Eenzijdig wijzigen van opvangtijden voor niet-doelgroeppeuters

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 30750/33605

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De ondernemer wil per 1 april 2020 de opvangtijden aanpassen. Hierdoor verblijft de zoon van de consument een langere tijd op de opvang, welke uren dus ook worden gefactureerd. De ondernemer stelt dat hij op grond van de algemene voorwaarden de overeenkomst eenzijdig mag wijzigen. Hij stelt dat is voldaan aan het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. De consument voert aan dat dit Besluit alleen ziet op zogenaamde ‘doelgroeppeuters’, waaronder zijn zoon niet valt. Daarom rechtvaardigt het Besluit de eenzijdige wijziging en hogere facturatie niet. De commissie beslist dat er geen (zwaarwegende) redenen of omstandigheden aanwezig zijn, die een eenzijdige wijziging rechtvaardigen. Het te veel gefactureerde bedrag is dus onverschuldigd betaald. Ook wordt er geklaagd over het wijzigen van het aantal opvangdagen. De commissie stelt dat een overeenkomst in principe alleen met instemming van beide partijen kan worden gewijzigd. In dit geval is hier geen sprake van. Het feit dat de nieuwe opvangtijden niet verenigbaar zijn met de gang van zaken binnen het huishouden van de consument moeten voor rekening en risico van de consument blijven. Los hiervan mag van een ondernemer wel worden verwacht dat hij een overgangsregeling treft.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer en de weigering van de ondernemer om de zoon van de consument in plaats van twee ochtenden per week nog maar één ochtend per week op te vangen.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1. De eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer

De zoon van de consument (hierna te noemen: de zoon) bezocht van februari 2019 tot half maart 2019 één ochtend per week de peuterspeelzaal van de ondernemer. Voor de (verdere) opvang van de zoon hebben partijen in januari 2019 met elkaar een nieuwe overeenkomst gesloten, genaamd Overeenkomst peuterspeelzaal: 2019 (hierna te noemen: de overeenkomst).
De algemene voorwaarden voor Kinderopvang, Dagopvang, en Buitenschoolse opvang 2016 e.v. van de ondernemer zijn onderdeel van de overeenkomst. Op grond van de overeenkomst gaat de zoon met ingang van 16 maart 2019 op twee ochtenden per week – de maandagochtend en de woensdagochtend – naar de peuterspeelzaal. De zoon wordt telkens naar de peuterspeelzaal gebracht tussen 08.30 en 08.45 uur en daar opgehaald om 11.30 uur.

Op woensdagochtend 19 februari 2020 ontving de consument van een medewerkster van de ondernemer een brief, waarin stond dat de opvangtijden met ingang van 1 april 2020 zouden wijzigen. Kinderen kunnen vanaf die datum gebracht worden tussen 08.15 en 08.45 uur en opgehaald worden tussen 11.45 uur en 12.15 uur. Er is nooit over deze wijzigingen gecommuniceerd. Zo is er bijvoorbeeld aan de ouders nooit gevraagd wat deze wijzigingen in de diverse gezinssituaties organisatorisch voor consequenties zouden hebben. Diezelfde dag nog ontving de consument een nieuwe overeenkomst. Over een overgangsregeling werd niet gesproken.

In artikel 15 lid 1 van de algemene voorwaarden staat dat de ondernemer slechts op grond van zwaarwegende redenen bevoegd is de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. Als zwaarwegende reden noemt dit artikel onder meer wijziging van wet- en regelgeving. De ondernemer voert dit argument ten onrechte aan als reden om de ouders die gebruik maken van de peuterspeelzaal een nieuwe overeenkomst aan te bieden. Er is weliswaar sprake van wijziging van wet- en regelgeving ten aanzien van kinderen met een VVE-indicatie (hierna te noemen: doelgroeppeuters), maar op kinderen zonder een dergelijke indicatie (hierna te noemen: niet-doelgroeppeuters), zoals de zoon van de consument, is de gewijzigde wetgeving niet van toepassing. Dit is ook nadrukkelijk door de ter zake verantwoordelijke minister betoogd. De minister is namelijk van mening dat eenduidig bewijs dat een basisvoorziening voor alle kinderen een meerwaarde heeft, ontbreekt.

Het is de ondernemer dan ook niet toegestaan de afspraken zoals die zijn vastgelegd in de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. De ondernemer heeft aangegeven dat de overeenkomst niet in stand kan blijven en hij heeft geen overgangsregeling aangeboden. Zonder dat de consument de nieuwe overeenkomst heeft getekend, incasseert de ondernemer van de bankrekening van de consument toch het nieuwe tarief dat geldt voor de uitbreiding van uren voor twee ochtenden per week. Dit gebeurt kennelijk om de consument te dwingen de nieuwe overeenkomst te accepteren of om de overeenkomst te beëindigen. Indien de consument niet betaalt, dan verliest de zoon zijn plaats op de peuterspeelzaal, zo is haar gezegd.

2. De weigering van de ondernemer om de zoon in plaats van twee ochtenden per week nog maar één ochtend per week op te vangen

De nieuwe openingstijden brengen het gezin van de consument organisatorisch in de problemen. Op dagen dat het oudste kind van de consument ook ’s middags naar school moet, heeft de consument de middagpauze hard nodig. In die beperkte tijd de zoon ook nog ophalen bij de peuterspeelzaal is geen optie. Daarom heeft de consument de ondernemer verzocht om de zoon nog maar één ochtend per week, namelijk de woensdagochtend, op de peuterspeelzaal op te vangen. Op de woensdag doet het organisatorische probleem in het gezin van de consument zich niet voor omdat het oudste kind dan ’s middags niet naar school hoeft te gaan. Volgens de ondernemer is één ochtend per week niet mogelijk. Een van de redenen die de ondernemer daarvoor aanvoert, is dat kinderen, die maar één ochtend per week de peuterspeelzaal bezoeken, zich minder hechten aan de groep. Daarmee is echter in tegenstelling het voorstel van de ondernemer om de opvang van de zoon te verplaatsen van de maandagochtend naar de vrijdagochtend.

Een andere reden is een beleidswijziging dat een minimale afname van twee ochtenden per week nu verplicht is. De consument is hiervan nooit van op de hoogte gesteld. Andere kinderen, jonger dan de zoon, mogen wel nog steeds één keer per week naar de peuterspeelzaal gaan. De ondernemer geeft daarvoor als verklaring dat deze kinderen vanaf het begin de peuterspeelzaal éénmaal per week bezochten en de zoon niet. Dat de consument destijds – zich niet bewust zijnde van de op handen zijnde wijzigingen – om haar moverende redenen kinderopvang voor twee ochtenden per week heeft gekozen in plaats van één ochtend per week, valt nu in haar nadeel uit. Op deze wijze dwingt de ondernemer de consument om de overeenkomst volledig op te zeggen. Voor de ondernemer is één keer per week niet mogelijk en voor de consument is twee keer per week organisatorisch niet haalbaar. De ondernemer is bang voor precedentwerking, maar heeft daarbij geen oog voor bestaande situaties en het creëren van een overgangsregeling voor diegenen die door de gewijzigde openingstijden in de problemen komen.

De consument verlangt van de ondernemer dat deze haar de gelegenheid biedt dat de zoon alleen op de woensdagochtend in plaats van de maandag- én de woensdagochtend de peuterspeelzaal kan bezoeken.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1. De eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer

De consument geeft aan dat er geen sprake is van een wijziging van wet- en regelgeving voor niet-doelgroeppeuters. Hiermee gaat zij voorbij aan het feit dat de wetgever en ook de gemeente ervoor hebben gekozen om doelgroeppeuters en niet-doelgroeppeuters in één groep op te vangen. Zowel maatschappelijk als qua bedrijfsvoering is het niet mogelijk om verschillende tijden voor doelgroeppeuters en niet-doelgroeppeuters te hanteren. Hantering van verschillende tijden betekent dat niet-doelgroeppeuters later aankomen en eerder worden opgehaald. Daarom heeft deze wetswijziging gevolgen voor de openingstijden voor peuterspeelzalen die kortdurende peuteropvang aanbieden.

In artikel 15 van de algemene voorwaarden, die op de overeenkomst van toepassing zijn, is opgenomen dat de ondernemer in geval van zwaarwegende omstandigheden het recht heeft om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. Onder zwaarwegende redenen wordt in ieder geval wijziging van wet- en regelgeving dan wel bedrijfseconomische omstandigheden verstaan.

Bij Besluit van 20 september 2019 is het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie gewijzigd in die zin dat voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters wordt verhoogd van 10 naar 16 uur per week. De ondernemer is van mening dat hij door dit besluit en de gevolgen daarvan voor zijn bedrijfsvoering het recht heeft gekregen om de overeenkomst eenzijdig te wijzigen wat betreft de verruimde openingstijden.

De ondernemer heeft met ingang van 1 april 2020 de openingstijden van de peuterspeelzaal afgestemd op deze nieuwe wetgeving. De wijziging is ruim een maand van te voren aangekondigd aan de ouders van de kinderen die de peuterspeelzaal bezoeken. Dit betekent dat óók voor niet-doelgroeppeuters het aantal uren (en daarmee de kosten), van 6 naar 8 uur, wijzigt. Mogelijk betekent het ook een wijziging van dagen.

2. De weigering van de ondernemer om de zoon in plaats van twee ochtenden per week nog maar één ochtend per week op te vangen

De uitbreiding van de openingstijden bedraagt een half uur per dagdeel. De consument heeft aangegeven dat het haar niet om het geld gaat maar om het principe. Zij wil niet betalen voor de ruimere openingstijd, omdat de zoon geen doelgroeppeuter is. De modaliteit van vaste groepen bestaande uit twee dagdelen is in de crisis van 2012-2015 losgelaten. Zo konden ouders ook één dagdeel peuterspeelzaal afnemen. Door de invoering van de Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang is de pedagogische kwaliteit centraal komen te staan. Ook de ondernemer heeft hierin in overleg met de centrale oudercommissie een expliciete keuze gemaakt. Deze nieuwe wetgeving heeft geleid tot een aantal maatregelen bij de ondernemer en bij de gemeente. Omdat het fiscale tarief voor een plaats op een peuterspeelzaal niet kostendekkend is, heeft de ondernemer de prijzen van meer maatwerkproducten, zoals de peuterspeelzaal, in goed overleg met de centrale oudercommissie verhoogd. Daarnaast moeten er minimaal twee dagdelen kinderopvang (waaronder peuterspeelzaal) per week worden afgenomen. Dit heeft een inhoudelijke reden, maar ook een bedrijfseconomische reden. Alle ouders die kinderopvang afnemen bij de ondernemer zijn hierover in 2019 geïnformeerd via de Tarievenkrant 2020. Onder het kopje Peuterspeelzaal is opgenomen “dat je peuter minimaal 2 dagdelen bij ons welkom is”. Elke ouder heeft deze Tarievenkrant ontvangen. Om de peuterspeelzaal toegankelijk te houden voor alle inkomensgroepen geeft de gemeente voor elk overeengekomen uur kinderopvang een subsidie, maar alleen als de peuter twee dagdelen per week de peuterspeelzaal bezoekt. De ondernemer wil dan ook geen uitzondering maken voor de consument, omdat zij tussen de middag het ophalen van de zoon niet gecombineerd kan krijgen met haar schoolgaande oudste kind. De ondernemer geeft aan dat de consument de zoon om 12.00 uur kan ophalen, zodat zij voldoende tijd heeft voor de middagpauze.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken het volgende overwogen.

1. De eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer

Algemeen rechtsbeginsel en tevens uitgangspunt in het overeenkomstenrecht is dat gemaakte afspraken onverkort nagekomen dienen te worden en dat een contractspartij een overeenkomst niet eenzijdig kan wijzigen. Dit kan anders zijn als de desbetreffende overeenkomst of de daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden een bepaling bevat(ten) die een zodanige wijziging toestaat, als zonder een dergelijke bepaling de ene contractpartij een wijziging voorstelt en de andere contractspartij daarmee instemt of wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een overeenkomst in ongewijzigde vorm in stand blijft. Een en ander geldt ook voor deze zaak.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat daarop de algemene voorwaarden van de ondernemer van toepassing zijn. Artikel 15, eerste lid, van die voorwaarden kent aan de ondernemer het recht toe de overeenkomst eenzijdig te wijzigen op grond van zwaarwegende redenen. Zwaarwegende redenen zijn volgens dat artikellid in ieder geval wijziging van wet- en regelgeving dan wel bedrijfseconomische omstandigheden die de continuïteit van de locatie waar het kind is geplaatst in gevaar brengen.

De ondernemer heeft de overeenkomst ten aanzien van de openingstijden van de peuterspeelzaal eenzijdig gewijzigd en wel in die zin dat hij die openingstijden heeft verruimd. Daarvoor heeft hij een beroep gedaan op een wijziging in wet- en regelgeving en wel op het Besluit van 20 september 2019 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met de verhoging van het minimaal aantal uren aanbod voorschoolse educatie en de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker (hierna te noemen: het Besluit). Daarnaast heeft hij zich ten aanzien van de eenzijdige wijziging beroepen op omstandigheden die met zijn bedrijfsvoering te maken hebben.

Het Besluit strekt er (voor zover van belang voor dit geschil) onder meer toe de omvang van de voorschoolse educatie voor peuters met een risico op onderwijsachterstand (doelgroeppeuters) uit te breiden. Het doel van deze maatregel is het versterken van de intensiteit en de kwaliteit van de voorschoolse educatie, zodat de ontwikkeling van die peuters verder wordt gestimuleerd en onderwijsachterstanden zoveel mogelijk worden voorkomen. Aan het Besluit heeft mede ten grondslag gelegen dat uit internationaal onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is gebleken dat kinderen die tussen de 11 en 20 uur per week voorschoolse educatie hebben gevolgd, op latere leeftijd beter presteren in het onderwijs dan kinderen die (minder dan) 10 uur per week voorschoolse educatie hebben gehad en ook dat de SER heeft bepleit dat 16 uur het minimum aantal uren voorschoolse educatie is om een blijvende invloed op de brede ontwikkeling van kinderen te waarborgen.

Op grond van het Besluit moeten houders van kindercentra die door de gemeente gefinancierd worden – zoals in dit geval de ondernemer –voor het aanbod van voorschoolse educatie aan doelgroeppeuters tussen de tweeënhalf en vier jaar oud ten minste 960 uur voorschoolse educatie aanbieden. Niet vereist is dat een doelgroeppeuter in die anderhalf jaar durende periode ook daadwerkelijk die hoeveelheid voorschoolse educatie ontvangt; het Besluit ziet op het aanbod. Het staat de houders overigens vrij om voorschoolse educatie aan te bieden aan doelgroeppeuters jonger dan tweeënhalf jaar.

Op de houders rust dus de verplichting het aanbod voorschoolse educatie zo in te richten dat een doelgroeppeuter in de periode tussen het moment waarop deze de leeftijd van tweeëneenhalf jaar bereikt en het moment waarop deze vier jaar oud wordt de gelegenheid heeft om 960 uur voorschoolse educatie te ontvangen. Hoe de houders die inrichting gestalte geven, laat het besluit aan hen over, omdat zij het beste kunnen bepalen wat lokaal wenselijk en mogelijk is. Flexibiliteit en daarmee maatwerk is een speerpunt van het Besluit. Het Besluit legt geen verplichting op aan de ouders van doelgroeppeuters om het verhoogde aanbod af te nemen.

Uit het voorgaande volgt dat het Besluit ten doel heeft doelgroeppeuters de mogelijkheid te bieden méér uren voorschoolse educatie te laten volgen, zodat hun startpositie in het basisonderwijs verder wordt verbeterd. Het Besluit richt zich niet op niet-doelgroeppeuters. De consument heeft gesteld en de ondernemer heeft die stelling niet betwist dat de zoon niet behoort tot de categorie doelgroeppeuters, zodat de commissie uitgaat van de desbetreffende stelling van de consument. Ten aanzien van de rechtsverhouding tussen partijen doet zich dan ook geen wijziging van wet- en regelgeving. Het Besluit dwingt de ondernemer ook niet om voor beide categorieën peuters dezelfde tijden aan te houden; dat heeft de ondernemer wel gedaan door met betrekking tot die tijden om hem moverende redenen één lijn te volgen. De commissie acht dit niet in overeenstemming met het aan het Besluit ten grondslag liggende uitgangspunt: te weten een zo groot mogelijke flexibiliteit bij de invulling hiervan door de ondernemer.

De commissie komt dan ook tot de conclusie dat de ondernemer zich met betrekking tot de eenzijdige wijziging van de overeenkomst ten onrechte heeft beroepen op een wijziging van wet- en regelgeving.

De omstandigheden die met de bedrijfsvoering van de ondernemer te maken hebben, rechtvaardigen evenmin de eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de ondernemer. Naar het oordeel van de commissie zijn de door de ondernemer genoemde omstandigheden namelijk organisatorische omstandigheden, maar geen bedrijfseconomische omstandigheden, laat staan bedrijfseconomische omstandigheden die de continuïteit van de locatie in gevaar brengen, zoals artikel 15 van de algemene voorwaarden vereist voor een eenzijdige wijziging van de overeenkomst. De ondernemer heeft over laatstgenoemde omstandigheden niets gesteld en uit de overgelegde stukken kan de commissie dergelijke omstandigheden ook niet afleiden.

Op grond van de voorgaande overwegingen komt de commissie tot de conclusie dat de ondernemer ten onrechte de overeenkomst eenzijdig heeft gewijzigd. De commissie acht dit klachtonderdeel gegrond.

De consument heeft onbetwist gesteld dat de ondernemer de vergoeding voor de uitbreiding van de uren van haar bankrekening heeft geïncasseerd. Nu het de ondernemer niet was toegestaan de overeenkomst eenzijdig te wijzigen, heeft de consument die vergoeding zonder rechtsgrond en aldus onverschuldigd betaald. De ondernemer dient hetgeen hij meer heeft geïncasseerd dan wat de consument op grond van de overeenkomst verschuldigd was aan de consument terug te betalen.

2. De weigering van de ondernemer om de zoon in plaats van twee ochtenden per week nog maar één ochtend per week op te vangen

In de overeenkomst hebben partijen met elkaar afgesproken dat de ondernemer de zoon van de consument op de maandagochtend en de woensdagochtend op de peuterspeelzaal zal opvangen. Omdat de gewijzigde openingstijden van de peuterspeelzaal volgens de consument niet goed passen in haar huishoudelijke organisatie, heeft de consument de ondernemer verzocht de zoon alleen nog op de woensdagochtend op te vangen. Dit verzoek kan niet anders worden gezien dan een verzoek tot wijziging van de overeenkomst. De ondernemer heeft dit verzoek gemotiveerd afgewezen.

Het hiervoor vermelde uitgangspunt geldt in beginsel ook hier. De commissie dient wel nog te beoordelen of in dit geval een van de eveneens hiervoor vermelde uitzonderingen op dat uitgangspunt van toepassing is. Naar het oordeel van de commissie is dat niet het geval en zij licht dat als volgt toe. In de overeenkomst noch in de daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden is de afspraak tussen partijen neergelegd dat (ook) de consument het recht heeft de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. Na het sluiten van de overeenkomst zijn partijen met elkaar niet tot overeenstemming gekomen om de kinderopvang van twee ochtenden per week te wijzigen in één ochtend per week. Tussen partijen bestaat dus geen zogenaamde wilsovereenstemming om de overeenkomst te wijzigen in de zin die de consument voorstaat. Ook kan niet worden gezegd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de ondernemer de overeenkomst in ongewijzigde vorm in stand wil laten. De gronden die hij daarvoor heeft aangevoerd, komen de commissie niet onredelijk voor en het feit dat de gewijzigde openingstijden niet verenigbaar zijn met de gang van zaken in het huishouden van de consument, is een omstandigheid die in haar risicosfeer ligt en daarom voor haar rekening komt. De commissie acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Los van de juridische merites van deze zaak is de commissie van oordeel dat van de ondernemer in redelijkheid wel gevergd had mogen worden om met de consument in overleg te treden over een overgangsregeling, te meer nu uit de stellingen van de consument afgeleid kan worden dat zij niet onwelwillend tegenover een dergelijke regeling stond.

Het klachtengeld

Nu de klacht deels gegrond wordt verklaard, dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie het door de consument betaalde klachtengeld aan haar te vergoeden.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument ten aanzien van onderdeel 1. gegrond en ten aanzien van onderdeel 2. ongegrond;

– bepaalt dat de ondernemer aan de consument dient terug te betalen hetgeen hij ten aanzien van de uitbreiding van uren méér heeft geïncasseerd dan wat de consument op grond van de overeenkomst verschuldigd was;

– bepaalt dat de ondernemer aan de consument een bedrag van € 25,– dient te vergoeden ter zake van het door haar betaalde klachtengeld;

– bepaalt dat de ondernemer voormelde betalingen verricht binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies aan de consument

Aldus beslist op 10 augustus 2020 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw drs. J.W. Rutjens MPA, de heer H. Stel, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.