Geen fout in verbruik of verjaring: consument krijgt deels geld terug

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Energie    Categorie: Verjaring    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 212914/233807

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument had een klacht over een hoge energierekening na de vervanging van zijn gasmeter. Hij twijfelde aan de werking van de oude meter en wilde dat deze werd gecontroleerd. De ondernemer verwees hem naar de netbeheerder, maar die stuurde hem weer terug. De commissie vindt dat de consument zich terecht tot de netbeheerder had gewend en raadt hem aan dat alsnog te doen. Verder vond de consument dat het energiebedrijf de regels voor verjaring niet goed had toegepast. De commissie heeft dit onderzocht en oordeelt dat het bedrijf het verbruik vanaf 2013 op een redelijke manier heeft verdeeld, onder andere op basis van buitentemperaturen. Ook is het verbruik over 2019/2020 volgens de wettelijke regels op tijd in rekening gebracht. De commissie vindt dat het energiebedrijf zorgvuldig heeft gehandeld en dat er geen reden is om aan te nemen dat de meter niet goed werkte. Daarom verklaart de commissie de klacht ongegrond. Van het bedrag dat de consument eerder had gestort, krijgt hij € 344,45 terug. De rest, € 1.325,60, gaat naar het energiebedrijf.

De volledige uitspraak

Samenvatting
De gasmeter is bij de consument vervangen. Hij betwist de werking van de meter. Daarover moet hij zich tot de netbeheerder wenden. Ook betwist hij de berekening van de door de ondernemer toegepaste verjaring. De commissie oordeelt dat de ondernemer de verjaring juist berekend heeft.

Beoordeling
Op 24 mei 2022 is bij de consument onder andere de gasmeter vervangen door een slimme meter. Met de jaarnota over 2021/2022 van 13 december 2022 werd aan de consument een bedrag van € 7.018,05 in rekening gebracht. In dat bedrag is kennelijk het niet-berekende verbruik vanaf 2013 gefactureerd. Immers sinds 2013 zijn geen meterstanden bekend tot aan de vervanging van de meter. De ondernemer heeft de nota van 13 december 2022 op 30 april 2023 gecorrigeerd door de verjaringstermijn van artikel 7:28 Burgerlijk Wetboek (BW) van twee jaar toe te passen.
De consument betwist primair de werking van de oude meter. Hij wenst ijking. Daarover is hij door de ondernemer naar de netbeheerder verwezen, die hem weer terugverwees naar de ondernemer.
Subsidiair stelt de consument dat de ondernemer de regels van verjaring onjuist heeft toegepast.

De commissie betreurt dat de netbeheerder ten onrechte de vraag omtrent ijking van de oude meter heeft terugverwezen naar de ondernemer. De consument was daarover bij de netbeheerder aan het juiste adres. Hij dient zich alsnog tot de netbeheerder te wenden. Weliswaar heeft de consument verzocht de netbeheerder in deze procedure te betrekken, doch de commissie wijst dat af. Indien de netbeheerder de meterstand van 24 mei 2022 corrigeert, zal dat aan de ondernemer doorgegeven worden die dan zijn jaarnota wederom zal aanpassen. Dat de meter inmiddels vernietigd is hoeft niet te betekenen dat correctie van de meterstand niet mogelijk is. Er kan voor de netbeheerder aanleiding zijn op grond van andere gegevens de meterstand aan te passen. Dat de ondernemer eigener beweging bij de meterverwisseling de consument erop had moeten wijzen dat de oude meter wellicht defect was, wijst de commissie af. Er was geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de meter niet goed functioneerde. Het enkele hoge verbruik was in de visie van de ondernemer toe te rekenen aan de lange periode dat als gevolg van het achterwege blijven van opgave van meterstanden door de consument geen standen van de afgelopen jaren bekend waren en kennelijk te lage schattingen van het verbruik hadden plaatsgevonden. De primaire klacht wordt dan ook afgewezen.

Omtrent de subsidiaire klacht is ter zitting aan de orde geweest dat de ondernemer het tussen 2013 en 2022 berekende verbruik over de tussenliggende jaren verdeeld heeft aan de hand van de buitentemperaturen (graaddagenmethode). Daarbij komt dat het herberekende jaarverbruik ligt tussen 979 en 1127 m³, hetgeen voor een gezin van twee volwassenen en twee kinderen niet excessief genoemd kan worden. De commissie komt dat voor als een passende verdeling. Vervolgens heeft de ondernemer het verbruik vanaf 8 december 2019 tot 3 december 2022 in rekening gebracht. De consument heeft voor de meterstanden van 3 december 2022 weliswaar niet getekend, maar van die standen zijn foto’s beschikbaar, zodat de commissie van die standen uitgaat.

De commissie begrijpt dat de consument meent dat het verbruik over het jaar 8 december 2019 tot 8 december 2020 niet berekend mag worden, omdat ook dat verbruik verjaard is. Uit de jaarnota 2019/2020 (waarin het verbruik tot en met 8 december 2020 berekend werd) blijkt dat die nota op 23 december 2020 verstuurd is met als vervaldatum 1 januari 2021. Dat betekent volgens artikel 3:313 BW dat de verjaringstermijn loopt tot twee jaar na de volgende dag, derhalve 2 januari 2023. Die verjaringstermijn voor het verbruik over 2019/2020 was dan ook niet verstreken toen de ondernemer op 13 december 2022 het niet in rekening gebrachte verbruik over dat verbruiksjaar alsnog in rekening bracht en derhalve in rekening mocht brengen. Anders dan de consument betoogt vorderde de ondernemer op 13 december 2022 onder meer het meerverbruik in 2019/2020, zodat niet de nota van 30 april 2023 bepalend is. Voor de wijze waarop de verjaring vastgesteld moet worden verwijst de commissie ook naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin in de overwegingen 5.14 tot en met 5.21 de daar van toepassing zijnde verjaringstermijn voor elektriciteit berekend wordt (ECLI:NL:GHDHA:2018:3140). Ook de subsidiaire klacht wordt afgewezen.

De commissie wijst er nog op dat in de nota van 30 april 2023 ook het verbruik over 2018/2019 vermeld wordt. De ondernemer heeft verklaard dat dat om systeemtechnische redenen niet anders kon. De commissie accepteert dat betoog, omdat gebleken is dat de ondernemer in diezelfde nota het jaarverbruik over 2018/2019 ad € 613,02 van het verschuldigde aftrekt (nota 737006034)

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Het door de consument in depot gestorte bedrag wordt voor een bedrag van € 1.325,60 aan de ondernemer uitgekeerd. Het restant dient aan de consument te worden betaald. De commissie baseert zich wat deze bedragen betreft op de brief van de ondernemer d.d. 22 februari 2024 en de e-mail van de consument d.d. 15 januari 2024.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.

Depotverrekening, bedrag aan ondernemer € 1325,60

Depotverrekening, bedrag aan consument € 344,45

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer mr. F.J. Pirard, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 15 februari 2024.

Opslaan als PDF