Correctienota voor warmteverbruik terecht; klacht ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1309447/1317222

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kreeg in april 2025 een correctienota van € 1.700,- en vindt dat deze niet kan kloppen. Hij vraagt de commissie om zijn verbruik opnieuw te beoordelen. Uit de stukken blijkt dat de consument bij het begin van zijn warmtelevering in maart 2024 zelf geen beginstand van de warmtemeter heeft doorgegeven, terwijl dat volgens de leveringsvoorwaarden wél zijn verantwoordelijkheid was. De ondernemer moest daarom eerst een schatting gebruiken. Later stuurde de verhuurder alsnog de juiste beginstand door, die hoger bleek te zijn. Daardoor had de ondernemer eerder te weinig verbruik berekend en volgde terecht een correctienota. De warmtemeter is bovendien in december 2025 gecontroleerd en bleek goed te functioneren. De consument heeft daarnaast een aanzienlijke betalingsachterstand opgebouwd doordat hij zowel de jaarnota als voorschotten niet betaalt. Omdat niet aannemelijk is dat de meterstanden onjuist zijn en de correctie voortkomt uit een fout die de consument zelf veroorzaakte, verklaart de commissie de klacht ongegrond en wijst zij het verzoek af.

De volledige uitspraak

Samenvatting
De consument heeft in april 2025 een nota gekregen van de ondernemer en moet van de ondernemer
€ 1.700,- betalen. Die nota kan niet kloppen.
De consument vraagt de commissie om naar zijn verbruik te kijken.
De commissie wijst het verzoek af.

Beoordeling
Uit de stukken blijkt het volgende.
De consument en de ondernemer hebben op 8 maart 2024 een overeenkomst gesloten voor de levering van warmte.
Toen de consument op het leveringsadres ging wonen heeft hij de beginstand van de warmtemeter op zijn adres niet doorgegeven aan de ondernemer. Op zijn eerste nota van 16 maart 2025 heeft de ondernemer zijn verbruik van warmte berekend op basis van geschatte standen.
Later ontving de ondernemer alsnog de iets hogere beginstand, die in een opleverrapport van de verhuurder was opgenomen, en toen is de eerste nota gecorrigeerd met de nota uit april 2025.

De commissie is van oordeel dat iedere consument zijn energieverbruik moet betalen.
In dit geval betekent dat, dat de consument zijn warmteverbruik moet betalen.
De ondernemer berekent dat verbruik aan de hand van de meterstanden die hij heeft bij het opmaken van de jaarnota. Belangrijk zijn dan de standen aan het begin van de levering en de standen op het moment dat de jaarnota wordt opgemaakt.

De ondernemer had geen beginstand bij het opmaken van de jaarnota 2025 en daarom heeft de ondernemer die geschat.
De ondernemer kon niet anders, omdat hij verplicht is ieder jaar een nota te sturen.
De consument heeft toen op basis van die berekening de jaarnota van 16 maart 2025 gekregen.
Later heeft de verhuurder de stand wel doorgegeven zoals die was toen de consument op het adres ging wonen. Toen bleek dat de ondernemer een te laag verbruik had berekend en daarom kreeg de consument de correctienota.
De commissie heeft geen reden om te denken dat de berekening van het echte warmteverbruik van de consument niet kan kloppen. De ondernemer heeft de commissie nog laten weten dat de warmtemeter in de woning van de consument in december 2025 is gecontroleerd en toen bleek de meter in orde te zijn.

De ondernemer heeft het recht om in dit geval een correctienota te sturen, hoe vervelend de consument dat ook vindt.
Ter zitting heeft de consument gezegd dat hij vond dat de verhuurder de beginstand had moeten doorgeven.
Dat standpunt is naar het oordeel van de commissie onjuist.
Op basis van de leveringsvoorwaarden, die betrekking hebben op de overeenkomst die de consument en de ondernemer hebben afgesloten, was de consument verplicht de beginstanden van zijn meter door te geven.

De consument denkt dat hij voor verwarming nooit zoveel verschuldigd kan zijn omdat hij een voorschot van € 76,- per maand betaalt en nauwelijks gas gebruikt. Feit is alleen dat hij vanaf juni 2025 die € 76,- aan een andere ondernemer betaalt voor zijn stroomverbruik. Van de ondernemer heeft hij nooit gas geleverd gekregen. Tot juni 2025 kreeg hij van de ondernemer elektriciteit en warmte geleverd. Hij krijgt nog steeds warmte geleverd van de ondernemer. Ondertussen weigert de consument zowel de jaarnota van maart 2025 (voor warmte en elektriciteit) als de maandelijkse voorschotbedragen voor zijn warmteverbruik te betalen, waardoor zijn betalingsachterstand steeds verder oploopt (inmiddels al meer dan € 3.000,-).

Nu niet aannemelijk is dat de door de ondernemer gehanteerde (warmte)meterstanden niet juist waren en de doorgevoerde (in omvang beperkte) correctie van de beginstand aan de consument zelf te wijten is, is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. I.E. de Vries, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 4 maart 2026.

 

Opslaan als PDF