Deels gegronde klacht: ondernemer schiet tekort in opgave aan Noodfonds

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarafrekening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: deels gegrond   Referentiecode: 830457/1002255

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagde over een te hoge jaarafrekening en het mislopen van een uitkering van het Noodfonds, omdat de ondernemer een te laag verbruik had doorgegeven. De Geschillencommissie Energie oordeelde dat de jaarafrekening correct was berekend op basis van werkelijke meterstanden, maar dat de ondernemer nalatig was in het tijdig aanpassen van het voorschotbedrag en het doorgeven van het gestegen verbruik aan het Noodfonds. Hierdoor verloor de consument de kans op een succesvolle aanvraag. De commissie waardeerde die verloren kans op € 200,– en verlaagde de jaarafrekening met dat bedrag. De resterende € 677,86 mag in ten minste 12 termijnen worden voldaan. De klacht werd deels gegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de hoogte van de jaarafrekening van 11 december 2024 met een bij te betalen bedrag van € 877,86 en met name de vraag in hoeverre de ondernemer een juiste opgave van het verbruik van de consument heeft gedaan in verband met haar aanvraag om steun bij het Tijdelijk Noodfonds Energie.

De consument heeft op 13 december 2024 de klacht bij de ondernemer ingediend.

Na de depotbeslissing van de commissie heeft de consument een bedrag van € 200,– bij de commissie in depot gestort.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer heeft een te laag verbruik aan het Noodfonds doorgegeven waardoor de
consument geen vergoeding krijgt van het steunfonds en een bedrag van € 877,86 moet
bijbetalen.

De aanvraag is door het Noodfonds afgewezen omdat het verschil tussen het inkomen en de energiekosten niet hoog genoeg is. Het Noodfonds heeft gerekend met de door de ondernemer gecontroleerde gegevens. Het Noodfonds kijkt met de gegevens van de consument naar wat zij daadwerkelijk per maand zou moeten betalen om te voorkomen dat op de jaarnota geen schuld wordt opgebouwd. Voor het bepalen van de gemiddelde maandelijkse energielasten vraagt het Noodfonds bij de ondernemer informatie over de energierekening op. De ondernemer kijkt dan naar de reeds gefactureerde voorschotbedragen vanaf de laatste jaarnota en de te verwachten kosten tot aan de nieuwe jaarnota. Aldus berekent het Noodfonds de werkelijk verwachte maandelijkse energielasten.

Ter zitting heeft de consument verder nog in hoofdzaak het volgende naar voren gebracht.

De ondernemer heeft gegevens doorgegeven die niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Ten tijde van de opgave in maart 2024 kon men het drastisch gestegen verbruik zien. De ondernemer is nalatig geweest. De consument gaf telkens aan een hoger voorschot te willen betalen, maar daarop reageerde de ondernemer niet. Ook heeft men niet gevraagd naar de oorzaak van het sterk gestegen verbruik. Dit is te wijten aan een chronische ziekte van de consument waardoor de luchtvochtigheid in de woning laag moet blijven. Het is de consument niet bekend hoe groot de uitkering van het Noodfonds zou zijn. Er wordt een vast bedrag uitbetaald. Gas en licht zouden op een bedrag van € 110,– per maand uitkomen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een slimme elektriciteitsmeter en een slimme gasmeter. De levering is gestart op 30 november 2021 met een voorschotbedrag van € 41,– per maand. De eerste jaarafrekening leverde een te ontvangen bedrag van € 507,63; de tweede jaarafrekening kwam uit op een bij te betalen bedrag van
€ 266,69. De laatste jaarafrekening kende een bijbetaling van € 877,86. Hierna klaagde de consument over de te lage termijnbedragen. De ondernemer bood een betalingsregeling in 10 termijnen aan. De consument klaagde ook over een te lage opgave van haar verbruik aan het Noodfonds waardoor haar aanvraag werd afgewezen. Op 13 december 2024 is de consument overgestapt naar een andere leverancier voor gas en heeft zij op 28 november 2024 een eindnota ontvangen.

Op 24 maart 2025 heeft de ondernemer op verzoek van de consument het termijnbedrag verhoogd van
€ 77,– per maand naar € 120,– per maand.

De ondernemer betwist dat de consument door zijn toedoen geen uitkering van het noodfonds heeft ontvangen en dat de jaarafrekening van 2024 onredelijk hoog is uitgevallen. Het Noodfonds is verantwoordelijk voor de verwerking van de aangeleverde gegevens. De ondernemer heeft de berekening gemaakt op grond van het historisch verbruik en een indicatie van het te verwachten verbruik tot aan de jaarafrekening. De criteria die het Noodfonds hanteert zijn dat het inkomen maximaal 200% van het sociaal minimum mag zijn en dat de energiekosten hoger zijn dan 8 tot 10% van het inkomen.

De aanvraag van het Noodfonds was van 6 maart 2024. Het is niet mogelijk om een verbruik dat onverwacht toeneemt te betrekken in de ten behoeve van het Noodfonds te maken berekening.

Na de jaarafrekening van 2024 is het termijn bedrag verhoogd naar € 77,–. Als een aanvraag was gedaan bij het Noodfonds dan zou het maximale inkomen € 770,– per maand zijn geweest. Dat is lager dan de bijstand. Het is dan ook waarschijnlijk zelfs met inachtneming van het hogere elektra verbruik in 2024 dat de consument geen steun zou hebben ontvangen.

Uit de meetgegevens blijkt dat de consument vanaf 30 november 2023 tot 7 december 2024 in totaal 3320 kWh heeft verbruikt en het jaar ervoor 1760 kWh. De meters hebben goed gefunctioneerd.

Het termijnbedrag was na de aanzienlijke teruggave in 2022 vastgesteld op € 23,– per maand, in 2023 werd dat € 27,– en in 2025 is het verhoogd tot € 77,– per maand.

De consument heeft eerst op 21 maart 2025 een verzoek tot aanpassing van het termijnbedrag gedaan. Het is juist dat het elektriciteitsverbruik van de consument al vanaf augustus 2023 is gaan stijgen en niet pas vanaf april 2024.

Ter (digitale) zitting heeft de ondernemer verder nog het volgende naar voren gebracht.

Het verbruik dat er verwacht wordt kan niet worden doorgegeven, slechts het te verwachten verbruik op grond van het historisch verbruik kan worden betrokken in de berekening voor het Noodfonds. Zelfs bij een hoger verbruik zou de aanvraag zijn afgewezen. De ondernemer is niet bekend met de hoogte van de bedragen die het noodfonds uitkeert. De bedragen worden met de facturen verrekend. Hoe het precies gaat weet de ondernemer niet. Bij een maandbedrag van € 77,– bestaat er geen recht op een uitkering.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In dit geschil klaagt de consument over de hoogte van de jaarafrekening en de opgave van het verbruik door de ondernemer aan het noodfonds.

Voor wat betreft de hoogte van de jaarafrekening

De consument stelt in haar klacht weliswaar dat de rekening te hoog is uitgevallen, maar betwist de meterstanden en/of de gehanteerde tarieven niet. Ook twijfelt zij niet aan het functioneren van de meter en erkent zij dat met name haar elektriciteitsverbruik vanaf medio 2023 aanzienlijk is gestegen.
Op grond hiervan kan de commissie tot geen ander oordeel komen dat het verbruik op de jaarafrekening van 11 december 2024 op de juiste wijze is berekend.

Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

Voor wat betreft de aanvraag bij het Noodfonds

De commissie is van oordeel dat de ondernemer op dit punt is tekortgeschoten. Het was al vanaf medio 2023 zichtbaar voor de ondernemer, die dat aanvankelijk betwistte, dat het elektriciteitsverbruik fors toenam en dat gold nog in sterkere mate voor de laatste afrekenperiode. Er was sprake van een slimme meter dus ook de ondernemer had zicht op het verbruik van de consument, maar zag kennelijk geen aanleiding om het naar achteraf is gebleken veel te lage maandbedrag niet aan te veel hogere verbruik aan te passen, zodat de consument rechtstreeks afkoerste op een hoge jaarafrekening, zoals het geval is geweest.

Het is niet uit te sluiten dat indien en voor zover de maandbedragen eerder fors waren verhoogd, en daarmee ook het te verwachten verbruik zou zijn verhoogd, dat de aanvraag bij het Noodfonds wel succesvol was geweest. De ondernemer stelt in dit verband dat een bedrag van € 77,- niet genoeg was geweest om voor een uitkering in aanmerking te komen, maar gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat dit bedrag voldoende was om het verbruik op jaarbasis te dekken en zou zorgen voor een jaarafrekening zonder (aanzienlijke) bijbetaling.

Ook heeft de ondernemer niet duidelijk kunnen maken waarom het duidelijk hogere (feitelijke) verbruik niet aan het Noodfonds kon worden doorgegeven. Dit had wel van de ondernemer mogen worden verwacht te meer daar hij ervan op de hoogte was dat de consument enkel beschikte over een Bijstandsuitkering, zodat het in de rede ligt om bij een aanvraag bij het Noodfonds uiterst zorgvuldig en in het belang van de consument te werk te gaan. Daarin is de ondernemer tekortgeschoten.

Het is ook waarschijnlijk dat dit tekortschieten tot (enige) schade voor de consument zou hebben geleid, niet duidelijk is geworden hoe groot die schade is c.q. had kunnen zijn. Wel is daardoor de kans op een beter resultaat van de aanvraag verloren gegaan. Naar billijkheid begroot de commissie de waarde van die verloren gegane kans op een bedrag van € 200,– en zal zij bepalen dat de jaarafrekening van 11 december 2024 met een bedrag van € 200,– wordt verminderd zodat een te betalen bedrag van € 677,86 resteert.

Het ligt in de rede dat de ondernemer voor de betaling van dat bedrag een ruime betalingsregeling met een duur van tenminste 12 maanden met de consument treft, nu de nabetaling deels het gevolg is geweest van het in rekening brengen van een te laag voorschot waarvoor de ondernemer in beginsel verantwoordelijk is.

Nu de commissie een depotbedrag heeft ontvangen dat ter garantie van de betaling van (een deel van) de jaarafrekening bij haar in depot is gestort, zal de commissie dit bedrag aan de ondernemer overmaken.

Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie bepaalt dat de jaarafrekening van 11 december 2024 met een bedrag van € 200,– wordt verminderd.

De commissie verstaat dat partijen over de betaling van het restant van de jaarafrekening een betalingsregeling van tenminste 12 termijnen overeenkomen.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Voorts zal aan de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 200,00

Depotverrekening, bedrag aan consument € 0

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 22 juli 2025.

Opslaan als PDF