Commissie: Groen
Categorie: Opzegging overeenkomst
Jaartal: 2023
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
222944/235034
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument had een hovenier ingehuurd om zijn tuin opnieuw aan te leggen voor € 10.400, waarvan later € 1.000 werd gecrediteerd. Na de werkzaamheden bleek dat er veel fouten waren gemaakt: tegels verzakten, het kunstgras lag niet goed en de afwerking was slordig. De ondernemer kwam terug voor herstel, maar de consument verloor het vertrouwen door slechte communicatie en stelde voor om het werk door een andere hovenier te laten herstellen. Hij vroeg daarom € 2.500 schadevergoeding. De ondernemer vond dat hij voldoende had aangeboden om het probleem op te lossen en dat de consument zelf de herstelafspraak had afgezegd. Volgens hem was er geen reden voor schadevergoeding. De Geschillencommissie oordeelde dat er geen bewijs is voor een officiële beëindigingsafspraak tussen partijen, maar dat de ondernemer niet in verzuim is geraakt. De consument had geen formele aanmaning gestuurd en had eerst ingestemd met de hersteldatum. Omdat de ondernemer niet juridisch verplicht was tot schadevergoeding en de consument de overeenkomst eenzijdig heeft beëindigd, is er geen recht op extra vergoeding. De klacht is daarom ongegrond en de consument krijgt geen schadevergoeding.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 4 oktober 2022 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het doen van tuin- en bestratingswerkzaamheden tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van eerst € 10.400,– en na creditering met
€ 1.000,–: € 9.400,–.
De overeenkomst is uitgevoerd in december 2022.
De consument heeft op 27 februari 2023 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
Op 4 oktober 2022 hebben wij een offerte van de ondernemer geaccepteerd om onze voor- en achtertuin onder handen te laten nemen voor een bedrag van € 10.400,–. Op 5 december 2022 begonnen de werkzaamheden en een week later was het werk afgerond. In de voortuin zijn keramische tegels gelegd van 60×60 cm en 6 cm dik over in totaal 31 m2, daar komt namelijk onze auto op te staan. Binnen enkele weken bleken enkele tegels te verzakken. Volgens de hovenier kwam dat omdat de leverancier verkeerd voegmateriaal had geleverd. De ondernemer is teruggekomen om de oorspronkelijke voegen te verwijderen en de nieuwe voegen (2 componenten voeg) aan te brengen. Een compleet andere werkwijze, dus de claim dat de leverancier verkeerd voegmateriaal had geleverd is daarmee enigszins ongeloofwaardig geworden. Ook in de achtertuin is van alles misgegaan. Ook hier verzakken tegels, het kunstgras ligt niet vlak en de terrastegels zijn niet in de kozijnen gezaagd. Daar is een laag voeg in aangebracht. Ook voor de achtertuin zijn ze terug geweest, maar in korte tijd verzakten er opnieuw tegels evenals in de voortuin.
Hierop hebben we op 27 februari 2023 een klacht ingediend over de kwaliteit van het werk. De onder-nemer gaf daarop aan dit zeer te betreuren en het te willen herstellen, helaas zaten ze tot begin juni volgeboekt, dus ze konden pas op 15 juni 2023 komen om het werk te herstellen. De leverancier van de keramische tegels kwam begin april bij ons kijken naar een roestvlek op de tegels, wat overigens niets met het werk van de ondernemer had te maken, maar die was heel stellig over de kwaliteit van het werk; er deugden heel veel zaken niet. Desgewenst kunnen we dit nader technisch toelichten. Deze tegelleverancier heeft zelf een jarenlange ervaring als hovenier opgebouwd en weet waar hij het over heeft. We hebben de ondernemer opnieuw per mail op de hoogte gebracht van alle technisch fouten en gebreken en van hen geëist dat er een degelijk herstelplan zou komen. Daarvoor is de ho-venier op 18 april 2023 gekomen om alles op te nemen. Hij maakte zijn excuses en hij beloofde ons binnen een week een herstelplan te sturen. Die ontvingen wij na enkele keren te hebben gerappel-leerd op 8 mei 2023. We hebben daarop nog wat inhoudelijke vragen gesteld en of ze konden beves-tigen wanneer ze nu precies met de herstelwerkzaamheden zouden starten. Daarop bleef het bijna een maand stil. Op onze mails werd niet gereageerd.
Op 7 juni 2023 hebben we per mail aangegeven dat we geen vertrouwen meer hadden in hen en dat we de volgende dag de geschillencommissie zouden gaan inschakelen. Toen hadden we ineens heel snel antwoord. Hierin werd aangegeven wat de eventuele extra kosten zouden zijn, maar weer geen bevestiging van de datum, voor ons wel belangrijk omdat we vrije dagen moesten opnemen om thuis te zijn als het herstelwerk zou gaan starten. Dat hebben we aangegeven, maar pas op 14 juni 2023 kregen we een bevestiging dat ze de volgende dag zouden beginnen. Daarop hebben we aangegeven dat ons dat niet paste. Wij hadden zo weinig vertrouwen in hun werk dat we er per se bij hadden willen zijn, maar door de totale afwezigheid van enige fatsoenlijke communicatie, hebben wij dat zelf met ons eigen werk niet kunnen plannen. Hierop ontstond wat mailverkeer over de geplande datum en de toezeggingen, maar dit resulteerde uiteindelijk in een situatie waarin we besloten niet meer met deze ondernemer verder te willen. Van het oorspronkelijke offertebedrag stond nog € 1.000,– open, deze is gecrediteerd en wij hebben een andere hovenier gevonden. Deze heeft de bevindingen van de leverancier van de tegels bevestigd; het werk van de ondernemer was zwaar onder de maat. Hij heeft ons toegezegd dit desgewenst te willen verklaren, indien nodig. Hij heeft ons een offerte doen toekomen en die is ruim boven de € 10.000,–. Dat zou betekenen dat wij dankzij de ondernemer, als wij onze voor- en achtertuin hersteld willen hebben, in totaal ruim € 20.000,– kwijt zouden zijn.
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
Ik blijf bij wat door mij is aangevoerd. Ik heb nu weer zo rond € 10.000,– moeten betalen aan een andere ondernemer om alles eindelijk op orde te krijgen. Er zijn ook nieuwe tegels besteld, omdat de oude tegels door de wijze waarop die zijn geslepen, niet hergebruikt konden worden. De oprit is nu voorzien van zwaardere en hogere opsluitbanden. Aan de linkerkant bleek dat de ondernemer daar zelfs geen opsluitbanden had geplaatst. Op de vraag van de commissie wat nu precies mijn vordering is in deze zaak, zeg ik u dat ik begrijp dat ik zelf opdraai voor een belangrijk deel van de kosten; daarmee rekening houdend vorder ik nu een bedrag van € 2.500,– aan schadevergoeding.
De consument verlangt blijkens het klachtenformulier het volgende:
“Het openstaande bedrag is reeds gecrediteerd omdat we het vertrouwen in de ondernemer hebben verloren en niet met hen verder willen. We willen graag een gedetailleerde omschrijving geven van de gebeurtenissen en fouten die door de ondernemer zijn gemaakt om een schadevergoeding te krijgen. Een andere hovenier is inmiddels benaderd en het herstel gaat opnieuw € 10.000,– kosten.”.
Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
Het werk is aangenomen voor een aanneemsom van € 10.400,– inclusief BTW.
Op zichzelf genomen heeft de ondernemer altijd erkend dat bepaalde werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. Dat is dan ook niet waar het zwaartepunt van het geschil ligt. Waar het volgens de ondernemer vooral om dient te gaan is de vraag of de consument gerechtigd is het herstel uit te laten voeren door een andere hovenier en de kosten hiervan te verhalen op de ondernemer. Dat is ook hoe de ondernemer de klacht begrijpt. De ondernemer is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Dit standpunt zal in het hiernavolgende nader worden toegelicht.
Feiten en omstandigheden
De ondernemer wenst te beginnen met de e-mail die hij heeft ontvangen van de consument op 27 februari 2023. Daarin staat kort weergegeven wat de stand van zaken was op dat moment en wat er nog speelde. Na afronding van de werkzaamheden in eerste instantie, is de ondernemer nog een paar keer ter plaatse geweest om diverse herstelwerkzaamheden uit te voeren. Een afspraak voor het recht leggen van een tegel in de achtertuin stond toen nog open.
Helaas waren er nog meer punten niet uitgevoerd naar de zin van de consument. Er zouden verschillende tegels zijn die verzakken.
Bij e-mail van 19 maart 2023 heeft de ondernemer aangegeven de situatie netjes op te willen lossen met de consument. Daarvoor was natuurlijk wel voldoende mankracht nodig. Die zou, gelet op de planning van de ondernemer, beschikbaar zijn op 15 en 16 juni 2023. Op 21 maart 2023 heeft de consument per e-mail akkoord gegeven op die datum waarna de ondernemer op 22 maart 2023 heeft bevestigd dat het in de planning is opgenomen; ‘So far so good’.
Op 10 april 2023 lijkt de consument ineens 180 graden gedraaid in zijn standpunt: de geplande datum van 15 en 16 juni 2023 was niet meer acceptabel. Het herstel moest binnen één maand worden uitgevoerd. Deze termijn was voor de ondernemer onmogelijk haalbaar: de datum van 15 en 16 juni 2023 was voor de ondernemer de eerst mogelijke datum om de gebreken deugdelijk en binnen afzienbare tijd op te lossen. De termijn van een maand die de consument – ogenschijnlijk uit het niets – stelt, is dan ook geenszins aan te merken als een redelijke termijn. Dat heeft de ondernemer toen ook per e-mail aan de consument gecommuniceerd. Deze bleek echter niet voor rede vatbaar; 15 en 16 juni 2023 waren voor de ondernemer de eerste mogelijke data en de consument wist dat en heeft daar in eerst instantie mee ingestemd.
In plaats van de reeds geplande afspraak te annuleren, heeft de ondernemer met de consument afgesproken om ter plaatse langs te komen teneinde een concreet plan van aanpak op te stellen. Op 18 april 2023 is de ondernemer ter plaatse geweest, op 8 mei 2023 is het plan van aanpak toegestuurd en op 10 mei 2023 heeft de consument aangegeven akkoord te gaan met dit plan van aanpak en heeft nog een paar aanvullende vragen gesteld.
De beantwoording van de aanvullende vragen van de consument heeft wat vertraging opgelopen. De reden hiervoor is een geboorte waardoor de eigenaar en gevolmachtigde van de ondernemer ouders zijn geworden. De consument wist dit. E-mails konden daardoor niet meteen beantwoord worden, het bedrijf was alleen open voor spoedgevallen.
De consument leek dat echter niet in te (willen) zien. De consument stelt deze handelswijze onfatsoenlijk te vinden en het vertrouwen in de ondernemer te zijn verloren. De aanvullende vragen zijn per e-mail van 13 juni 2023 beantwoord. Als antwoord daarop heeft de consument de afspraak voor herstel afgezegd op 14 juni 2023; één dag (!) voordat de herstelwerkzaamheden zouden worden uitgevoerd.
Vanzelfsprekend viel dit bij de ondernemer niet in goede aarde. De ondernemer had werkdagen en personeel gereserveerd om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Dat, in combinatie met het afzeggen, heeft tot gevolg dat de ondernemer ruim € 6.000,– aan omzet misloopt. De tijd en het personeel dat voor het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden was gereserveerd, hadden immers ook voor andere opdrachten kunnen worden ingezet.
Het verwijt dat de consument maakt dat de datum voor herstel pas twee dagen van tevoren was gecommuniceerd en dat hij op een dergelijk korte termijn geen vrij kon krijgen van zijn werk, kan natuurlijk onmogelijk standhouden. Zoals blijkt uit het voorgaande en de correspondentie die bij dit verweerschrift is gevoegd, is de datum voor herstel drie maanden van tevoren gecommuniceerd, niet twee dagen.
De ondernemer heeft desondanks, vanuit goede wil, toch nog geprobeerd een nieuwe afspraak in te plannen voor het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden. De eerstvolgende optie zou zijn begin oktober 2023. Daarnaast heeft de ondernemer de consument als alternatief aangeboden het bedrag van € 1.000,– dat op dat moment nog openstond te crediteren en daarna met gesloten beurzen uit elkaar te gaan. De consument zou de gebreken alsdan op eigen kosten kunnen laten herstellen door een ander. De ondernemer heeft zich naar zijn mening dan ook uiterst coöperatief en oplossingsgericht opgesteld.
Het openstaande bedrag van € 1.000,– is uiteindelijk door de ondernemer ook gecrediteerd. De daarop betrekking creditfactuur wordt als productie 5 overgelegd. Dit was voor de consument echter onvoldoende. De consument wilde ook een vergoeding van de extra kosten die hij stelde te moeten maken voor het laten uitvoeren van herstel door een derde partij. Let wel: het aanbod van de ondernemer om over te gaan tot herstel was nota bene door de consument zelf van de hand gewezen. De extra kosten die hij stelt te moeten maken heeft hij daardoor volledig aan zichzelf te wijten.
Eén en ander heeft ertoe geleid dat de consument stelt zijn vertrouwen in de ondernemer te zijn verloren en dat hij de overeenkomst wil ontbinden.
De ondernemer heeft zich altijd welwillend en coulant opgesteld teneinde tot een oplossing te komen met de consument. Door de opstelling van die laatstgenoemde is dat echter keer op keer niet gelukt. Daarmee is naar de mening van de ondernemer ook al gegeven dat de consument geen aanspraak kan maken op enige vorm van schadevergoeding naast het gecrediteerde bedrag van € 1.000,–. In het hiernavolgende zal de ondernemer nog juridisch inhoudelijk nader ingaan op de kwestie.
Juridisch kader
Wat de consument verlangt, kwalificeert juridisch als een vervangende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het met succes kunnen vorderen van vervangende schadevergoeding is in de eerste plaats vereist dat de ondernemer in verzuim is.
De ondernemer is echter nooit in verzuim geraakt. Om in verzuim te raken is ingevolge artikel 6:82 lid 1 BW immers vereist dat de ondernemer in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn tot nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Van de vereiste formele ingebrekestelling is in casu geen sprake geweest. Deze heeft de consument simpelweg nooit gestuurd. Het verzuim is reeds om die reden nooit ingetreden. Bovendien kwalificeert geen van de termijnen die de ondernemer zijn gesteld als een redelijke termijn. Onder verwijzing naar het voorgaande: het was voor de ondernemer redelijkerwijs niet mogelijk om binnen de door de consument gestelde termijnen de gebreken weg te nemen.
De ondernemer heeft bovendien altijd aangeboden over te gaan tot herstel van de gebreken die de consument ervaart. Ook op deze grond kan de ondernemer nooit in verzuim zijn geraakt. Bij hem bestond immers altijd de bereidheid om nog over te gaan tot nakoming. De enige kanttekening die daarbij kan worden geplaatst is dat hij niet zijn volledige planning om kan gooien om aan de grillen van de consument te voldoen.
Naast het feit dat de ondernemer nooit in verzuim is geraakt, ontbreekt als klap op de vuurpijl de ingevolge artikel 6:87 BW vereiste omzettingsverklaring. Met andere woorden: indien en voor zover de commissie van oordeel zou zijn dat de ondernemer wél in verzuim is geraakt, quod non, dan is de verbintenis tot nakoming nooit omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Ook daarop strandt het verzoek van de consument.
Overigens is het voor de ondernemer nog altijd niet voldoende duidelijk wat de consument nu precies wil. In de eerste plaats omdat het voor hem geformuleerde verzoek allesbehalve duidelijk is op dat punt. Daarbij komt dat de consument in een eerder stadium heeft aangegeven de overeenkomst te willen ontbinden. Juridisch moet er echter een keuze gemaakt worden tussen ontbinding en vervangende schadevergoeding; het is niet mogelijk om beide te kiezen. De gekozen optie is voorts bindend en daar kan de schuldeiser daarna niet meer op terug komen.
Een ontbinding zou eveneens niet slagen. Daarvoor is immers ook vereist dat de ondernemer in verzuim is geraakt en zoals uit het voorgaande blijkt is dat simpelweg niet het geval.
Wat de consument overigens wél zou kunnen doen, is de overeenkomst opzeggen. Nu het een overeenkomst van aanneming van werk betreft, heeft de consument de bevoegdheid de overeenkomst te allen tijde op te zeggen. Dit volgt uit artikel 7:764 lid 1 BW. Ditzelfde artikel regelt ook de rechtsgevolgen van een opzegging. Bij een opzegging is de consument echter nog wel gehouden de volledige voor het werk geldende prijs te voldoen, verminderd met de besparingen die voor de ondernemer uit de opzegging voortvloeien. Besparingen zijn er niet; het werk was immers al voltooid. Voorts biedt artikel 7:764 BW geen grondslag voor enige vorm van schadevergoeding.
Hoe de ondernemer de kwestie ook wendt of keert, ziet hij geen enkele rechtsgrond op basis waarvan de consument enigerlei schadevergoeding toekomt. De ondernemer is altijd bereid geweest mee te denken naar een oplossing en heeft in dat kader aangeboden om gebreken te herstellen en hij heeft een gedeelte van het offertebedrag gecrediteerd. De ondernemer betreurt dat de kwestie zo heeft moeten lopen, maar hij volhardt in zijn standpunten.
De ondernemer verzoekt de klacht van de consument ongegrond te verklaren.
Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
De ondernemer blijft bij wat door/namens hem is aangevoerd. De route van de consument is een verkeerde geweest. Het door de consument gevorderde moet afgewezen worden. Bovendien heeft een schikkings-/beëindigingsafspraak plaatsgevonden door partijen, reden waarom de ondernemer
€ 1000,– heeft gecrediteerd op wat de consument verschuldigd was te betalen.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
De stelling van de ondernemer dat de consument geen vordering op de ondernemer meer heeft om reden dat partijen een schikkings-/beëindigingsafspraak hebben gemaakt, is door de consument gemotiveerd weersproken en vindt naar het oordeel van de commissie geen genoegzame steun in het dossier.
Uit niets blijkt dat door partijen is afgesproken dat het een schikkings-/beëindigingsafspraak betreft en dat die ook strekt ter finale kwijting over en weer. Er is ook niets schriftelijk vastgelegd. De commissie houdt het er dan ook voor dat de ondernemer eigenmachtig de genoemde creditering heeft doorgevoerd, in de hoop van verder discussie af te zijn. Het desbetreffende verweer van de ondernemer faalt dan ook.
Wel slaagt naar het oordeel van de commissie het verweer van de ondernemer inhoudende dat deze niet in verzuim is geraakt. Hetgeen aan dat verweer aan feiten ten grondslag is gelegd – zie hierboven bij de verwoording van het standpunt van de ondernemer – is niet inhoudelijk weersproken door de consument.
De gang van zaken is dus geweest dat met goedvinden van de consument de ondernemer in de gelegenheid is gesteld om eerst op 15 en 16 juni 2023 de vereiste nakomings-/herstelwerkzaamheden uit te voeren. Tussentijds heeft niet alsnog een tussentijdse ingebrekestelling plaatsgevonden om de ondernemer om wat voor reden dan ook alsnog te verplichten eerder dan die data te presteren.
Wat op 14 juni 2023 e.v. is voorgevallen kwalificeert dan ook als een eenzijdige beëindiging/opzegging van het door partijen overeengekomene, waarna nader presteren door de ondernemer is uitgebleven en door partijen is afgerekend op voormelde wijze met creditering van de consument voor € 1000,–. Dit wordt geacht de eindafrekening te zijn waarover artikel 7:764 BW handelt.
Hetgeen hierover in het juridisch betoog van de zijde van de ondernemer is aangevoerd, snijdt dus hout. Nu de ondernemer niet in verzuim is geraakt, is er geen grondslag voor een partiele ontbinding van het door partijen overeengekomene c.q. voor toekenning van een (vervangende) schadevergoeding. Bij dit laatste verdient nog overweging, dat hier nog wordt daargelaten de beoordeling of en wanneer de voor toekenning van (vervangende) schadevergoeding wettelijk vereiste omzettingsverklaring heeft plaatsgevonden.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Groen, bestaande uit
mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer B. van Swigchem en mr. W. van den Berg leden, op 20 december 2023.