De auto staat op naam van een bedrijf. De facturen worden gebruikt om de betaalde BTW te verrekenen. De consument wordt ook door de belastingdienst aangeslagen voor het privégebruik van de auto.

  • Home >>
  • Voertuigen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: VOE 08-212

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 20 november 2002 aan de consument geleverde nieuwe bedrijfsauto [merk en type], die omstreeks 8 april 2008 een gebrek vertoonde, welk gebrek door de ondernemer – in de coulanceaanvraag aan de importeur van 15 april 2008 – wordt omschreven als:” Motor begint lawaai te maken, lagers krukas stuk, oorzaak: gietzand aan binnenzijde motor; grote stukken hangen er nog in.” Het aan de consument bij te dragen coulancebedrag is door de importeur vastgesteld op 50% van de kosten, op grond van het gebruik door de consument.

De werkzaamheden zijn inmiddels verricht.   De consument heeft op 8 april 2008 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   In het kader van de nieuw voor oud regeling heb ik voorgesteld om 32% van de materiaalkosten te vergoeden. De basis daarvoor is het gebruik gedurende 80.000 kilometer tegen de normaal te verwachten kilometerstand van 250.000. Het zand heeft vanaf de aflevering in de motor gezeten en heeft gedurende die tijd vernietigend werk gedaan.   Namens de consument wordt daar – samengevat – aan toegevoegd.   De auto is op 18 november 2002 geleverd. In het eerste kwartaal van 2008 begon de motor lawaai te maken. Wij verwachten dat de ondernemer een bijdrage levert in de kosten. De gebreken zijn nog niet hersteld. In artikel 7:17 BW staat dat de auto aan de overeenkomst moet beantwoorden, hetgeen hier niet het geval is. De consument heeft recht op herstel van de schade.   De consument verlangt dat de ondernemer wordt verplicht een hogere bijdrage aan de consument te betalen dan het door de ondernemer gedane aanbod.   Standpunt van de ondernemer   De ondernemer heeft schriftelijk geen verweer gevoerd.   Ter zitting heeft de ondernemer naar aanleiding van gestelde vragen ter zake van de hoofdzaak verklaringen afgelegd.   De ondernemer heeft omstreeks 21 april 2008 (via de importeur) een vergoeding aangeboden van 50% van de materiaalkosten, welke € 2.436,54 bedragen.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie. Uit het deskundigenrapport blijkt dat sprake is van een BTW auto. De consument heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij een eenmanszaak heeft. Het is juist dat de auto op de zaak staat en dat facturen worden gebruikt om de door het bedrijf betaalde BTWte verrekenen. De consument wordt ook door de belastingdienst aangeslagen voor het privégebruik van de auto.   Ter zitting heeft de consument zich op het standpunt gesteld er vanuit te kunnen gaan dat zijn verzoek inhoudelijk wordt behandeld omdat het secretariaat, na correspondentie daarover, de zaak in behandeling heeft genomen.   De commissie is van oordeel dat de consument niet voldoet aan de in artikel 1 van het Reglement der Geschillencommissie voertuigen gestelde criteria voldoet, omdat hij niet kan worden aangemerkt als een persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Verzoeker wordt door de commissie daarom aangemerkt als ondernemer.   Nu de commissie niet bevoegd is geschillen tussen ondernemers te behandelen, zal de commissie zich onbevoegd verklaren.   Het verweer van de consument leidt niet tot een andere beslissing. Immers, ook zaken waarin de onbevoegdheid van de commissie reeds aanstonds duidelijk is, plegen aan de commissie ter beslissing te worden voorgelegd. Het al dan niet in behandeling nemen van een zaak door het secretariaat heeft mitsdien een ander doel en betekenis dan de consument daaraan heeft gegeven.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het geschil, nu partijen beide moeten worden aangemerkt als ondernemer.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen op 16 december 2008.