Dynamisch contract mag niet afwijken van wettelijke saldering; jaarnota moet worden gecorrigeerd

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarrekening    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 1321934/1326723

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument klaagt dat de ondernemer bij zijn jaarnota van 20 november 2025 de salderingsregeling verkeerd heeft toegepast. Volgens hem moet volgens de Elektriciteitswet (art. 31c) op jaar­basis worden gesaldeerd, terwijl de ondernemer bij zijn dynamische contract per uur verrekent. Daardoor krijgt de consument voor zijn teruggeleverde zomerstroom een veel lagere vergoeding dan het tarief dat hij betaalt voor afgenomen winterstroom. De ondernemer stelt dat uursaldering onderdeel is van het dynamische contract en dat dit model door de ACM is toegestaan. De commissie volgt dat niet. Zij verwijst naar de wet en naar het arrest van het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 november 2025, waaruit blijkt dat saldering op jaarbasis verplicht blijft, óók bij dynamische contracten. De commissie oordeelt dat de jaarnota niet voldoet aan de wettelijke eisen en moet worden gecorrigeerd. De ondernemer moet salderen tegen het gewogen gemiddelde jaartarief van € 0,12931 per kWh (excl. btw), zoals op de nota vermeld. De klacht is gegrond. De ondernemer moet binnen vier weken een aangepaste jaarnota sturen en het klachtengeld van € 52,50 aan de consument vergoeden.

De volledige uitspraak

Samenvatting

Het geschil betreft de door de ondernemer op de jaarnota van 20 november 2025 toegepaste wijze van saldering.

De consument heeft de klacht op 22 november 2025 aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De ondernemer past de wettelijke salderingsregel niet correct toe op de jaarafrekening. De ondernemer saldeert weliswaar de Energiebelasting, (EB), op jaarbasis, maar weigert dit te doen voor het kale leveringstarief. In plaats daarvan verrekent de ondernemer de levering en teruglevering op uurbasis. Hierdoor wordt de teruggeleverde stroom (vaak in de zomer) tegen een veel lager tarief vergoed dan het tarief dat de consument voor de afgenomen stroom betaalt. Dit resulteert in een aanzienlijk financieel nadeel, terwijl de Wet, (art. 31c Elektriciteitswet 1998) voorschrijft dat saldering op jaarbasis dient plaats te vinden over de totale hoeveelheid elektriciteit.

De consument ontving de jaarnota op 20 november 2025. Deze had betrekking op de periode 10 november 2024 – 10 november 2025. Het bleek dat de teruglevering van 2.204 kWh niet was weggestreept tegen 4.202 kWh afname van elektriciteit tegen hetzelfde tarief.

De ondernemer wees de klacht van de consument af met als argument dat bij dynamische contracten verrekening per uur is toegestaan en dat dit model door de ACM zou zijn goedgekeurd. Daarmee is de consument het niet eens en hij wijst daartoe op een recente uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin is uitgemaakt dat de salderingsregeling van dwingend recht is en een verrekening per uur in strijd is met de bedoeling van de wetgever.

Als gevolg van de door de ondernemer gehanteerde methode betaalt de consument wel voor de dure winterstroom, maar krijgt hij slechts een fractie vergoed voor zijn teruggeleverde zomerstroom. Volgens de Wet zou de consument alleen hoeven te betalen voor zijn netto verbruik van 1.998 kWh, tegen een gewogen gemiddelde prijs, of zou de financiële waarde van de teruglevering gelijkgetrokken moeten worden met de afname.

Ter zitting heeft de consument voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.

De consument blijft bij het standpunt. De ondernemer moet zich aan de wet houden.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een dynamisch energiecontract. Dit houdt in dat de prijs per uur kan verschillen. Elektriciteit die in een bepaald uur wordt afgenomen, wordt afgerekend tegen de prijs van dat uur. Elektriciteit die in een bepaald uur wordt teruggeleverd wordt vergoed tegen de prijs van datzelfde uur. Deze systematiek is duidelijk vastgelegd in de voorwaarden van de ondernemer. Dynamische tarieven volgend de beursprijzen, waarbij levering en teruglevering per uur worden verrekend, terwijl de EB op jaarbasis wordt berekend. Op de jaarnota is deze systematiek correct toegepast conform de Elektricteitswet, het overeengekomen dynamische energiecontract en de huidige uitvoeringspraktijk binnen de sector.

De uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, (ECLI:GHARL:2025:7500), vormt op dit moment geen algemeen geldende regel of vaste jurisprudentie voor alle dynamische energiecontracten. Het hof oordeelt nadrukkelijk binnen de context van het energiecontract van 2022 en het daarbij gehanteerde afrekenmodel. De details van dat contract zijn niet bekend en niet zonder meer vergelijkbaar met het contract van de consument. Het toepassen van één jaargemiddeld bedrag voor de saldering van de leveringskosten is bovendien niet wettelijk voorgeschreven en zou het dynamische karakter van het contract wezenlijk wijzigen.

De omstandigheid dat op de jaarnota levering en teruglevering afzonderlijk in kWh’s en euro’s worden weergegeven betekent niet dat er geen correctie saldering plaatsvindt. De daadwerkelijke verrekening vindt plaats op uurbasis en wordt op de jaarnota samengevat met gewogen gemiddelde prijzen. Deze berekeningen zijn aan de hand van de overgelegde specificatie controleerbaar.

Kortom, de EB is op jaarbasis gesaldeerd. De levering en teruglevering zijn verrekend volgens het afgesproken dynamische prijs per uur model.

Ter zitting heeft de ondernemer voor zover van belang nog het volgende aangevoerd.

De Wet is correct toegepast. Het contract in de zaak die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is beslist kent de ondernemer niet. Het enige dat bekend is, is dat het ook gaat over een dynamisch contract. Bij een dynamisch contract kun je geen onderscheid maken tussen aparte tarieven voor levering en teruglevering. Als de ondernemer zich aan die uitspraak moet houden is er geen sprake meer van een dynamisch contract, dat wel is afgesproken.

Beoordeling

De commissie heeft het volgende overwogen.

In dit geschil klaagt de consument over de wijze waarop door de ondernemer op de jaarnota de teruggeleverde elektriciteit is gesaldeerd. Van sprake van saldering op jaarbasis zoals de Wet en de rechtspraak voorschrijven is geen sprake geweest, waardoor hij een financieel nadeel lijdt.

De ondernemer voert gemotiveerd verweer.

Tussen partijen is niet in geding dat sprake is van een energiecontract met dynamische tarieven. Wel verschillen partijen over hetgeen tussen hen is overeengekomen en wat tussen hen als rechtens geldig is aan te merken voor wat betreft de methodiek van de saldering.

De commissie stelt voorop dat de Wet, de tot 1 januari 2026 geldende Elektriciteitswet 1998, en de regelgeving prevaleren boven tussen partijen gemaakte afspraken, noch daargelaten dat de commissie in de door de ondernemer overgelegde stukken, zoals de Algemene Voorwaarden, Bijzondere Voorwaarden en in de contractbevestiging, de systematiek zoals deze door de ondernemer bij het opmaken van de jaarnota, niet uitdrukkelijk en met zoveel woorden heeft aangetroffen.

De commissie zal zich dan ook beperken tot de vraag hoe de Wet in dit verband dient te worden verstaan.

In lijn met eerdere uitspraken van de commissie en met de rechtspraak, zie met name de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2025, waarop door met name de consument is gewezen, is de commissie van oordeel dat uit de Wet, met name artikel 31c EW en de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om op jaarbasis te salderen. De ondernemer betwist dat dit ingeval van een dynamisch energiecontract ook verplicht is, omdat het kenmerk van een dergelijk contract juist is dat levering en teruglevering samenvallen nu de prijzen per uur kunnen verschillen.

De commissie volgt de ondernemer niet in dit standpunt. De tot 1 januari 2027 geldende salderingsregeling beoogt de aanschaf van zonnepanelen te stimuleren en consumenten die terugleveren een voordeel te bieden. De afbouw van die regeling is juist een gevolg van het succes van de regeling en van de daarmee gepaard gaande kosten voor leveranciers en voor consumenten die niet – kunnen – beschikken over zonnepanelen.

De systematiek zoals deze door de ondernemer op de jaarnota is toegepast verdraagt zich dan ook niet met de salderingsregeling zoals deze dient te worden geïnterpreteerd en toegepast. Daarmee voldoet de litigieuze jaarnota, die niet voorziet in een wettelijk juiste vorm van salderen niet aan de wettelijke eisen en dient deze te worden gecorrigeerd.

De volgende door de commissie te beantwoorden vraag is de vraag tegen welk tarief dient te worden gesaldeerd. De commissie ziet aanleiding om daarvoor aan te sluiten bij de rechtspraak die inhoudt dat de redelijkheid meebrengt dat de saldering plaatsvindt aan de hand van het gewogen gemiddelde van het betreffende verbruiksjaar. De commissie verstaat daaronder het gewogen tarief dat door de ondernemer is berekend en op de jaarnota is vermeld en aan de consument, voor het saldo dat resteert na aftrek van het volume van de teruggeleverde elektriciteit, in rekening is gebracht. Blijkens de jaarnota bedraagt dit tarief € 0,12931 exclusief btw, zodat de ondernemer in het kader van de saldering dit tarief aan de consument dient te vergoeden.

Een en ander is naar het oordeel van de commissie een passende en aangewezen wijze van afrekening.

Op grond van het bovenstaande is de klacht van de consument gegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer corrigeert de jaarnota van 20 november 2025 als hiervoor is overwogen. Dit dient plaats te vinden binnen 4 weken na de verzendatum van dit Bindend Advies.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien is de ondernemer gehouden het door de consument betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem te vergoeden en zal aan de ondernemer in overeenstemming met het reglement van de commissie een bijdrage in de behandelingskosten in rekening worden gebracht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. F.C. Schirmeister, voorzitter, mevrouw mr. N.R. Geerts – Zandveld, mevrouw mr. J.M. Hoekstra, leden, op 23 maart 2026.

 

Opslaan als PDF