Commissie: Energie Zakelijk
Categorie: Communicatie
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
213463/228486
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument diende een klacht in over vaste maandelijkse kosten van € 47,50 voor gas en € 47,50 voor elektriciteit, die volgens haar nooit zijn afgesproken. Haar oude energieleverancier was overgenomen en hoewel ze op tijd had opgezegd, kreeg ze toch nieuwe facturen met deze vaste kosten. De ondernemer stelde dat de consument een ‘zwever’ was, iemand zonder nieuw contract en dat de vaste vergoeding daarom mocht worden gerekend. De commissie is het daar niet mee eens. Volgens de wet ontstaat er een nieuwe overeenkomst zodra de consument energie blijft gebruiken, en daarover was ook contact geweest. De commissie oordeelt dat er geen geldige reden is voor het rekenen van deze vaste kosten. De klacht is daarom gegrond. De ondernemer moet de te veel betaalde vaste vergoedingen terugbetalen of verrekenen en ook het klachtengeld van € 181,50 vergoeden. Andere onderdelen van de klacht zijn afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een tussen klager en de ondernemer tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van energie (elektriciteit en gas) tegen een daarvoor door de klager te betalen prijs. Meer in het bijzonder betreft het geschil de omvang van het voorschotbedrag en het maandelijks berekenen van een vaste vergoeding voor gas en voor elektriciteit. De klager heeft op 27 februari 2023 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de klager
Het standpunt van klager luidt in hoofdzaak als volgt.
De leverancier van wie ik jarenlang energie heb gekregen is overgenomen door de ondernemer. Op 31 december 2022 liepen de energiecontracten af. Conform overeenkomst met de overgenomen leverancier moest klager dan uiterlijk een half jaar voor einde contract de overeenkomst pro forma opzeggen. Klager heeft de ondernemer tijdig een mail gezonden om de lopende overeenkomst op te zeggen.
Vervolgens heeft de klager contact opgenomen met de ondernemer, die haar vertelde dat zij te boek stond als klant bij ‘Groot Zakelijk’, maar dat hij beter over kon gaan naar “Klein Zakelijk’. Vervolgens is de relatie met de ondernemer voortgezet, maar een contract heeft klager nooit gezien.
Eind februari 2023 ontving klager de eerste voorschotfacturen van de ondernemer, zowel voor gas als elektriciteit. Deze voorschotten zijn nog steeds gebaseerd op het verbruik van 2020, dus van vóór de aanleg van zonnepanelen in 2021 en van vóór de installatie van een warmtepomp in november 2021. Klager heeft berekend dat zij over 2022 bijna € 1.000,– aan voorschotten terug zou moeten ontvangen. Daarnaast wordt nu zowel voor elektriciteit als gas een vaste vergoeding van € 47,50 excl. btw in rekening gebracht, of te wel € 115,– in de maand incl. btw. Dit vormt het grootste deel van de energierekening. De zonnepanelen leveren zoveel op, dat klager ondanks de warmtepomp, meer stroom teruglevert dan dat zij verbruikt. Ook het gasverbruik is door de warmtepomp drastisch verminderd. Daarnaast zijn er in het najaar van 2022 nog meer energiebesparende maatregelen genomen, waardoor het verbruik nog verder daalt.
Op een telefonische vraag waarvoor de vaste kosten van € 47,50 dienen en of de voorschotten niet kunnen worden aangepast, heeft klager aanvankelijk niets meer vernomen. Wel heeft klager nog een mail gehad waarin zij kon aangeven waarom het voorschot te hoog is en wat het volgens haar zou moeten zijn, maar daarbij werd geen mogelijkheid geboden om rekening te houden met terug te leveren energie.
De facturen van januari heeft klager betaald, net als de elektriciteitsrekening over februari, echter zonder die vaste vergoeding, waarvan klager opmerkt dat die niet is overeengekomen. Ondertussen zijn ook de afrekeningen van elektriciteit en gas binnengekomen. Voor wat betreft de elektriciteit is in eerste instantie de teruggeleverde energie in rekening gebracht, waardoor klager enkele tientjes zou moeten bijbetalen. Dit is nagenoeg direct hersteld, zodat klager nu een kleine € 400,– terugkrijgt.
Volgens klager hoeft zij over 2023 geen voorschotten meer te betalen. Daar komt bij dat de heffingskorting € 41,11 is en daar staat € 22,44 en 9,92 (gas) aan netwerkkosten tegenover. Dit valt dus grotendeels tegen elkaar weg.
Bij de gasafrekening valt op dat klager in het tweede half jaar tweemaal zoveel heeft verbruikt als in het eerste half jaar. Er is een meterstand van 6.445 afgerekend. Deze stand verwacht klager pas in september of oktober 2023 te bereiken. Met de 73 m3 die zij over januari al heeft betaald komt zij dus ook voor wat betreft 2023 met de voorschotten al aardig uit voor dit jaar. Klager concludeert dan ook dat zij over 2023 helemaal geen voorschotten meer hoeft te betalen. (Deze 73 m3 is meer dan zij in januari en februari heeft verbruikt, nl. 38 en 32, is 70 m3).
Inmiddels (op 3 juni) heeft de ondernemer wel al een aanvullende creditrekening gestuurd voor het gasverbruik.
Op 20 mei ontving klager een aanmaning, met het verzoek binnen vijf dagen te betalen. Hierop heeft klager op 22 mei gereageerd. Een reactie van de ondernemer daarop bleef uit.
Nadat klager zich tot de commissie had gewend heeft de ondernemer een verbeterde creditnota voor gas gestuurd en aanpassingen toegepast op de voorschotrekeningen, waardoor er op dit moment nog geen achterstand in de betalingen is. Klager vindt de voorschoten nog steeds te hoog, waardoor zij begin 2024 weer een flink bedrag moet terugontvangen, dat dan weer niet wordt uitbetaald. Kortom klager betaalt bij. Dit ook in verband met het feit dat er geen rekening wordt gehouden met de door haar zelf geleverde stroom.
Ook heeft klager antwoord gekregen op de vraag wat de vaste vergoeding is. Volgens de ondernemer kunnen zij die vragen omdat de ”overeenkomst stilzwijgend is verlengd”. De ondernemer neemt het standpunt in dat zij volgens haar algemene- voorwaarden vrij is om naar eigen goeddunken een vaste vergoeding eenzijdig in rekening te brengen. Afgezien van de vraag of de overeenkomsten nu wel of niet ‘stilzwijgend’ zijn verlengd, is het maar de vraag of de algemene voorwaarden van de ondernemer wel van toepassing zijn. Immers het is een oud contract van de overgenomen leverancier en die algemene voorwaarden waren van toepassing. Algemene voorwaarden dienen duidelijk aan de klant kenbaar te worden gemaakt. De ondernemer heeft verzuimd dit te doen.
Klager is van mening dat er geen sprake is van een stilzwijgende verlenging. Zij heeft in november al gebeld met zowel Grootzakelijk als MKB van de ondernemer. Beide afdelingen konden/wilden haar toen niet verder helpen.
Samengevat zijn de klachten van klager:
• op de vaste vergoeding heeft de ondernemer geen recht. De overeenkomst is niet stilzwijgend voortgezet;
• op het redelijke verzoek om de voorschotten aan te passen aan het te verwachten verbruik, rekening houdende met zonnepanelen en de warmtepomp, wordt te weinig ingegaan;
• omdat er een dispuut is worden de creditrekeningen (afrekeningen) over 2022 niet uitbetaald;
• de terugleververgoeding is conform de basisprijs van die maand.
Het grote verschilpunt is de niet overeengekomen vaste vergoeding van € 47,50 exclusief btw voor zowel gas als stroom. Iedere maand weer. Dit is het grootste deel van de energierekening. Aan de ene kant voert de ondernemer aan er onderling uit te willen komen, maar aan de andere kant kondigt zij aan dat zij een vordering ter incasso uit handen zal geven en dreigt zij met het beëindigen van de leveringen. Dat kan klager niet met elkaar rijmen.
Het recente voorstel voor een regeling heeft klager niet aanvaard. Zij verwijst hierbij naar de AV van ondernemer art 11.2 (wijziging in de vergoeding). Tot dusverre heeft klager van de ondernemer nog geen aannemelijke verklaring gezien dat zij daarover bericht heeft gehad. De ondernemer kwam hier pas mee toen ze in de gaten had dat art 11.7 (vaste kosten bij stilzwijgende verlenging) niet opgaat. Ook hier kwam men pas mee aan toen de zaak al was gemeld bij de geschillencommissie. De voorschotten worden in redelijkheid vastgesteld. (art 12.17). Verder vraagt klager zich af hoe de meer opgeleverde dagstroom dient te worden gecompenseerd ten opzichte van de nachtstroom die zij tekortkom. Is de afrekening over 2022 wel juist?
De klager verlangt dat de vaste vergoeding komt te vervallen en de voorschotten naar redelijk en billijkheid conform AV worden aangepast.
Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
Klager is een overeenkomst aangegaan met een bedrijf dat is overgenomen door de ondernemer. Die overeenkomst liep tot en met 31 december 2022. Na het aflopen van de overeenkomst is de klant ‘zwever’ geworden. De algemene leveringsvoorwaarden van de ondernemer waren toen van toepassing. Een zwever is te allen tijde vrij om een nieuw contract af te sluiten (zonder boete) of over te stappen naar een andere leverancier. Door de onzekere situatie en sterk wijzigende prijzen op dat moment werden er geen nieuwe vaste contracten afgesloten. Wel had de klant bij de ondernemer of een andere leverancier een modelcontract kunnen aangaan. De vaste vergoeding die de ondernemer berekend is met de klant gecommuniceerd. Evenals de tarieven en de manier van berekenen.
De klant is zwever geworden. Zwevers zijn verbruikers met wie geen nieuw contract is aangegaan noch een bestaand contract stilzwijgend is verlengd. De ondernemer blijft een klant doorleveren als zwever onder de algemene leveringsvoorwaarden. Hiervoor rekent de ondernemer een vaste vergoeding, die gebaseerd is op vaste kosten en tarieven.
Het voorschot voor de klant kan zeker aangepast worden aan het werkelijke verbruik.
Om de creditrekeningen te kunnen uitbetalen moeten eerst de facturen voldaan worden of we kunnen de facturen verrekenen (en eventueel het restant uitbetalen).
De terugleververgoeding wordt maandelijks bekend gemaakt net als de tarieven (achteraf).
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Uit het verweer van de ondernemer volgt niet op welke (juridische) grondslag het berekenen van een vast bedrag van € 47,50 per maand voor de levering van elektriciteit en hetzelfde bedrag voor de levering van gas berust. Volgens de ondernemer bestaat er een categorie ‘zwevers’ die wel energie geleverd krijgen, maar geen overeenkomst zijn aangegaan met de ondernemer. Voor deze categorie zou de ondernemer gerechtigd zijn deze kosten in rekening te brengen. De commissie kan de ondernemer daar niet in volgen.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad inzake ongewenste levering van water (HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1972) volgt dat in beginsel een leveringsovereenkomst tot stand komt wanneer een verbruiker het verbruik start. Is een overeenkomst met EON geëindigd, zet de ondernemer de aflevering voort en accepteert de klager die levering door de door de ondernemer geleverde energie te verbruiken, dan komt daardoor een overeenkomst tot stand tussen de ondernemer en klager. Onweersproken is dat hierover telefonisch contact heeft plaatsgevonden, met name over de vraag bij welke afdeling klager ondergebracht zou moeten worden, over de toepasselijke tarieven en over de omvang van het te betalen voorschot. Naar het oordeel van de commissie is in dat geval geen sprake meer van een ‘stilzwijgend’ tot stand gekomen overeenkomst.
Van een situatie als bedoeld in artikel 11.7 van de Algemene Voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas ondernemer is dan ook naar het oordeel van de commissie geen sprake geweest. Welke andere grondslag voor de berekende vergoeding bestaat, is door de ondernemer niet aangevoerd en verder de commissie ook niet uit eigen onderzoek gebleken. Voor zover klager meent dat hem de genoemde vergoedingen ten onrechte in rekening zijn gebracht is de klacht gegrond.
Dat klager na saldering van afgenomen en teruggeleverde elektriciteit aanspraak heeft op een terugleververgoeding die gelijk is aan de (kale) basisprijs voor elektriciteit in een bepaalde periode is de commissie niet gebleken. Dat het door de ondernemer gehanteerde tarief voor de terugleververgoeding onredelijk is, is bij gebrek aan verdere onderbouwing van dit onderdeel van de klacht, niet vast te stellen. Op dit punt kan de commissie de klacht dan ook niet gegrond oordelen.
De klachtpunten met betrekking tot de omvang van het voorschot en verrekening met aan de klager verschuldigde vergoedingen laten zich in onderling overleg oplossen, met inachtneming van hetgeen is overwogen en beslist in dit bindend advies. Als daarmee het geschil over de berekende vaste vergoedingen is beslist, kan in dat geschil geen grond meer zijn gelegen om verrekening van over en weer bestaande aanspraken op te schorten.
Het voorgaande voert de commissie dan tot de navolgende beslissing.
Beslissing
De commissie verklaart dat geen grondslag is gebleken voor het berekenen van een maandelijkse vaste vergoeding van € 47,50 voor de levering van elektriciteit en een maandelijkse vaste vergoeding van € 47,50 voor de levering van gas.
Voorwaardelijk, voor het geval dat is gefactureerd met inachtneming van deze vaste vergoedingen, bepaalt de commissie dat te veel in rekening gebrachte vergoedingen dienen te worden gecrediteerd en terugbetaald, dan wel verrekend met openstaande vorderingen, een en ander onder toezending aan klager van een deugdelijk gespecificeerde afrekening.
Eén en ander dient te zijn gerealiseerd binnen vier weken na verzending van dit bindend advies.
Het door de klager meer of anders verlangde wordt afgewezen.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 181,50 aan de klager te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.
Aldus beslist op 12 februari 2024 door de Geschillencommissie Energie voor de zakelijke markt, bestaande uit mr. R.J.M. Cremers, voorzitter, en mr. Sj.S. Bakker en mr. C.J.J. Havermans, leden.