Consument is een redelijk loon aan de ondernemer verschuldigd na opzeggen overeenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Particuliere Onderwijsinstellingen    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 140817/158729

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument volgde een opleiding tot fysiotherapeute. Na het afronden van een aantal modules, besloot de consument te stoppen met de opleiding. Een dag voor de aanvang van een nieuwe module, heeft de consument per mail laten weten te stoppen met de opleiding. Tevens heeft zij via diezelfde mail verzocht om terugbetaling van het cursusgeld. De ondernemer heeft daarop laten weten, op basis van de gehanteerde algemene voorwaarden, geen geld retour te storten. De ondernemer heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen bij de commissie. De commissie oordeelt dat een deel van het reeds betaalde lesgeld teruggestort moet worden aan de consument. De ondernemer had moeten onderbouwen en motiveren wat een redelijk loon is.

De uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst betreffende de opleiding tot fysiotherapeute. Het geschil van partijen handelt over de afrekening van de ondernemer, na de beëindiging van de opleiding door de consument op 7 september 2021.

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument volgde bij de ondernemer de opleiding tot fysiotherapeute. De consument heeft module 1 (assistent Fysiotherapie) en module 2 (musculoskeletaal) succesvol afgerond. Module 3 (revalidatie) heeft de consument – vanwege omstandigheden – helaas niet succesvol afgerond. Per 6 september 2021 zou de consument starten aan module 4 (fysiotherapeutisch handelen). Omdat de consument een deeltijdstudie volgde, zou de eerste fysieke collegedag voor de consument feitelijk op 8 september 2021 plaatsvinden. Op 7 september 2021 stuurde de consument echter een mail naar de ondernemer en naar haar mentor waarin zij aangaf dat zij stopte met de opleiding. De consument had toen wel al een bedrag van € 3.100,– incl. BTW betaald aan de ondernemer voor module vier. Op 11 september 2021 ontving de consument een mail van de ondernemer over haar verzoek tot terugbetaling van het collegegeld ad € 3.100,– incl. BTW. De ondernemer verwees naar artikel 7.4 en 7.5 van de algemene voorwaarden en mailde aan de consument het volgende:
‘Helaas ben je bij annuleren wanneer het jaar al begonnen is 40% van het hele studiejaar verschuldigd + kosten lopende maand en reeds verstreken maanden + studiekosten (artikel 7.4 en 7.5 van de Algemene Voorwaarden). In plaats daarvan zal ik je slechts deze module in rekening brengen. Ik kan je dus echter helaas geen geld retour storten’.

Op 12 september 2021 mailde de ondernemer de consument en gaf de ondernemer aan dat de consument de kosten van de module vier niet teruggestort kan krijgen, verwijzend naar de algemene voorwaarden van de ondernemer. Op 16 november 2021 is namens de consument een terugbetalingsverzoek ingediend bij de ondernemer. Op 17 november 2021 stuurde de ondernemer een e-mail waarin zij geen gehoor gaf aan het terugbetalingsverzoek en verwees naar de commissie.

Standpunt van de ondernemer
De ondernemer is in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren maar heeft dat niet gedaan. Voor het standpunt van de ondernemer heeft de commissie acht geslagen op de weergave daarvan door de consument en de overgelegde correspondentie tussen partijen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Het komt in deze zaak neer op de vraag of de ondernemer een redelijk loon in rekening heeft gebracht aan de consument door het (volledige) betaalde bedrag voor module 4 te behouden. De tussen partijen geldende overeenkomst is immers gelijk te stellen aan een overeenkomst van opdracht (zie het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2775), die door de consument is beëindigd. Het ligt op de weg van de ondernemer, die aanspraak maakt op betaling c.q. behoud van het betaalde, om te motiveren en onderbouwen wat een redelijk loon in dit geval bedraagt. In de onderhavige procedure heeft de ondernemer dat niet gedaan, nu geen verweer gevoerd is. In de door de consument overgelegde en hiervoor geciteerde correspondentie heeft de ondernemer enerzijds verwezen naar algemene voorwaarden en anderzijds vermeld dat in plaats daarvan slechts deze module in rekening gebracht wordt. Nu de ondernemer echter geen enkele informatie heeft gegeven, dus ook niet omtrent kosten en duur van de opleiding en reeds door de ondernemer verrichte werkzaamheden, kan de commissie niet goed bepalen of de kosten van één module een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon is. Anderzijds komt het verzoek tot gehele terugbetaling van de module, zoals namens de consument is verzocht, de commissie wat al te gortig voor. Dat de ondernemer met kosten geconfronteerd wordt om een opleiding voor te bereiden en te organiseren spreekt vanzelf. Van onverschuldigde betaling is naar het oordeel van de commissie geen sprake.
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid ter beëindiging van het geschil, dat de ondernemer een bedrag ter grootte van de helft van het voor module 4 betaalde, oftewel € 1.550,–, moet terug betalen aan de consument.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De ondernemer moet aan de consument een bedrag van € 1.550,– betalen, binnen één maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Als de ondernemer dit niet binnen één maand na de verzenddatum van dit bindend advies is nagekomen, moet de ondernemer bovendien de wettelijke rente over die € 1.550,– betalen vanaf een maand na de verzenddatum van dit bindend advies tot de dag van algehele voldoening.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 107,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Particuliere Onderwijsinstellingen, bestaande uit de heer mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter, de heer mr. J.A. Frederik, de heer mr. C.A. Bontje, leden, op 24 juni 2022.