Consument krijgt € 3.720 vergoeding voor langdurige warmtestoring

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: bejegening/ schadevergoeding    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 841414/1024629

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument zat 24 dagen zonder verwarming en warm water door een storing in de installatie van de ondernemer. De ondernemer stelde dat sprake was van een extreme situatie buiten zijn verantwoordelijkheid, maar de Geschillencommissie Energie oordeelde dat hiervan geen sprake was. Omdat de storing toe te rekenen is aan de ondernemer en geen bezwaren tegen de schadeberekening zijn ingebracht, moet de ondernemer € 3.720 aan de consument vergoeden. Daarnaast wordt € 52,50 klachtengeld vergoed.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de door de ondernemer te betalen vergoeding als gevolg van het uitvallen van de verwarming en de levering van warm water aan de consument. De consument heeft op 12 november 2024 de klacht bij de ondernemer ingediend.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft 24 dagen zonder warm water en verwarming gezeten en maakt op grond van het toepasselijke artikel 3a van de Warmtewet aanspraak op een vergoeding ter grootte van € 3.720,–.
Ook maakt de consument aanspraak op vergoeding van de tijd die hij aan het geschil met de ondernemer heeft besteed. Dit betreft een aantal van 24 werkuren.

De ondernemer heeft vanaf 14 oktober 2024 tot en met 6 november 2024 geen warm water geleverd aan het adres van de consument. Naar aanleiding van de klacht van de consument gaf de ondernemer ten onrechte aan dat de storing een gevolg is van een extreme situatie die niet aan de ondernemer kan worden toegerekend. Dat is niet juist. De storing is het gevolg van een aan de ondernemer toe te rekenen fout van de installatie. Van een overstroming of kortsluiting door bijvoorbeeld blikseminslag is geen sprake geweest. De oorzaak van de stroomstoring lag in een doorgebrande component in de installatie van de ondernemer.

Op 26 april 2025 is opnieuw sprake geweest van een storing. Het probleem is op 7 mei 2025 opgelost.

Ter (digitale) zitting heeft de consument in hoofdzaak nog het volgende naar voren gebracht.

Er was sprake van een stroomstoring die de installatie van de ondernemer had getroffen. Bepaalde componenten daarvan moesten worden vervangen. Het bestellen van de onderdelen is niet voortvarend gedaan. De consument blijft erbij dat hij recht heeft op de door hem verlangde vergoeding.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De verstoring van de levering van warmte en warm water gedurende de aangegeven periode is ontstaan als gevolg van een stroomstoring. Het betreft een extreme situatie buiten de macht van de ondernemer, veroorzaakt door een externe factor die niet aan het warmtenetwerk of de installatie van de ondernemer kan worden toegeschreven. Dit is conform het bepaalde in artikel 3a lid 2a van de Warmtewet, dat bepaalt dat in een dergelijk geval compensatie niet verplicht is. Van een recht op vergoeding is alleen sprake als de storing is toe te schrijven aan het warmtenetwerk van de ondernemer en de storing niet is veroorzaakt door een extreme situatie buiten de verantwoordelijkheid van de ondernemer.

De ondernemer erkent dat in oktober en november 2024 sprake is geweest van een storing in de warmwatervoorziening. In die periode voldeed het kwaliteitsniveau niet aan de daaraan te stellen eisen volgens het contract.

De situatie werd bemoeilijkt omdat de specifieke te vervangen onderdelen niet direct beschikbaar waren. Hierdoor duurde het herstel langer.

Op grond van de aard, de duur en de oorzaak van de storing is geen sprake van een ernstige en langdurige onderbreking in de zin van artikel 3a van de Warmtewet, en bestaat er daardoor geen wettelijke verplichting tot schadevergoeding.

Voor het ondervonden ongemak wil de ondernemer de consument uit coulance tegemoetkomen en één maand vastrecht in 2024 kwijt te schelden.

Beoordeling

De commissie heeft het volgende overwogen.

In dit geschil klaagt de consument over een langdurige onderbreking van de levering van warmte en warm water en verlangt hij daarvoor een vergoeding als bedoeld in artikel 3a van de Warmtewet.

De ondernemer, die geen verweer heeft gevoerd en niet ter zitting is verschenen, stelt zich blijkens de met de consument gevoerde correspondentie, op het standpunt dat sprake is van een extreme situatie als bedoeld in artikel 1.4 sub c van de Warmtewet die niet aan de ondernemer kan worden toegerekend. De ondernemer betwist niet dat sprake is van een ernstige storing als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Warmtewet.

De commissie volgt het standpunt van de consument, dat geen sprake is van een niet aan de ondernemer toe te rekenen omstandigheid.

De commissie stelt voorop dat een partij die niet ter zitting verschijnt zichzelf de mogelijkheid ontneemt om eventuele bij de commissie levende vragen te beantwoorden en te reageren op hetgeen de wel ter zitting verschenen partij naar voren heeft gebracht.

De ondernemer beroept zich weliswaar op een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, een extreme situatie, maar daarvan is naar het oordeel van de commissie geen sprake. Van sabotage of een natuurramp is geen sprake geweest en een enkele stroomstoring waarbij de stroomtoevoer is onderbroken valt daaronder niet.

Nu de ondernemer geen bezwaren tegen de berekening van de schadevergoeding naar voren heeft gebracht en deze berekening de commissie niet ongegrond of onredelijk voorkomt zal zij dan ook bepalen dat de ondernemer aan de consument een bedrag van € 3.720,– dient te voldoen.

Voor een verdere schadevergoeding is geen plaats nu het Reglement van de commissie ervan uitgaat dat iedere partij in beginsel de eigen kosten draagt, en het door de consument ondervonden ongemak met de door de ondernemer te betalen vergoeding reeds in voldoende mate wordt gecompenseerd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 3.720,–. Betaling dient binnen 4 weken na de verzendatum van dit bindend advies plaats te vinden.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, de heer J.H.P.T. den Ouden, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 2 juni 2025.

Opslaan als PDF