Eindnota correct: consument moet volledige bedrag voldoen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Jaarrekening    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 797787/998758

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument betwistte een eindnota van € 889,37 en stelde dat er sprake was van dubbeltelling van het stroomverbruik over 2022/2023. De Geschillencommissie Energie oordeelde dat de herrekening van het stroomverbruik correct was uitgevoerd en dat geen sprake is van dubbeltelling. Daarnaast is de consument het resterende bedrag van een eerdere betalingsregeling (€ 1.230,05) en een openstaande termijn (€ 180,–) verschuldigd. De totale vordering van de ondernemer bedraagt € 2.299,42. De commissie wees het beroep op verjaring af en verklaarde de klacht ongegrond. Van het door de consument gestorte depotbedrag wordt € 2.246,92 aan de ondernemer uitgekeerd en € 264,01 aan de consument, inclusief vergoeding van het klachtengeld.

De volledige uitspraak

Samenvatting

De consument betwist de door de ondernemer opgestelde eindnota. Zij stelt dat er een dubbeltelling heeft plaatsgevonden. De commissie is van oordeel dat daarvan geen sprake is.

Beoordeling

Hoewel de ondernemer zich in zijn verweer beroept op niet-ontvankelijkheid van de consument, heeft hij dat verweer ter zitting ingetrokken, zodat de commissie daaraan verder voorbijgaat.

De consument klaagt over de eindnota d.d. 13 juli 2024 ad € 889,37, in het bijzonder omdat daarin haars inziens ten onrechte het in de jaarnota 2022/2023 berekende verbruik dubbel in rekening gebracht wordt. Na correctie zou er een bedrag ten gunste van de ondernemer resteren ad € 600,21. In dat bedrag is begrepen het pro resto bedrag ad € 1.230,05 van een door de erflaatster getroffen betalingsregeling betreffende het jaar 2022/2023.

De ondernemer heeft het stroomverbruik sedert 3 september 2015 in de eindnota herrekend. Aanleiding daarvoor was dat erflaatster meterstanden betreffende teruglevering had opgegeven, terwijl geen sprake was van teruglevering. De ondernemer heeft het door hem teveel betaalde niet teruggevorderd, maar alleen het afgerekende stroomverbruik afhankelijk van de afrekening gecrediteerd of gedebiteerd en de kosten van het juiste verbruik alsnog berekend. Naast de afrekening van het juiste verbruik van stroom over de jaren 3 september 2015 tot 18 juni 2024 en het gasverbruik sedert 30 augustus 2023 tot 18 juni 2024 (in totaal € 889,37) vordert de ondernemer € 1.230,05, zijnde het pro resto bedrag van de met de erflaatster getroffen betalingsregeling voor de jaarrekening 2022/2023, verhoogd met een niet betaalde termijn ad
€ 180,–, in totaal € 2.299,42.

De commissie overweegt dat de eindnota geen herrekening van het gasverbruik bevat. Daartoe was geen aanleiding omdat de opgegeven meterstanden van dat verbruik niet ter discussie staan. In de eindnota wordt alleen het gasverbruik vanaf de jaarnota 2022/2023 (dus sedert 30 augustus 2023) afgerekend. De commissie is voorts van oordeel dat in de eindnota een correcte herziening plaatsvond betreffende het stroomverbruik in de jaren vanaf 3 september 2015. In het bijzonder wordt opgemerkt dat ook de afrekening van het verbruik over het jaar 2022/2023 correct is geschied. Immers in de eindnota wordt
€ 1.667,54 gecrediteerd (het in de jaarnota 2022/2023 berekende stroomverbruik), waartegenover staat dat het stroomverbruik over 2022/2023 opnieuw berekend wordt. Er vindt dan ook geen dubbeltelling plaats, het berekende verbruik en de creditering vallen tegen elkaar weg. Wel is de consument het pro resto bedrag van de afbetalingsregeling betreffende de jaarnota 2022/2023 verschuldigd (€ 1.230,05), waarover partijen het eens zijn.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de eindnota ad € 889,37 correct is samengesteld en dat de consument in totaal € 2.299,42 aan de ondernemer verschuldigd is.

Voor zover de consument zich beroept op verjaring wijst de commissie dat af. Immers het gaat hier om herrekening wegens onjuiste opgave van meterstanden door de erflaatster (opgegeven teruglevering door zonnepanelen, terwijl er geen zonnepanelen waren). In die situatie is een dergelijk beroep in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat de ondernemer de uitgekeerde bedragen (volgens zijn berekening in totaal ruim € 4.900,– ) niet terugvordert en alleen het juiste stroomverbruik berekent.

Ter zitting is aan de orde geweest dat de communicatie tussen partijen, waaronder ook begrepen de uitleg over de eindnota, niet optimaal geweest is. De ondernemer heeft aangegeven bereid te zijn het klachtengeld uit coulance te vergoeden. De commissie zal daarmee met de hierna te vermelden verrekening van het depotbedrag rekening houden.

De consument heeft bij de commissie in depot gestort € 2.510,93, daarin begrepen een bedrag van
€ 211,51 aan incassokosten. Die kosten vordert de ondernemer echter niet (meer), zodat uitgangspunt is dat € 211,51 aan de consument uitgekeerd dient te worden en het verschil, zijnde zijn vordering ad
€ 2.299,42, aan de ondernemer. Omdat hierboven uitgemaakt is dat de ondernemer het klachtengeld ad
€ 52,50 aan de consument vergoedt, bedraagt het aan de consument uit te keren bedrag € 264,01
(€ 211,51 + € 52,50) en het aan de ondernemer uit te keren bedrag € 2.246,92 (€ 2.299,42 – € 52,50).

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 2.246,92

Depotverrekening, bedrag aan consument € 264,01

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, de heer drs. L. van Rootselaar, leden, op 2 september 2025.

Opslaan als PDF