Dakbedekking bijkeuken, factuur hoger dan prijsopgave, consument schort ten onrechte betaling op

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Klussenbedrijven    Categorie: Betaling    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: KLU00-0015

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een in december 1999 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het vervangen van de dakbedekking van een bijkeuken met bijkomende werkzaamheden tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van ƒ 806,05. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op of omstreeks 1 februari 2000.   De consument heeft een bedrag van ƒ 406,05 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.   De consument heeft op 16 mei 2000 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Ik heb eerst een discussie met de ondernemer gehad over het door deze in rekening gebrachte bedrag ad ƒ 806,05. Bij de prijsopgave sprak de ondernemer over “ƒ 400,– à ƒ 500,–”. Toen de factuur kwam, bleek het ineens ƒ 806,05 te zijn. Ik heb de factuur pas eind maart 2000 ontvangen. Bij brief van 2 april heb ik daarop gereageerd en na het antwoord van de ondernemer heb ik bij brief van 10 april onder protest ingestemd met het bedrag, om van de zaak af te zijn. Bij de oplevering van het werk begin februari was ik met de ondernemer overeengekomen dat de kosten in twee maandelijkse termijnen konden worden betaald. Ik heb dus op 5 mei ƒ 400 betaald. Intussen was ik niet overtuigd van de kwaliteit van het geleverde werk en ik heb daarom een deskundige daarnaar laten kijken. Die constateerde een aantal gebreken. De stroken in de daktrim zitten los, in het dakvlak zitten plooien, de stroken aan de muurzijde zijn niet geplaatst, onder de lekdorpels bevinden zich geen stroken en de pijp van de afzuiger is te laag ingebrand. Bij brief van 16 mei heb ik de ondernemer van deze gebreken op de hoogte gesteld en meegedeeld dat wij pas tot betaling van de tweede termijn zouden overgaan, als alle gebreken waren hersteld. Een week later kregen wij lekkage. Ook daarvan heb ik de ondernemer in kennis gesteld. Deze wil echter niets doen voordat hij betaling heeft ontvangen. Ik ben echter van mening dat ik pas behoef te betalen, als het werk is afgerond. De relatie is inmiddels ernstig verstoord, zodat ik niet met deze ondernemer verder wil.   De consument verlangt kwijtschelding van het openstaande bedrag, zodat hij een derde kan inschakelen om het werk af te maken.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   Op verzoek van de consument heb ik een schattingsprijs, die dus niet bindend was, opgegeven. Deze was gebaseerd op enkel het aanbrengen van een nieuwe toplaag over het bestaande dak. Later bleek er echter meerwerk nodig (o.m. bestaande uit het opnieuw op afschot maken van het dakvlak) en de consument moet zich er dus van bewust zijn geweest dat de kosten hoger zouden worden. Ik heb dus zonder meer recht op het totaalbedrag ad ƒ 806,05. Ik heb daarvoor op 12 februari 2000 een factuur gestuurd, dus niet lang nadat het werk was opgeleverd. Bij de oplevering was afgesproken dat de factuur in twee maandelijkse termijnen kon worden betaald. Toen ik eind maart nog geen betaling had gekregen, heb ik contact met de consument opgenomen. Hij beweerde dat hij geen factuur had ontvangen. Op zijn verzoek heb ik hem een kopie gestuurd. Tevens heb ik de consument, die protesteerde tegen het bedrag, uitgelegd waarom dit hoger was dan het schattingsbedrag. De consument ging toen onder protest akkoord. Rond 5 mei kwam de eerste helft binnen. De tweede helft moet ik nog krijgen. De consument is met gebreken komen aanzetten op een tijdstip waarop de gehele factuur allang betaald had moeten zijn en ik ben daarom niet van plan naar de gestelde onvolkomenheden te kijken voordat ik betaling heb ontvangen.   Deskundigenrapport   De door de commissie ingeschakelde deskundige heeft blijkens zijn rapport, voorzover thans van belang, het volgende vastgesteld.   De totaalprijs voor dit werk ad ƒ 806,05 is laag te noemen. Het dak is redelijk uitgevoerd, met wat kleine schoonheidsfoutjes: de afwerking van de dakrand is niet voldoende. Op zijn minst is goed afkitten noodzakelijk. De dakuitloop, die opnieuw is gebruikt, is lek. De afzuigventilator is niet correct ingeplakt. Er zijn enkele kleine plooien zichtbaar. Het zinken hoekje is niet afgemaakt. Hier en daar zijn zwarte plekken zichtbaar, waar de dakbedekking te heet is gestookt.   Herstel van de gebreken is mogelijk. De kosten daarvan begroot ik op ƒ 581,63.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   De consument heeft uiteraard recht op behoorlijk uitgevoerd werk. In principe is de ondernemer dan ook aansprakelijk voor de door de deskundige geconstateerde onvolkomenheden. In dit geval kan de commissie het echter billijken dat de ondernemer pas tot herstel wil overgaan nadat hij volledige betaling heeft ontvangen. Partijen zijn het erover eens dat begin februari 2000, toen het werk was opgeleverd, betaling in twee maandelijkse termijnen is overeengekomen. De consument kon er dus toen al rekening mee houden dat het volledige bedrag uiterlijk rond 1 mei betaald moest zijn. Het lag dus voor de hand om bij de ondernemer te informeren waar de factuur bleef, toen de consument deze niet kort na de datum van oplevering had ontvangen, zoals hij stelt. De commissie acht het derhalve niet redelijk dat de consument de betalingstermijnen pas wil laten ingaan na ontvangst van de kopie factuur. Hieraan doet de discussie over de hoogte van het factuurbedrag niet af, te minder nu dit, zoals uit het deskundigenrapport blijkt, in redelijke verhouding staat tot de omvang van het werk. Onder normale omstandigheden zou het volledige factuurbedrag dus op 16 mei 2000, de datum waarop de consument een aantal gebreken aan de ondernemer meldde, betaald zijn. Die gebreken hadden bovendien op een veel eerder tijdstip bekend en aan de ondernemer gemeld kunnen zijn. Onder deze omstandigheden kan de consument naar redelijkheid en billijkheid geen beroep doen op het hem in principe toekomende opschortingsrecht.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is, zodat als volgt wordt beslist.   Beslissing   Het door de consument verlangde wordt afgewezen.   Het depotbedrag wordt aan de ondernemer overgemaakt. De ondernemer is gehouden om, indien de consument dit wenst, de gebreken op de wijze als vermeld in het deskundigenrapport te herstellen nadat hij het depotbedrag heeft ontvangen. De consument is terzake daarvan geen vergoeding verschuldigd.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Klussenbedrijven op 22 juni 2001.