Depotstorting vereist voor behandeling geschil over eindnota en voorschot

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Depotbeslissing    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: voorbeslissing   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1109934/1183194

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument diende een klacht in over het verbruik op de eindnota van 4 april 2025 en de betaling van een voorschotfactuur voor april, samen goed voor € 1.686,41. Hij betwistte het voorschotbedrag van € 578,–, dat volgens hem al aan zijn nieuwe leverancier is voldaan, en vroeg om ontheffing van depotstorting. De ondernemer stelde dat het voorschot onderdeel is van de eindnota en dat een depot van € 1.108,41 vereist is als betalingsgarantie. De Geschillencommissie Energie oordeelde dat de consument geen financiële ontheffing heeft onderbouwd en dat inhoudelijke bezwaren geen reden zijn om af te zien van depotstorting. De consument moet het bedrag van € 1.108,41 binnen vier weken in depot storten voordat het geschil inhoudelijk wordt behandeld.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft het op de eindnota van 4 april 2025 door de ondernemer in rekening gebrachte verbruik en de betaling van de voorschotfactuur van april 2025.

De consument heeft op 7 april 2025 de klacht bij de ondernemer ingediend.

De consument heeft een bedrag van € 1.686,41 niet betaald.

De commissie bepaalt dat de consument gehouden is een bedrag van € 1.108,41 in depot bij de commissie te storten alvorens het geschil door de commissie inhoudelijk kan worden behandeld.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument ontving een verzoek tot het doen van een depotstorting voor een bedrag van € 1.686,41. Dit bedrag bestaat uit het bedrag van de eindnota van € 1.108,41 en het onterechte bedrag van het voorschot van de maand april van € 578,–. Het eerste bedrag wordt niet betwist door de consument. Daarvoor heeft de consument, die op 28 maart 2025 is overgestapt naar een andere leverancier, een regeling gevraagd. De daarvoor door de ondernemer gestelde voorwaarden zijn onterecht. Het maandbedrag van de maand april 2025 heeft de consument al aan zijn nieuwe leverancier betaald.

Op die gronden verzoekt hij ontheffing van de depotstorting voor het bedrag van de eindnota en voor het voorschot van april 2025.

De consument is van mening dat aan hem ten onrechte wordt gevraagd een bedrag in depot te storten dat hij al aan zijn nieuwe leverancier heeft voldaan.

De consument is van mening dat het klachtwaardig is dat van hem een depotstorting wordt verlangd.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De maandfactuur van de maand april 2025 maakt deel uit van de eindnota. Als de factuur wordt gecrediteerd wordt het bedrag van € 578,– bij het saldo van de eindnota van € 530,41 opgeteld.

Het totale bedrag van € 1.108,41 dient in depot gestort te worden als garantie voor de ondernemer dat de uitspraak van de commissie daadwerkelijk wordt nagekomen door de consument.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Het reglement van de commissie bepaalt dat de commissie, voor zover de consument de betaling van een goed of dienst waarover het geschil gaat, achterwege heeft gelaten, in de regel zal verlangen dat de consument een bedrag ten hoogste gelijk aan het nog openstaande bedrag bij haar deponeert.

Kern van de geschillenregeling is dat de ondernemer moet gedogen dat een geschil door de commissie wordt behandeld, als de consument dit wenst. Hiertegenover staat dat de ondernemer verzekerd moet zijn van de betaling van datgene dat volgens de commissie verschuldigd is. Die zekerheid wordt verkregen door de in het reglement van de commissie voorgeschreven depotstorting. De consument lijdt hierdoor geen nadeel, omdat zij het depotbedrag terugkrijgt indien en voor zover de vordering van de ondernemer wordt afgewezen. Op die gronden is de consument in beginsel verplicht tot depotstorting. Van die verplichting kan geen ontheffing worden verleend enkel op de grond dat de depotstorting de consument slecht uitkomt of op grond van een inhoudelijke beoordeling van de vordering van de ondernemer door de commissie. Het past de commissie niet zich al een oordeel te vormen over het geschil voordat partijen hun standpunt hebben kunnen toelichten. De depotstorting staat naar zijn aard in beginsel los van een inhoudelijk oordeel over de vordering van de commissie en dient uitsluitend als zekerheid voor de betaling van de vordering van de ondernemer.

Slechts in het geval door de consument voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij niet over de financiële middelen beschikt om de verlangde depotstorting te doen, kan er naar redelijkheid en billijkheid aanleiding bestaan gehele of gedeeltelijke ontheffing te verlenen.

De consument heeft weliswaar verzocht om geen depotstorting te hoeven doen, maar dit verzoek is verder niet onderbouwd met stukken waaruit van zijn financiële onvermogen blijkt, zodat de commissie geen inzicht heeft gekregen in de inkomens- en vermogenspositie van de consument. De gronden van het ontheffingsverzoek zijn inhoudelijk van aard en nu niet aan de orde. De commissie ziet dan ook geen grond om de consument te ontheffen van een depotstorting. De commissie zal daarbij uitgaan van een bedrag van in totaal € 1.108,41, zoals door de ondernemer is aangegeven.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing

De commissie bepaalt dat de consument gehouden is een bedrag van € 1.108,41 in depot bij de commissie te storten alvorens het geschil door de commissie inhoudelijk kan worden behandeld.

De betaling dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzenddatum van deze beslissing.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. W.N. Kip, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 22 juli 2025.

Opslaan als PDF