Dubbel vastrecht is geoorloofd in rekening gebracht

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Water    Categorie: Kosten    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 21323/25801

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer naast het vastrecht voor de woning, ook jaarlijks een bedrag aan vastrecht in rekening mag brengen voor het zomerhuisje van de consument. Volgens de ondernemer is sprake van twee “verbruiksadressen” omdat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) op zijn adres sprake is van twee verblijfsobjecten, zijn woning en het vakantiehuisje. De consument wil geen dubbel vastrecht betalen omdat er sprake is van één aansluiting voor de beide huisnummers. Hij heeft zelf op eigen kosten een meter aangebracht bij het zomerhuisje. Binnen het kader van de Drinkwaterwet staat het volgens de ondernemer vrij om eenzijdig haar tarieven en voorwaarden te bepalen en zo nodig te wijzigen. De ondernemer voert daarbij aan dat de consument eigenaar is van een woning en een (naast die woning gelegen) zomerhuisje met een eigen huisnummer. Beide objecten zijn (separaat) opgenomen in de BAG. Omdat de woning als het zomerhuisje worden aangemerkt als separate verbruiksadressen, is daarom voor twee verbruiksadressen een vastrecht voor kleinverbruik in rekening gebracht bij de consument. De commissie stelt vast er niet is gebleken van een onredelijk gehanteerd vastrechttarief door de ondernemer, nu er in rekening wordt gebracht per ‘verbruiksadres’. De commissie voert daarbij aan dat de ondernemer de registratie in de BAG gebruikt om te bepalen of een aaneengesloten terrein, meerdere verbruiksadressen met een woon- of logiesfunctie kent. De ondernemer hanteert een voldoende objectieve maatstaf, waardoor van onrechtmatig gebruik van de BAG naar het oordeel van de commissie geen sprake is. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer met ingang van 1 januari 2019 naast het vastrecht voor de woning ook jaarlijks een bedrag van € 70,02 aan vastrecht in rekening mag brengen voor het zomerhuisje van de consument.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Naast zijn woning staat een zomerhuisje, dat in 2011 van de [naam gemeente] het huisnummer 1A heeft gekregen. Van de ondernemer ontving hij in oktober 2019 plotseling bericht dat met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 70,02 jaarlijks aan vastrecht in rekening zal worden gebracht voor het zomerhuisje.

Volgens de ondernemer is sprake van twee “verbruiksadressen” omdat in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) op zijn adres sprake is van twee verblijfsobjecten, zijn woning en het vakantiehuisje.

De consument wil geen dubbel vastrecht betalen want aan de feitelijke situatie van de waterlevering op zijn perceel is niets veranderd. Vanaf de weg is sprake van één aansluiting voor de beide huisnummers. Hij heeft zelf op eigen kosten een meter aangebracht bij het zomerhuisje.

Hij heeft meermalen zijn klacht kenbaar gemaakt maar de ondernemer wil niet meedelen wanneer, door wie en met welke motivering het besluit is genomen om vastrecht te gaan heffen met de BAG als grondslag. Hij is ook nooit op de hoogte gesteld van deze fundamentele wijziging inzake de vastrechtgrondslag.

Deze wijziging van de grondslag voor het vastrecht is niet rechtmatig, want de Wet BAG is nooit bedoeld om veranderingen in financiële regelingen mogelijk te maken. Het oogmerk was bescherming van de burger door middel van helderheid inzake de plaatsen waar mensen zouden kunnen verblijven. De BAG is dus door de ondernemer ten onrechte gebruikt.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De wetgever heeft in de Drinkwaterwet bepaald dat een drinkwaterbedrijf tarieven dient te hanteren die kostendekkend, transparant en niet discriminerend zijn (artikel 11 lid 1 Drinkwaterwet) en voorwaarden dient te hanteren die redelijk, transparant en niet discriminerend zijn (artikel 8 lid 3 Drinkwaterwet). Hierop wordt door de overheid ook toegezien. Daarmee is het kader voor de tarieven en voorwaarden gegeven.

Binnen dat kader staat het een drinkwaterbedrijf vrij eenzijdig haar tarieven en voorwaarden te bepalen en zo nodig te wijzigen, zoals onder meer is bevestigd door het hof Den Haag in arresten van 12 februari 2008 (ECLI:NL:GHSGR:2008:BC4322) en 10 maart 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:366).

De ondernemer streeft ernaar om op niet-discriminerende wijze haar kosten in rekening te brengen bij de afnemers van water. Het leveren van maatwerk is daarbij onmogelijk. Het werken met een in enige mate overzichtelijk systeem vergt het werken met verdedigbare ‘grootste gemene delers’. Tegen deze achtergrond heeft de ondernemer de keuze gemaakt om het vastrecht in rekening te brengen per “verbruiksadres”. In artikel 1 van de Tarievenregeling 2019 wordt uitgelegd dat een “verbruiksadres” een (recreatie)woning of bedrijf (al dan niet behorend tot een gezamenlijk bewoond of gebruikt perceel) is waarin ongemeten of gemeten drinkwater voor huishoudelijk en/of bedrijfsmatig verbruik wordt geleverd.

Om op geobjectiveerde wijze te kunnen vaststellen of sprake is van een (recreatie)woning of bedrijf, hanteert de ondernemer de BAG. Dat is een door de overheid in het leven geroepen, op een wettelijke grondslag berustend systeem waarvan de objectiviteit niet ter discussie staat. In geval een aaneengesloten terrein meerdere verbruiksadressen met een woon- of logiesfunctie kent, is volgens de Tarievenregeling 2019 sprake van meerdere zelfstandige verbruiksadressen.

De consument is eigenaar van een woning en een (naast die woning gelegen) recreatiewoning (door hem ‘zomerhuisje’ genoemd) met een eigen huisnummer. Beide objecten zijn (separaat) opgenomen in de BAG. Conform artikel 1 van de Tarievenregeling 2019 zijn daarom zowel de woning als de recreatiewoning aangemerkt als separate verbruiksadressen. Aan de consument is daarom voor twee verbruiksadressen een vastrecht voor kleinverbruik in rekening gebracht.

Het is juist dat in de feitelijke situatie van de consument in 2019 geen verandering is opgetreden. De enige ‘verandering’ die zich heeft voorgedaan, is dat de ondernemer in dat jaar pas (voor het eerst) heeft geconstateerd dat er op het eigendom van de consument twee BAG-objecten met verblijfsfunctie aanwezig zijn.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Zoals ook volgt uit het door de ondernemer aangehaalde arrest van het Gerechtshof te Den Haag van 10 maart 2020, heeft de ondernemer een ruime bevoegdheid om haar tariefstructuur te wijzigen. Wel moeten de tarieven redelijk zijn en moet de ondernemer bij de vaststelling ervan transparant en niet discriminerend zijn.

Dat het door de ondernemer gehanteerde vastrechttarief op zichzelf niet redelijk zou zijn, is gesteld noch gebleken. De ondernemer brengt vastrecht in rekening per “verbruiksadres”. In artikel 1 van de Tarievenregeling 2019 wordt uitgelegd dat een “verbruiksadres” een (recreatie)woning of bedrijf (al dan niet behorend tot een gezamenlijk bewoond of gebruikt perceel) is, waarin ongemeten of gemeten drinkwater voor huishoudelijk en/of bedrijfsmatig verbruik wordt geleverd. De ondernemer gebruikt de registratie van verblijfsobjecten in de BAG als criterium voor de bepaling of een aaneengesloten terrein meerdere verbruiksadressen met een woon- of logiesfunctie kent. Daarmee hanteert de ondernemer naar het oordeel van de commissie een voldoende objectieve maatstaf om vast te stellen of sprake is van een of meer verbruiksadressen in de zin van artikel 1 van de Tarievenregeling 2019. Van enig onrechtmatig gebruik van de registratie in de BAG is geen sprake. Tussen partijen staat vast dat op het perceel van de consument twee BAG-objecten aanwezig zijn die beiden een verblijfsfunctie hebben, de woning en het zomerhuisje.

De klacht is daarom ongegrond.

Uit de stukken blijkt dat de consument in 2019 ineens werd geconfronteerd met deze verandering in de tariefstructuur. Dit terwijl vast staat dat deze verandering door de ondernemer al in 2015 is doorgevoerd.

Dat de ondernemer de consument toen op de hoogte heeft gebracht in deze gewijzigde grondslag voor de heffing van vastrecht is niet gebleken. Ook na het verzenden van de factuur reageert de ondernemer niet op de klacht van de consument en enige uitleg of toelichting op de gewijzigde grondslag blijft uit. Pas in het verweerschrift heeft de ondernemer helder en inzichtelijk uiteen gezet dat zij de bevoegdheid tot wijziging heeft, wat de wijziging inhoudt en dat op basis daarvan het zomerhuisje van de consument – anders dan voorheen – gelijk wordt behandeld als zijn reguliere woning.

Hoewel de klacht ongegrond is, heeft de consument in de gegeven omstandigheden de klacht terecht aan de commissie voor gelegd. De ondernemer dient daarom het klachtgeld te voldoen aan de consument.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De klacht is ongegrond.

De ondernemer dient een bedrag van € 27,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie, bestaande uit mevrouw mr. E. A. G. M. van Rens, voorzitter, mevrouw mr. P. Dekker – Stam, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 18 mei 2021.