Geen contract, toch bevoegd

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Bevoegdheid    Jaartal: 2012
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: OPN-D01-0143

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de wijze van berekening van het terzake van geleverde warmte in rekening gebrachte tarief.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Ik woon in een flat in ###. Mijn woning grenst aan een zijde aan een onverwarmd trappenhuis en een liftkoker. Tot voor kort werd daarmee bij de bepaling van het voor warmte in rekening te brengen bedrag een reductie van 35% in mindering gebracht. Die regeling gold in het algemeen voor bewoners van flats aan de bovenkant of buitenkant van het gebouw. Op zeker moment heeft de ondernemer eenzijdig die reductie afgeschaft. Daarmee ben ik het niet eens. Later heeft de ondernemer dit deels teruggedraaid aldus, dat ik nu een korting van 25% krijg. Ook daarmee ben ik het niet eens.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Ik heb mijn verbruik eens vergeleken met dat van tussenwoningen, en dan blijkt dat ik wel 50% meer verbruik. Ik heb het dan alleen over warmte.

De consument verlangt dat de reductie van 35% gehandhaafd blijft.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Gegeven het feit dat alle partijen nu verschenen zijn heb ik er geen bezwaar tegen dat uw commissie de zaak inhoudelijk behandelt, ook al is formeel de woningbouwvereniging onze contractspartij.
Bij een tweetal eerdere zaken heb ik hetzelfde standpunt ingenomen.

In 1999 zijn de warmtemeters in het appartementengebouw waarin de consument woont vervangen door Doprimometers en ook is toen de warmteverdeelsystematiek in overeenstemming gebracht met de door TNO opgestelde landelijke richtlijnen NEN 7440 en 7441. De normering gaf een omschrijving van het begrip "schilwoningen" waarbij wij ons hebben aangesloten. Aanvankelijk hebben wij ons op het standpunt gesteld dat dit ertoe leidde dat de consument geen aanspraak kon maken op enige reductie. In 2001 heeft echter nader onderzoek plaatsgevonden en het resultaat daarvan was dat – met terugwerkende kracht – alsnog voor de consument een reductiefactor van 25% zal gaan gelden.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Inzake de bevoegdheid:

De ondernemer heeft in zijn brief van 5 juli 2001 erop gewezen dat hij niet rechtstreeks met de consument, doch met de woningbouwvereniging een energieleveringscontract heeft gesloten. Deze omstandigheid zou in drieërlei opzicht aan behandeling door de commissie in de weg kunnen staan: ten eerste zou de omstandigheid dat er geen (contractuele) relatie tussen partijen bestaat kunnen leiden tot de conclusie dat de consument in zijn klacht niet ontvankelijk is; ten tweede zou de omstandigheid dat er geen rechtstreekse contractuele relatie bestaat ertoe leiden dat dus ook niet de algemene voorwaarden, waaraan de commissie haar bevoegdheid ontleent, gelden, zodat de commissie onbevoegd zou zijn, en ten derde zou, als de woningbouwvereniging de wederpartij van de ondernemer was, geconcludeerd moeten worden dat deze woningbouwvereniging niet als een particulier zou gelden, reden waarom de commissie evenmin bevoegd zou zijn.
Daargelaten echter de aard van de relatie welke tussen partijen bestaat, kan niet worden volgehouden dat er geen enkele relatie bestaat, nu de ondernemer zich in de jaarafrekeningen presenteerde als beheerder, en rechtstreeks aan de consument factureerde, terwijl de consument ook rechtstreeks aan de ondernemer betaalde. De facto leverde de ondernemer ook rechtstreeks aan de consument.

Ter zitting heeft de commissie uitdrukkelijk aan de (vertegenwoordiger van de) ondernemer gevraagd of hij zich op de onbevoegdheid van de commissie wenste te beroepen, dan wel of hij instemde met inhoudelijke behandeling door de commissie. Hij opteerde voor het laatste.
Nu, zoals overwogen, partijen in elk geval in enigerlei relatie tot elkaar staan, beide partijen hebben gekozen voor behandeling door de commissie, en het geschil overigens ook betrekking heeft op een kwestie welke de commissie gemeenlijk tot haar taak rekent, acht de commissie zich bevoegd om over het geschil te beslissen.

Inhoudelijk:

De omstandigheid dat in het verleden door de ondernemer (of zijn rechtsvoorganger) een bepaald reductiepercentage voor schilwoningen is vastgesteld, impliceert niet dat daarop nimmer meer teruggekomen zou kunnen worden. Daartoe dienen dan echter wel objectieve criteria te worden gehanteerd. Deze zijn kennelijk voorhanden in de NEN 7440 en 7441. Deze zijn inhoudelijk niet betwist maar ook afgezien daarvan heeft de commissie geen reden om deze normen af te wijzen. In het concrete geval van de consument heeft bovendien een verdere verfijning c.q. aanpassing plaatsgevonden aldus dat alsnog een reductiefactor van 25% is toegepast.

Voorts dient te worden gewezen op het volgende.
Zoals uit de brief van de ondernemer van 5 juli 2001 blijkt, en zoals overigens aan de commissie uit andere vergelijkbare zaken bekend is, voorziet de nieuwe berekeningssystematiek niet enkel in reductiefactoren, maar ook in correctiefactoren welke samenhangen met de grote van de radiatoren. Dit vormt een samenhangend geheel waaruit niet naar believen een bepaald element kan worden geëlimineerd of gewijzigd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Nu echter eerst na het indienen van de klacht aan de consument bekend is gemaakt dat alsnog een reductiepercentage van 25% zou worden gehanteerd kan niet worden gezegd dat de consument ten onrechte een klacht heeft ingediend, reden waarom de ondernemer het klachtgeld dient te vergoeden.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Niettemin dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van ƒ 50,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Openbare Nutsbedrijven op 5 oktober 2001.