Consument voelt zich gediscrimineerd door weigering in bus vanwege elektrische rolstoel

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Openbaar Vervoer    Categorie: Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 37998/41134

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument klaagt erover dat hij door zijn elektrische rolstoel niet mee mocht in de bus. De consument voelt zich hierdoor gediscrimineerd. De ondernemer geeft aan dat hij elektrische rolstoelen in haar stadsbussen weigert vanwege het niet kunnen garanderen van de veiligheid. Uit onderzoek is gebleken dat de veiligheid niet gegarandeerd kan worden nu bij bochten onveilige situaties ontstaan met de elektrische rolstoel. De commissie oordeelt dat er sprake is van veiligheidsrisico’s in de bus ingeval van elektrische rolstoelen. De ondernemer is vrij om beslissingen hierover te nemen. Daarnaast mag de ondernemer op grond van de algemene voorwaarden voor het stads- en streekvervoer elektrische voertuigen weigeren. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft het weigeren van een elektrische rolstoel in de bus.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

[Naam ondernemer] te [plaatsnaam] heeft mij geweigerd in bussen in 2015 en 2018 omdat ik met een WMO elektrische rolstoel ben. Ik heb zelf vriendelijke verzoekbrieven voor oplossing gestuurd maar met [ondernemer] lukt het niet. Via ART1.nl, en advocaat zonder een zaak. [Ondernemer] blijft van mening dat elektrische rolstoelen ongewenst zijn in de [ondernemer]-bussen. Ik ben afhankelijk van een kleine accu 24 uur/w, 7 dagen/w. Ik rij overal in Nederland tot 2018 met bussen. De rolstoel voldoet aan algemene-voorwaarden-stad- en-streekvervoer. Ik heb een bewijs voor gebruik ook door OV-U. [Plaatsnaam].

Door het [ondernemer] besluit mij te weren uit de bus, voel ik mij gediscrimineerd. Deze brief stuur ik u niet alleen op persoonlijke titel, maar namens alle mensen in een elektrische rolstoel die door uw busmaatschappij geweerd worden.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

[Naam consument] heeft op 12 november 2019 een soortgelijke procedure aanhangig gemaakt bij het College voor de Rechten van de Mens. Het College is daarbij verzocht te beoordelen of [ondernemer] in strijd handelt met de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (“WGBh/c”) en de bijbehorende regelgeving. Uit de klacht van [consument] in die procedure blijkt dat hij zich als gebruiker van een elektrische rolstoel gediscrimineerd voelt omdat [ondernemer] geen gebruikers van elektrische rolstoelen toelaat in de bus. Op 10 februari 2020 heeft [ondernemer] een uitgebreid verweerschrift bij het College voor de Rechten van de Mens ingediend. Hieruit blijkt kort gezegd dat [ondernemer] elektrische rolstoelen in haar stadsbussen weigert vanwege het niet kunnen garanderen van de veiligheid. Elektrische rolstoelen kunnen door hun gewicht en (auto-)mobiliteit in combinatie met de (soms onvoorspelbare) manoeuvres van een stadsbus een ernstig veiligheidsrisico vormen voor zowel de gebruikers zelf als voor de medereizigers.

Onderzoeken hebben aangetoond dat een elektrische rolstoel bij bochten naar rechts, zelfs bij geringe snelheid, gaat schuiven. De mondelinge behandeling van dit geschil zou op 31 maart 2020 plaatsvinden, maar heeft door de uitbraak van het covid-19 virus nog geen doorgang kunnen vinden. Partijen zijn nog in afwachting van een nieuwe datum voor de zitting. [Ondernemer] vindt het risico dat de elektrische rolstoel van zijn plaats zou kunnen schieten bij (onverwachte) bewegingen onaanvaardbaar hoog. Zij hanteert daardoor al enkele jaren het beleid dat gebruikers van elektrische rolstoelen niet mee mogen met haar stadsbussen. [Ondernemer] handelt daarbij volgens de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en is van mening dat zij niet anders kan en mag handelen. Ter onderbouwing van de reactie van [ondernemer] op het onderhavige geschil bij de Geschillencommissie Openbaar Vervoer wordt verwezen naar het verweerschrift dat als hier herhaald en ingelast is te beschouwen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Geconcludeerd kan worden dat de incidenten waarop de consument zijn klacht baseert dateren van 2015 en 2018. Uit het reglement van de commissie volgt het volgende.

Artikel 6.1. De commissie verklaart op verzoek van de ondernemer – gedaan bij eerste gelegenheid – de consument in zijn klacht niet ontvankelijk indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop hij de klacht bij de ondernemer indiende bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.

De ondernemer heeft zich niet beroepen op het verstreken zijn van de voor een klacht toepasselijke termijn zodat de commissie niet tot haar niet-ontvankelijkheid kan concluderen.

Dat staat er niet aan in de weg dat de commissie zich op grond van artikel 3 van haar reglement in principe dient te buigen over de concrete overeenkomst(en) waarvan melding wordt gemaakt in de klacht.

Artikel 3.1 De commissie heeft tot taak geschillen tussen consument en ondernemer te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot het openbaar personenvervoer in Nederland

De commissie voelt zich in het beoordelen van de klacht onthand door de datering van de betreffende vervoersovereenkomsten en de argumenten van de consument die zich voor een groot deel in de huidige tijd bevinden. De commissie merkt voorts op dat de consument aanvoert dat hij door andere vervoerders nu wel wordt vervoerd met zijn elektrische rolstoel. Hij maakt ook melding van een relatief gering gewicht van de door hem gebruikte rolstoel, waardoor de veiligheidsrisico’s gering zijn. De commissie is ervan op de hoogte dat er ontwikkelingen zijn op technisch gebied en op het gebied van nieuwe voertuigen. In hoeverre dit zich specifiek uitstrekt tot de ondernemer in de betreffende periode, is niet direct inzichtelijk. Aannemelijk is echter dat er sprake is van veiligheidsrisico’s in de bus ingeval van elektrische rolstoelen. Voorts blijft overeind dat de ondernemer de verantwoordelijkheid draagt voor de reizigers in zijn bussen en een zekere (beleids)vrijheid toekomt om daarin beslissingen te nemen. De commissie kan niet overzien welke omstandigheden in concreto aan de orde waren op de momenten die de consument heeft aangegeven.

De Algemene voorwaarden voor het stads- en streekvervoer geven de vervoerder het recht om elektrisch aangedreven voertuigen te weigeren.

De door de consument overgelegde brief van [naam bus] met betrekking tot openbaar vervoer in [plaatsnaam] is opgesteld in 2018 en heeft betrekking op de eigen organisatie. Er is onvoldoende aanleiding in wat de consument heeft aangevoerd om te kunnen vaststellen dat geen enkele gevaarzetting uitging van de aanwezigheid van de elektrische stoel van de consument in de betreffende bus van de vervoersovereenkomst die de consument voor ogen heeft. In het algemeen kan worden aangehaakt bij de constatering van het voorbereidend rapport dat voor het College voor de rechten van de mens is opgesteld.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer zijn beroep op de veiligheidsexceptie van artikel 3, eerste lid, onder a, WGBh/cz, die voor de ondernemer naar zijn aangeven een reden is voor haar handelen, niet ontzegd kan worden. Het veiligheidsaspect vormt kennelijk een doorslaggevende rol voor [naam ondernemer] om elektrische rolstoelen te weren in haar stadsbussen. De commissie acht daartegen onvoldoende tegenwerping geboden door de consument om de opgeworpen, in het niet nabije verleden gelegen, vervoersovereenkomsten.

De ondernemer heeft een weergave gegeven van haar onderzoeken. Hij stelt daaruit het volgende.
Uit alle door [ondernemer] uitgevoerde testen met de elektrische rolstoel met zwenkwielen aan de voorzijde is geconstateerd dat bij bochten naar rechts onveilige situaties ontstaan en het risico op letsel voor de gebruiker en de overige reizigers onacceptabel hoog wordt. Met geblokkeerde wielen slipt en draait de elektrische rolstoel uit de opstelplaats waarbij de vangbeugel niet de stoel maar de gebruiker opvangt. Alle optredende krachten worden via de gordel direct op de gebruiker uitgeoefend. Zowel de opvangbeugel als de gordelkrachten veroorzaken een verhoogd risico op letsel voor de gebruiker van de elektrische rolstoel.

Aangenomen moet worden dat sprake is geweest van deugdelijk onderzoek. Vooralsnog moet van de uitkomsten daarvan uitgegaan worden. De commissie stelt vast dat de College voor de Rechten van de Mens dat op 7 december 2020 in haar oordeel op de klacht van de consument over een weigering in april 2016 ook gedaan heeft. De ondernemer heeft overigens aangegeven door gebruik van andere materialen en met de nieuw te bestellen bussen rekening te houden met de mogelijkheid tot vervoer van elektrische rolstoelen in bussen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Wijst het verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbaar Vervoer, bestaande uit de heer mr. J.M.J. Godrie, voorzitter, de heer mr. D. van Setten, de heer mr. M.A. Keulen, leden, op 17 december 2020.