Consument moet hoge eindafrekening voor warmteverbruik alsnog betalen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 398391/531906

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument had een energiecontract voor elektriciteit en warmte tot 31 oktober 2023. Na plaatsing van een slimme meter werd het warmteverbruik veel hoger. De ondernemer gebruikte dit hoge verbruik als basis voor eerdere jaren, wat leidde tot een eindafrekening van ruim € 7.000. De consument vond dit onterecht, omdat ze zuinig stookt en het verbruik volgens haar niet klopt. De ondernemer stelde dat het verbruik is berekend op basis van doorgegeven meterstanden en dat er geen fouten zijn gevonden in de installatie. De commissie oordeelt dat de consument geen bewijs heeft geleverd dat de meterstanden onjuist zijn of dat er een defect was. Omdat de consument ook geen meterijking heeft laten uitvoeren, moet zij het verbruik betalen. De ondernemer heeft het bedrag al verlaagd naar € 4.812,10. De klacht is daarom ongegrond en de consument moet de eindafrekening betalen.

De volledige uitspraak

Samenvatting
De consument moet de eindafrekening betalen.

Beoordeling
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Tussen partijen bestonden leveringscontracten voor elektriciteit en warmte op het woonadres van de consument tot 31 oktober 2023. Het geschil heeft betrekking op het door de ondernemer op de volgende afrekeningen gefactureerde warmteverbruik:
1. De debetfactuur van 20 april 2024 over de periode van 16 mei 2020 tot 18 mei 2021.
Deze factuur is een aanvulling op de jaarafrekening van 27 mei 2021 over dezelfde periode.
2. De jaarafrekening van 20 april 2024 over de periode van 29 april 2021 tot 18 mei 2022.
3. De jaarafrekening van 20 april 2024 over de periode 2 mei 2022 tot 18 mei 2023.
4. De eindafrekening van 20 april 2024 over de periode 19 mei 2023 tot 31 oktober 2023.

De ondernemer heeft een slimme meter geplaatst in het woonadres van de consument. Daarna werd het warmteverbruik veel hoger, meer dan 145GJ. De ondernemer heeft het geconstateerde hoge warmteverbruik in de periode mei 2022 tot mei 2023 ook als basis gebruikt voor de voorgaande jaren, waardoor er een zeer hoge afrekening was (€ 7.241,-).

Dit verbruik kan niet kloppen want de consument is zuinig met stoken en een vloerverwarming zou sowieso zuiniger moeten zijn dan centrale verwarming. De ondernemer claimt dat het warmteverbruik in het appartement heel hoog was en de naheffing het gevolg is van verkeerd doorgegeven meterstanden, terwijl het verbruik in de vorige en de huidige woning veel lager was en is. De ondernemer heeft zelf aangegeven dat de doorstroming niet goed was en elke monteur heeft gezegd dat het verbruik niet mogelijk was.
De vordering van de ondernemer van € 5.001,- is een berekend bedrag. De facturatie van de ondernemer is rommelig, omdat op de eindafrekening een tegoed staat van € 1.500,-. De ondernemer heeft de consument er niet op gewezen dat een meterijking mogelijk was.

De ondernemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

De commissie onderschrijft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in grote lijnen het standpunt van de ondernemer.

De consument klaagt kort gezegd over de hoogte van de bedragen die de ondernemer krachtens de tussen hen beide gesloten leveringsovereenkomst aan warmteverbruik aan haar in rekening brengt. De ondernemer heeft daarop onweersproken geantwoord dat er geen meterwisseling heeft plaatsgevonden, dat het verbruik dat aan de consument in rekening is gebracht is berekend aan de hand van de meterstanden en dat de juistheid van deze meterstanden ook niet is bestreden. Ook is aangevoerd dat de binneninstallatie van de consument door de ondernemer een aantal keer is gecontroleerd en goed is bevonden.

Artikel 10 van de toepasselijke algemene voorwaarden bepaalt dat voor de vaststelling van het af te rekenen verbruik de gegevens van de meetinrichting bindend zijn. Gelet hierop dient de commissie van de juistheid van het geregistreerde verbruik uit te gaan. Te meer nu niet gebleken is dat de consument een ijking heeft laten uitvoeren (zie artikel 12 algemene voorwaarden) en evenmin het voornemen heeft geuit om dat alsnog te laten doen.

De ondernemer heeft voorts, als onvoldoende weersproken, afdoende uitgelegd dat de hoge naheffing voor het warmteverbruik dat is geconstateerd in 2023 het gevolg is van onjuist door de consument doorgegeven meterstanden in 2021 en 2022 toen de warmtemeter op het adres nog niet op afstand was uit te lezen. Het gemiddelde jaarlijkse warmteverbruik van ongeveer 50GJ in de periode 2020 tot 2023 is volgens de ondernemer inderdaad relatief hoog, maar als gezegd, niet het gevolg van een mogelijk defect aan de warmte-aansluiting van de ondernemer. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat het warmteverbruik het gevolg is van het stookgedrag van de consument.
Bovendien hoeft de ondernemer geen verklaring te geven voor het verbruik van de consument. De ondernemer heeft geen zicht op datgene wat zich afspeelt in of rondom de woning van de consument. Dit betekent dat de consument dient te betalen voor het verbruik zoals bij haar in rekening is gebracht.

Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en de door hen overgelegde stukken wordt geen steun gevonden voor het standpunt van de consument dat de ondernemer niet of onvoldoende adequaat uitleg heeft gegeven over de facturering van het verbruik of op haar klacht heeft gereageerd.

De commissie merkt nog op dat de ondernemer de consument in aanzienlijke mate tegemoet is gekomen door haar verbruik alsnog op een voor haar zo voordelig mogelijke wijze in rekening te brengen, waarmee de naheffing is gedaald van meer dan € 6.000,- naar € 4.812,10.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. I.K. Rapmund, voorzitter, de heer ing. C. Verloop , de heer H.W. Zuur , leden, op 28 oktober 2024.

Opslaan als PDF