Er is sprake van een reeds bestaand warmtenet, waarop de woning van de consument moest worden aangesloten; andere wijze van warmtevoorziening was niet mogelijk; artikel 6 Warmtewet en NMDA principe.

  • Home >>
  • Energie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Warmte    Jaartal: 2015
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 93187

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de door de ondernemer aan consument in rekening gebrachte kosten voor de aansluiting van de woning van de consument op stadsverwarming.

De klacht is volgens de consument ontstaan op 10 september 2014 en zij heeft de klacht bij brief d.d. 31 oktober 2014 schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument is eigenaresse van één van de negen afzonderlijke wooneenheden die werden gerealiseerd in een voormalige school gelegen in de gemeente Duiven.

De voormalige school beschikte slechts over één hoofdaansluiting voor stadsverwarming, zodat de consument en de andere acht eigenaren van de wooneenheden ieder voor hun eigen individuele aansluiting op stadsverwarming moesten zorgdragen.

De consument is van mening dat gelet op het bepaalde in de Warmtewet de negen eigenaren niet meer dan € 911,78 per aansluiting zouden behoeven te betalen. De ondernemer is echter van mening dat dit niet het geval is en stelt dat € 4.233,79 per aansluiting verschuldigd is.

De consument heeft zich om advies tot de Vereniging Eigen Huis Advocaten te Amersfoort gewend. In een advies d.d. 8 januari 2015 dat door de consument aan het dossier is toegevoegd, wordt vermeld dat er in het onderhavige geval sprake is van een onvoorziene aansluiting op een bestaand warmtenet. De term “onvoorzien” ziet op het warmtenet zelf. Het gaat erom of aan het warmtenet al voorzieningen zijn getroffen om ooit de aansluitingen te realiseren. Het gaat er niet om of de ondernemer (of haar voorganger) al van plan was ooit de aansluitingen te realiseren.
Omdat er in een dergelijk geval sprake is van een individuele afnemer die afhankelijk is van een monopolistische warmteleverancier biedt artikel 6 van de Warmtewet bescherming voor nieuwe aansluitingen door te bepalen dat de in rekening te brengen bijdrage voor een onvoorziene aansluiting maximaal mag bedragen hetgeen een gasverbruiker zou bijdragen in de situatie waarbij sprake is van aansluiting op een gasnet.

De consument is van mening om die reden een bedrag ad € 911,78 aan de ondernemer verschuldigd te zijn. Nu zij een bedrag ad € 4.233,79 onder voorbehoud van de uitspraak van de commissie aan de ondernemer heeft betaald, vordert zij een bedrag ad € 3.322,01 van de ondernemer terug.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De consument is van mening dat er slechts sprake is geweest van een optie om het schoolgebouw eventueel om te bouwen tot negen woningen. In de website van de gemeente wordt vermeld dat bij de bouw van de school bedacht is dat de school in de toekomst omgebouwd kan worden in wooneenheden, maar niet dat de school in de toekomst zal worden omgebouwd tot wooneenheden. Het was dus niet meer dan een mogelijkheid. Er zijn destijds bij de aanleg van het warmtenet geen voorzieningen getroffen, waarbij er al uit werd gegaan van de mogelijkheid dat er woningen zouden komen.
Het is eigenlijk toeval dat er voor gekozen is om dit blok om te bouwen tot woningen, want bij het blok verderop is dat niet gebeurt en is er nog steeds een school.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer is van mening dat met betrekking tot de school reeds voorzien was dat deze na verloop van tijd zou worden opgesplitst in woningen.

Bij de verlening van de concessie op 19 mei 1983 door de gemeente Duiven aan de ondernemer
is hiermede rekening gehouden. Daarmee vallen de warmte-aansluitingen van deze woningen niet onder het door de warmtewet gereguleerde tarief.

Het gefactureerde bedrag kan uit twee hoofdonderdelen bestaan.

Het eerste betreft een toeslag voor de verzwaring van de tapwatercapaciteit. Hier wordt conform het NMDA principe de warmtesituatie vergeleken met de situatie waarin warmte en warm tapwater worden geleverd door een gasgestookte cv-ketel. Daarbij wordt als standaardsituatie uitgegaan van een afleverset met comfortklasse CW-4 voor tappen. Zoals ook voor een cv-ketel met een hogere CW-waarde hogere kosten gelden, zo geldt ook een toeslag voor een hoger tapwatercomfort dan de
CW-4. Deze eventuele extra kosten hebben niet betrekking op de vraag welke eenmalige aansluitbijdrage in rekening kan worden gebracht. Deze extra kosten zouden namelijk ook van toepassing zijn indien wel sprake zou zijn van een onvoorziene aansluiting met het gereguleerde aansluittarief.

Het tweede hoofonderdeel betreft de eenmalige aansluitbijdrage, waaronder een toeslag voor aansluiting vanuit de weg. Artikel 6 van de Warmtewet maximeert de eenmalige aansluitbijdrage voor een onvoorziene aansluiting op een bestaand warmtenet op basis van het Niet Meer Dan Anders (NMDA) principe. In de toelichting op een amendement op artikel 6 warmtewet wordt nader vermeld dat het in dat geval gaat om in het oorspronkelijk plan niet voorziene aansluitingen op een reeds bestaand warmtenet. Dit in tegenstelling tot voorziene aansluitingen die gepland zijn maar om verschillende redenen pas op een later tijdstip worden gerealiseerd. In de oorspronkelijke plannen tijdens de aanbestedingsfase is er altijd van uitgegaan dat de schoolgebouwen nog tot woningen zou worden omgebouwd. Op de website van de gemeente is met betrekking tot de verkoop van de woningen vermeld dat “tijdens de bouw van de school al bedacht is dat het in de toekomst omgevormd kan worden in wooneenheden. In het schoolgebouw worden negen wooneenheden gerealiseerd.”

Uit het voorgaande blijkt dat de wijziging van bestemming reeds was voorzien en is meegenomen in het aanbestedingstraject.

Bij de aanleg van het warmtenet in 1993 was voor het schoolgebouw voor de komende periode een grootverbruiksaansluiting noodzakelijk. Deze is verwijderd omdat deze ongeschikt is voor de warmtevoorziening van een woning. Sinds 1993 was weliswaar nog niet de gehele infrastructuur voor de schoolwoningen gerealiseerd, maar in de aanbestedingsfase waren deze schoolwoningen reeds voorzien, zodat het gereguleerde tarief van € 911,78 niet van toepassing is.

In de door de gemeente uitgegeven brochure werd bij de beschrijving van de verschillende kavels telkens vermeld dat de gehele indeling, inclusief aansluitingen en voorzieningen door de koper zelf moeten worden aangebracht en/of verplaatst. Potentiele kopers werden daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld zich te informeren over de warmtevoorziening en hieraan verbonden kosten.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Het gaat er niet om of er bij de aanleg van het warmtenet al voorzieningen zijn getroffen voor toekomstige woningen, maar of in het plan voorzien is dat het schoolgebouw kan worden omgebouwd tot woningen. Het schoolgebouw is zo geconstrueerd dat er al aparte eenheden zijn die gemakkelijk zijn om te bouwen tot woningen. Ook uit de website van de gemeente blijkt dat bij de bouw al bedacht is dat de school omgevormd wordt tot wooneenheden.
Het is wel zo dat er in het oorspronkelijk plan niets op papier staat waarbij vermeld wordt dat de school kan worden omgebouwd tot wooneenheden.
Het amendement op artikel 6 Warmtewet is duidelijk. Het betreft ook hier voorziene aansluitingen die gepland waren, maar pas op een later tijdstip worden gerealiseerd.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De navolgende wettelijke bepalingen zijn ten deze relevant:

Artikel 6 Warmtewet
1. Indien door een leverancier bij een individuele afnemer een eenmalige aansluitbijdrage in rekening wordt gebracht voor een onvoorziene aansluiting op een bestaand warmtenet bedraagt deze bijdrage maximaal, hetgeen een gasverbruiker zou bijdragen in de situatie waarbij sprake is van aansluiting op een gasnet.

In de memorie van toelichting kamerstuk 32 839 nummer 3 worden op pagina 7 onder het hoofd “Aansluitbijdrage” twee situaties onderscheiden.
De eerste situatie heeft – kort gezegd – betrekking op de fase waarin woningen zullen worden gebouwd en worden aangesloten op een nieuw warmtenet en waarbij de aansluitbijdrage tot stand komt binnen het overleg tussen projectontwikkelaar, gemeente en warmteleverancier. Hier is geen sprake van gebondenheid van de verbruiker ten gevolge van een monopolie positie van de warmteleverancier, zodat geen bijzondere bescherming van een verbruiker of groep van verbruikers relevant is.

De tweede situatie wordt in voormelde memorie van toelichting als volgt omschreven:
“de situatie waarin een verbruiker of een groep van verbruikers een nieuwe woning (laat) bouwen in een gebied waar reeds een warmtenet ligt en op dit bestaande net moet worden aangesloten. In deze situatie wordt de aansluitbijdrage meestal door de warmteleverancier direct in rekening gebracht bij de verbruiker, hoewel deze soms door een projectontwikkelaar in rekening wordt gebracht via de huizenprijs. In dit geval heeft de verbruiker geen keuze voor een nadere vorm van warmtevoorziening en is er sprake van gebondenheid van de verbruiker en een monopoliesituatie van de warmteleverancier. Om verbruikers in deze situatie te beschermen is bepaald dat op de aansluitbijdrage in dit geval het NMDA principe van toepassing is. Het artikel 6 ziet uitdrukkelijk op de tweede situatie.
Voorts is relevant de navolgende zinsnede uit een aangenomen en overgenomen amendement betreffende de Warmtewet:
“Het betreft hier in het oorspronkelijk plan niet voorziene aansluitingen op een reeds bestaand warmtenet. Dit in tegenstelling tot voorziene aansluitingen die gepland zijn, maar om verschillende redenen pas op een later tijdstip worden gerealiseerd.

De ondernemer heeft aangevoerd dat in de projectfase en aanbestedingsfase er reeds rekening mee werd gehouden dat het schoolgebouw te zijner tijd zou kunnen worden omgebouwd tot aparte wooneenheden.

De commissie stelt vast dat namens de ondernemer ter zitting is medegedeeld dat daarover in de oorspronkelijke plannen niets wordt vermeld. De ondernemer heeft ter ondersteuning van deze stelling verwezen naar de website van de gemeente, alwaar wordt medegedeeld dat tijdens de bouw van de school al is bedacht dat de school in de toekomst omgevormd kan worden in wooneenheden.
Uit de mededeling op de website volgt dat tijdens de bouw van de school is bedacht dat de school in de toekomst omgevormd kan worden in wooneenheden. Het oorspronkelijk plan, die daarover niets vermeld, lag er toen al. Ook het feit dat het schoolgebouwcomplex door de wijze van bouwen op zich geschikt is om gemakkelijk omgevormd te kunnen worden tot wooneenheden maakt dat niet anders.

De commissie is dan ook van oordeel dat de ondernemer niet is geslaagd in het bewijs van vorenbedoelde stelling. De ondernemer heeft ook geen nader bewijs aangeboden.

Naar het oordeel van de commissie doet zich de hierboven omschreven (tweede) situatie in de onderhavige zaak voor. Er is immers sprake van een reeds bestaand warmtenet, waarop de woning van de consument moest worden aangesloten. Een andere wijze van warmtevoorziening was niet mogelijk. Om die reden is het op artikel 6 Warmtewet gebaseerde en op basis van het NMDA principe gereguleerde tarief van € 911,78 per aansluiting van toepassing.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

De commissie zal dan ook bepalen dat de ondernemer binnen na te melden termijn een bedrag ad
€ 3.322,01 aan de consument dient terug te betalen. Derhalve wordt als volgt beslist.

Gelet op het vorenstaande zal de commissie bepalen dat de ondernemer het klachtengeld ad € 27,50 aan de consument vergoedt.

Om proceseconomische overwegingen is er in overleg met partijen voor gekozen om dit geschil als een zogenoemde groepsklacht te behandelen en te beslissen. De commissie gaat er van uit dat alle partijen het bindend advies van de commissie zullen respecteren en dat de ondernemer het geschil ook ten aanzien van de overige 8 eigenaren op dezelfde wijze zal afhandelen als thans door de commissie in de onderhavige zaak wordt beslist. Mocht dit onverhoopt anders blijken te zijn, dan kan de belanghebbende eigenaar zich tot de commissie wenden met het verzoek een bindend advies op eigen naam te verstrekken.

Voor de volledigheid merkt de commissie ten slotte nog het volgende op.

 
De ondernemer heeft gesteld dat bij sommige eigenaren van de negen wooneenheden een deel van de in rekening gebrachte kosten geen betrekking heeft op de aansluiting op het warmtenet, maar op een toeslag in verband met de verzwaring van de tapwatercapaciteit, die – net als in de situatie waarbij voor een gasgestookte cv-ketel met een hogere CW-waarde ook hogere kosten gelden – apart bij de eigenaar in rekening wordt gebracht. In het geval van de consument speelt dit volgens de ondernemer kennelijk niet. Mocht een van de eigenaren zich daarmee niet kunnen verenigen dan is er sprake van een ander discussiepunt en is het aan de betreffende eigenaar om daarover eerst contact op te nemen met de ondernemer.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer dient binnen twee weken na de verzenddatum van dit bindend advies een bedrag ad € 3.322,01 aan de consument te betalen.

Indien voormeld bedrag niet binnen genoemde termijn wordt betaald, is de ondernemer de wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd vanaf de datum van dit bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer eveneens binnen twee weken na de verzenddatum van dit bindend advies het klachtengeld ad € 27,50 aan de consument te vergoeden.
 
Het meer of anders door partijen verzochte wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, op 20 mei 2015.