Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: Schadevergoeding
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: bindend advies na tussen advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1314865/1320976
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een geschil over de vraag of tekortkomingen in de zorgverlening aan de moeder van klager hebben geleid tot haar overlijden. Hoewel vaststaat dat de zorgaanbieder fouten heeft gemaakt, kan op basis van de medische informatie niet worden vastgesteld dat deze tekortkomingen het overlijden hebben veroorzaakt. De commissie wijst daarom het verzoek om schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Interzorg Noord-Nederland, gevestigd te Assen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De commissie acht een causaal verband tussen vastgestelde tekortkomingen in de zorgverlening aan de moeder van klager en het overlijden van moeder niet aanwezig en wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af.
Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) heeft bij tussenadvies d.d. 10 april 2026 de eindbeslissing aangehouden. De inhoud van dit tussenadvies moet als hier ingevoegd worden beschouwd. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.
Ter zitting werd cliënt vertegenwoordigd door [naam] (zoon van cliënt) en [naam] (dochter van cliënt). Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] (advocaat). De behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026 te Zwolle. De commissie heeft het volgende overwogen.
Beoordeling
De feiten
De moeder van klager, [naam] (verder te noemen: moeder), verbleef sinds 2017 bij de zorgaanbieder. Moeder had MS. Op 12 februari 2025 is moeder ziek geworden en op 16 februari 2025 is moeder omstreeks 14:30 uur met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, alwaar zij diezelfde dag omstreeks 17:00 uur is overleden.
Klager heeft een drietal klachten ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder die alle drie gegrond zijn verklaard. Het gaat om de volgende klachten:
· op 15 februari 2025 heeft een medewerkster van de zorgaanbieder onjuiste informatie verstrekt aan klager en aan zijn zus over de saturatie van moeder;
· er is niet naar behoren gehandeld naar aanleiding van het niet halen van de streefsaturatie;
· er had eerder verwijzing naar het ziekenhuis moeten plaatsvinden en de benodigde scherpe observaties hebben onvoldoende plaatsgevonden.
De zorgaanbieder heeft de gegrondheid van de klachten erkend.
Klager heeft de commissie vervolgens verzocht om een schadevergoeding van € 25.000,- toe te kennen voor de ernstige psychische klachten van klager en zijn zus als gevolg van het nalatig handelen en de gemaakte fouten door de zorgaanbieder rondom het overlijden van moeder.
Behandeling door de commissie
Naar aanleiding van de indiening van de klacht bij de commissie heeft de zorgaanbieder aan de commissie bericht te erkennen dat er zaken niet goed zijn gegaan en gedaan, maar zich op het standpunt te stellen dat er geen sprake is van causaal verband tussen die zaken en het overlijden van moeder. De zorgaanbieder wil de familie [naam cliënt] echter wel ondersteunen in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor gerichte hulp, zoals psychologische begeleiding of andere vormen van ondersteuning. Na het overleggen van nota’s van daadwerkelijk gemaakte kosten die niet gedekt zijn door de zorgverzekeraar, zal de zorgaanbieder de nota’s vergoeden tot een bedrag van maximaal € 5.000,-.
Klager en zijn zus hebben het voorstel van de hand gewezen en vervolgens is de klacht door de commissie voor het eerst ter zitting van 13 maart 2026 behandeld. De zorgaanbieder is niet ter zitting verschenen en heeft zich ook niet laten vertegenwoordigen.
Na de behandeling ter zitting van 13 maart 2026 heeft de commissie een tussenadvies gewezen dat op 10 april 2026 is verzonden aan partijen.
In het tussenadvies is overwogen dat de commissie om het verzoek tot toekenning van schadevergoeding te kunnen beoordelen, eerst moet vaststellen of er sprake is van causaal verband tussen het tekortschieten van de zorgaanbieder en het overlijden van moeder. Omdat de commissie dat causaal verband op basis van de op dat moment aan haar ter beschikking staande informatie niet kan vaststellen, acht de commissie het noodzakelijk dat partijen aanvullende informatie aanleveren. Hiertoe zijn partijen in het tussenadvies in de gelegenheid gesteld. De zorgaanbieder is tot en met uiterlijk 17 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om het medisch dossier van moeder bij de zorgaanbieder vanaf in ieder geval 12 februari 2025 tot en met haar overlijden bij de commissie in te dienen. Daarnaast is klager tot en met uiterlijk 17 mei 2026 in de gelegenheid gesteld om het medisch dossier van het ziekenhuis waarin moeder is overleden vanaf het moment van de opname op 16 februari 2025 tot en met het overlijden in te dienen.
In het tussenadvies is vermeld dat, indien de informatie tijdig en volledig wordt aangeleverd, er opnieuw een mondelinge behandeling zal worden gehouden, waarvoor partijen wederom zullen worden uitgenodigd. De commissie heeft de zorgaanbieder in het tussenadvies nadrukkelijk verzocht om te verschijnen bij die mondelinge behandeling.
Aangezien de medische dossiers tijdig zijn aangeleverd, heeft er op 13 juli 2026 opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de zorgaanbieder zich heeft laten vertegenwoordigen door [naam advocaat].
Volgens [naam advocaat] is de vergoeding van maximaal € 5.000,- aan kosten van psychologische behandeling bedoeld als handreiking. De zorgaanbieder erkent dat de zorgverlening onvoldoende was, maar acht geen causaal verband aanwezig tussen de gebrekkige zorgverlening en het overlijden. De handreiking moet worden gezien als een erkenning van verdriet.
Volgens [naam advocaat] blijkt uit het medisch dossier van het ziekenhuis ook geen causaal verband. [Naam advocaat] heeft onder andere gewezen op het feit dat in het medisch dossier is vermeld dat het moeilijk ademhalen door de influenza werd versterkt door de onderliggende MS-problematiek.
Klager heeft erop gewezen dat er in 2018 sprake was van een vergelijkbaar ziektebeeld, waarbij moeder wel direct naar het ziekenhuis is gegaan en veel zuurstof toegediend heeft gekregen. Moeder was destijds na anderhalve week hersteld.
De overwegingen van de commissie
De commissie concludeert dat alle drie klachten door de klachtencommissie gegrond zijn verklaard zodat de commissie de klachten niet meer hoeft te beoordelen.
De commissie dient te beoordelen of er sprake is van een aanspraak op schadevergoeding. Daarvoor is ten minste vereist dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Ook moet het tekortschieten de zorgaanbieder kunnen worden toegerekend.
De commissie concludeert dat in de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder is komen vast te staan dat de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de verzorging van moeder, onder andere in de zin dat verwijzing naar het ziekenhuis eerder had moeten plaatsvinden. De commissie is van oordeel dat ook is komen vast te staan dat dit tekortschieten de zorgaanbieder moet worden toegerekend; er had op verschillende momenten betere zorg (zorg die voldoet aan het beginsel van goed hulpverlenerschap) moeten worden verleend.
Voor vergoeding van schade komt echter alleen die schade in aanmerking die in voldoende causaal verband staat tot de toerekenbare tekortkoming. In de situatie van moeder komt dat erop neer dat moet worden vastgesteld dat moeder door de tekortkomingen van de zorgaanbieder (en dan met name het te laat insturen naar het ziekenhuis) is overleden.
De commissie is van oordeel dat dit causaal verband niet is vast komen te staan. Bij moeder was sprake van onderliggend lijden in de vorm van de ziekte MS waardoor haar spierkracht substantieel beperkt was. Door een combinatie van influenza en de (vermoedelijke) bacteriële longontsteking tezamen met de MS kon moeder niet meer doorademen. De commissie wijst er daarbij onder andere op dat in het medisch dossier van het ziekenhuis is vermeld dat moeder de toegenomen ademarbeid die door de griep nodig was, doordat ze al een slechte spierkracht had door de MS (waardoor ze rolstoel gebonden was), niet meer heeft aangekund. In het medisch dossier van het ziekenhuis is niets vermeld over de kansen van overleven bij eerder insturen en uit het medisch dossier van het ziekenhuis valt naar het oordeel van de commissie ook niet af te leiden dat door eerder insturen moeder niet zou zijn overleden. Dat geldt ook voor de overige overlegde stukken, waaronder het medisch dossier van de zorgaanbieder.
De vergelijking met de ziekenhuisopname in 2018, toen er volgens klager sprake was van een vergelijkbaar ziektebeeld als in februari 2025, maakt dat oordeel niet anders, nu de gezondheidssituatie van moeder in 2018 wellicht beter was en zij daardoor meer kans had om te overleven. Bovendien is niet bekend of het ziektebeeld destijds medisch gezien (volledig) gelijk was aan het ziektebeeld in februari 2025.
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de commissie geen causaal verband aanwezig acht tussen de aan de zorgaanbieder toerekenbare tekortkomingen en het overlijden van moeder, zodat de vordering tot toekenning van schadevergoeding wordt afgewezen.
Ten slotte overweegt de commissie nog het volgende.
De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder door de eerste keer niet ter zitting te verschijnen en zich de tweede keer ter zitting te laten vertegenwoordigen door een externe jurist, de indruk heeft gewekt zich niet te realiseren dat het overlijden van moeder, doordat er tekortkomingen in de zorgverlening aan moeder zijn vastgesteld, bij klager en zijn zus tot veel extra verdriet en onzekerheid heeft geleid. Klager en zijn zus zullen immers nooit weten wat het gevolg van eerder insturen naar het ziekenhuis zou zijn geweest. De commissie is van oordeel dat gelet hierop en gelet op de geconstateerde tekortkomingen in het handelen van de zorgaanbieder op zijn minst had mogen worden verwacht van de zorgaanbieder, temeer ook nu haar daarom in het tussenadvies uitdrukkelijk was verzocht, zelf ter zitting te verschijnen om een deugdelijke toelichting te verschaffen en daarmee te proberen bij te dragen aan de verwerking van het verdriet van klager en zijn zus.
De commissie beslist als volgt.
Beslissing
De commissie:
wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd. Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. M. Decates, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 13 juli 2026.