consument factuurnummer 003047 van de ondernemer van eveneens 27 augustus 2019 al heeft betaald. Deze factuur van € 207,83 ziet op de eindafrekening energie en water. In zijn factuur van 28 september 2019 aan de ondernemer heeft de consument dit bedrag van € 207,83 erkend. Heeft de consument het bedrag van € 207,83 nog niet aan de ondernemer betaald, dan mag de ondernemer dat bedrag uiteraard op het terug te betalen bedrag van € 1.725,45 in mindering brengen, zodat de ondernemer in dat geval nog een bedrag van € 1.517,62 aan de consument moet terugbetalen.

4. Voor vergoeding van de overige, op de factuur van de consument van 28 september 2019 vermelde posten (“Verloren diepvriesproducten door uitslaan stop, Verhage levert hoofdstop met vertraging, Uitgevoerde werkzaamheden onderzoek aan Chalet, Vergoeding voor alle problemen zwakke hoofdstop”) ziet de commissie geen enkele grond. Dit betreft zaken uit het verre verleden (juli 2015) en die zaken – wat daar verder ook nog van zij – kan de consument nu niet meer aan de commissie voorleggen.

5. De gegrondverklaring van de klacht brengt tevens met zich mee dat de ondernemer het klachtengeld aan de consument dient te vergoeden. Verder is de ondernemer behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.

6. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing
De ondernemer dient aan de consument binnen 30 kalenderdagen na verzending van deze beslissing een bedrag te betalen van € 1.725,45 (indien de consument factuurnummer 003047 van de ondernemer al heeft betaald) dan wel een bedrag van € 1.517,62 (indien de consument dat factuurnummer nog niet heeft betaald).

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden in verband met het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Het door de consument gestorte depotbedrag van € 2.550,– kan aan de consument terugbetaald worden, omdat hij factuurnummer 003048 van de ondernemer niet hoeft te betalen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit mr. J.L. Sierkstra, voorzitter, drs. P.C. Hoogeveen-de Klerk en P.W.M. Meijkamp, leden, op 8 juni 2020.