Commissie: Reizen
Categorie: Overig
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
631137/897579
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument huurde via de ondernemer een auto voor zijn vakantie en betaalde daarvoor vooraf € 380. Bij aankomst op de luchthaven kreeg hij te horen dat de afgesproken auto niet beschikbaar was en tekende hij bij de lokale verhuurder een nieuwe huurovereenkomst voor een andere auto, waarvoor hij ter plaatse € 316,53 extra betaalde. De consument vond dat hij onder druk had gehandeld en eiste terugbetaling van de € 380. De Geschillencommissie oordeelde dat de voucher geen definitieve huurovereenkomst was en dat de consument vrijwillig en zonder protest de nieuwe huurovereenkomst heeft ondertekend, waarbij hij meerdere keren akkoord ging met de extra kosten. Ook heeft hij niet tijdig contact opgenomen met de ondernemer om te klagen. Daarom is de klacht ongegrond verklaard en krijgt de consument geen geld terug.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft de extra kosten die de consument heeft betaald voor de huurauto die hij bij de ondernemer heeft gehuurd.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Ik heb op 10 april 2024 met de ondernemer een huurovereenkomst gesloten voor het gebruik van een auto tijdens onze vakantie in [plaatsnaam] gedurende de periode van 24 tot 31 mei 2024. Ik heb in verband met deze huurovereenkomst op 10 april 2024 een factuur ontvangen van de ondernemer ter hoogte van
€ 380,-. De huurovereenkomst heeft betrekking op een auto merk [automerk] of soortgelijk. Aangekomen op 24 mei 2024 op de luchthaven van [plaatsnaam] werd ik geconfronteerd met het feit dat de ondernemer ter plaatse geen kantoor hield en dat [bedrijfsnaam] in opdracht van de ondernemer mij voorzag van een auto. [automerk] was niet voorhanden en ik kreeg een vergelijkbare auto van het merk [automerk B]. [bedrijsnaam] stelde deze auto uitsluitend ter beschikking indien ik bereid was een ‘rental agreement’ te ondertekenen. [bedrijfsnaam] bracht mij voor het gebruik van [automerk] een bedrag van € 316,53 in rekening, dat ter plaatse voldaan moest worden. Tot mijn grote verbazing is de ondernemer niet bereid het door mij betaalde bedrag van € 380,- terug te betalen, zodat ik voor het gebruik van de auto in totaal
€ 696,53 heb betaald. De ondernemer is zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de met mij overeengekomen huurovereenkomst, niet nagekomen en is om die reden gehouden het bedrag van € 380,- aan mij terug te betalen.
Ik merk tot slot op dat er op 24 mei 2024 (‘s avonds) op de luchthaven van [plaatsnaam] voor mij geen andere keuze was dan de overeenkomst met [bedrijfsnaam] af te sluiten. Zou ik dit niet gedaan hebben, dan hadden we niet beschikt over enig vervoer. De ondernemer is aldus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de eerdergenoemde huurovereenkomst.
De consument verlangt de terugbetaling van een bedrag van € 380,–.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, waarvan in het bijzonder het verweerschrift van 27 februari 2025. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De consument heeft ter plaatse een upgrade afgenomen en gebruikt, daarvoor meermaals getekend, ondanks de vele aanwijzingen dat niet te doen. Er is geen sprake van een upgrade, omdat er geen andere auto’s in de overeengekomen categorie voorhanden zouden zijn (geweest). De consument is een aanbod gedaan voor een hogere categorie, in casu een auto in de S-categorie met automaat, en dat heeft hij aanvaard. Deze kosten behoren voor zijn rekening te blijven. Hij is er op vele momenten en manieren op gewezen dat het afwijken van de huurovereenkomst voor zijn rekening zou komen. Ten slotte heeft hij geen melding gemaakt aan de ondernemer van zijn afwijken van de huurovereenkomst ten tijde van het afhalen van de auto en op die feitelijke verplichting en mogelijkheid is hij meerdere malen gewezen in de documenten.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Na boeking van de huurauto bij de ondernemer heeft de ondernemer de consument een voucher gestuurd, waarmee hij ter plaatse de betreffende huurauto zou kunnen huren. Op die voucher staat vermeld in welke categorie de betreffende huurauto valt, welke partij de lokale verhuurder is die de verhuring voor de ondernemer verzorgt en gedurende welke tijd deze auto hem op basis van de huur ter beschikking staat. Van belang is dat de voucher niet aangemerkt kan worden als huurovereenkomst tussen de ondernemer en de consument. Op basis van de voucher wordt eerst ter plaatse een huurovereenkomst opgemaakt tussen de consument en de lokale verhuurder.
Begrijpelijk is dat de consument zich bij de balie van de lokale verhuurder voor het blok gezet voelde op het moment dat hem werd meegedeeld dat de door hem te huren auto niet ter beschikking kon worden gesteld. Weliswaar heeft de consument naar aanleiding van die mededeling gelijk geprobeerd om vanaf de luchthaven telefonisch contact op te nemen met de ondernemer, maar het is hem niet gelukt om verbinding te krijgen met de ondernemer. Volgens de consument was bellen vanaf de locatie van de lokale verhuurder op de luchthaven om technische redenen niet mogelijk. De consument heeft het daar toen bij gelaten en onder de door hem ervaren druk, te weten ’s avonds rond 21.00 uur niet de beschikking hebben over een huurauto om naar het hotel te gaan op een afstand van 45 kilometer, heeft hij vervolgens de ‘rental agreement’ getekend, die de medewerker van de lokale verhuurder hem had voorgelegd.
In zijn e-mail van 30 juli 2024, gericht aan de ondernemer, heeft de consument overigens het volgende aangegeven: ‘Ik heb inderdaad op het vliegveld de upgrade voor akkoord getekend, maar de betreffende baliemedewerker van Europcar gaf niet aan welk bedrag met de upgrade gemoeid was.’
Op de ‘rental agreement’ heeft de consument vijf keer zijn paraaf/handtekening gezet, onder meer bij de kosten die hem in rekening zouden worden gebracht. Uit niets blijkt dat de consument de ‘rental agreement’ onder protest heeft getekend. Met het ondertekenen van de ‘rental agreement’ heeft de consument de daarin opgenomen (betalings)verplichtingen aanvaard. De ondernemer heeft de consument dan ook op goede gronden gehouden aan de door hem getekende ‘rental agreement’.
Los van het feit dat de consument niet onder protest de ‘rental agreement’ heeft ondertekend, heeft hij evenmin telefonisch contact opgenomen met de ondernemer om zich te beklagen over de gang van zaken zodra dat weer mogelijk was. Naar het oordeel van de commissie had het echter wel op de weg van de consument gelegen om dat te doen, zeker omdat hij van mening was dat hem aan de balie van de lokale verhuurder het mes op de keel was gezet (“het was een kwestie van ‘take it or leave it’).
Reeds op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren. In het licht daarvan worden de overige argumenten van de consument onbesproken gelaten.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond, zodat het door de consument verlangde wordt afgewezen.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer J.J.M. Crijnen, de heer mr. J.H. Willems, leden, op 9 april 2025.