Geen gratis rechtsbijstand: advocaatkosten blijven staan

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Advocatuur    Categorie: Factuur / Kosten    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 779802/886068

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënte klaagde bij de Geschillencommissie Advocatuur omdat haar advocaat kosten in rekening had gebracht, terwijl zij meende dat zij vanaf 1 januari 2023 recht had op kosteloze rechtsbijstand via de pilot gezagsbeëindiging. De commissie stelde vast dat de eerste procedure al in 2022 was afgerond en dus niet onder de pilot viel. De werkzaamheden die de advocaat daarna verrichtte, waren advies en begeleiding vóórdat een tweede verzoekschrift bij de rechtbank was ingediend. Deze vallen niet onder de pilot. Voor de tweede procedure wees de rechtbank een andere advocaat aan, die de cliënte kosteloos bijstond. De commissie oordeelde dat de advocaat voldoende duidelijkheid had gegeven over de kosten en niet onterecht had gedeclareerd. De klacht is daarom ongegrond en de gevraagde terugbetaling van € 5.050,87 werd afgewezen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de door de advocaat in rekening gebrachte kosten.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De advocaat heeft de cliënte in 2022 bijgestaan in een procedure strekkende tot gezagsbeëindiging.
Op 20 november 2023 heeft zij de advocaat opdracht verstrekt voor het voeren van een tweede procedure, omdat de Raad voor de Kinderbescherming opnieuw gezagsbeëindiging wilde. Op die dag heeft de cliënte met de advocaat gebeld en gemaild over binnenkomende e-mails van de gezinsvoogd.

De advocaat had de cliënte moeten wijzen op de ‘Pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders die te maken krijgen met een gezagsbeëindigende maatregel of een uithuisplaatsing’ (hierna te noemen: “de pilot”), die loopt sinds 1 januari 2023. Immers, in het kader van deze pilot kunnen ouders in procedures met betrekking tot gezagsbeëindiging per 1 januari 2023 kosteloos worden bijgestaan door een gespecialiseerd advocaat.

De cliënte is van mening dat zij ingevolge de pilot in aanmerking kwam voor kosteloze rechtsbijstand. De advocaat is bij de Raad voor Rechtsbijstand (on)voorwaardelijk ingeschreven voor de specialisatie personen- en familierecht. Zij had haar werkzaamheden vanaf 1 januari 2023 daarom als voorkeursadvocaat gratis moeten verrichten.

Begin juni 2024 kwam de cliënte erachter dat de pilot bestond. Zij heeft toen de opdracht met de advocaat stopgezet. Als de cliënte was geïnformeerd door de advocaat dat een dergelijke pilot bestond, dan had zij de advocaat nooit een tweede opdracht verstrekt inzake het bijstaan bij de tweede gezagsbeëindigende maatregel en had zij per saldo € 0,– betaald.

Op het formulier van de rechtbank was de advocaat als voorkeursadvocaat aangemeld, maar de cliënte heeft uiteindelijk toch een andere advocaat gekregen. De cliënte heeft de advocaat gevraagd waarom zij niet is ingegaan op het verzoek vanuit de rechtbank.

De cliënte voelt zich teleurgesteld en wil gecompenseerd worden. Zij verzoekt de commissie te bepalen dat de advocaat haar de kosten vanaf 1 januari 2023 moet terugbetalen, te weten een bedrag van € 5.050,87.

Ter zitting heeft de cliënte benadrukt dat het de plicht van de advocaat was om haar te wijzen op het bestaan van de pilot. Zij blijft bij haar standpunt dat zij aan de voorwaarden voldeed om voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerking te komen. Naar haar mening vallen advieswerkzaamheden ook onder de pilot, omdat deze samenhangen met de gezagsprocedure.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Er zijn tegen de cliënte twee verzoekschriften tot gezagsbeëindiging ingediend. De advocaat heeft de cliënte bijgestaan in de eerste procedure gezagsbeëindiging. Dit was vóór de pilot. De werkzaamheden van de advocaat zijn – met succes – afgerond in 2022. De gezagsbeëindigende maatregel die de Raad voor de Kinderbescherming had verzocht, is afgewezen.

De cliënte heeft de advocaat nooit een tweede opdracht verstrekt voor bijstand bij de tweede procedure gezagsbeëindigende maatregel. Als dit wel was gebeurd, had de advocaat de cliënte daarvoor geen kosten in rekening gebracht
De advocaat heeft weliswaar werkzaamheden voor de cliënte verricht in het voortraject vóór binnenkomst van het tweede verzoekschrift, maar deze vallen niet onder de pilot en daarvoor geldt de gratis rechtsbijstand dus niet. De advocaat heeft de cliënte van diverse adviezen voorzien en haar begeleid bij diverse gesprekken. Dit waren allemaal werkzaamheden waar de cliënte om heeft gevraagd en waarvoor zij heel bewust betaalde, nu zij al sinds medio 2022 maandelijks een factuur kreeg. De advocaat heeft ook erg vaak werkzaamheden niet in rekening gebracht.

De cliënte heeft de samenwerking met de advocaat in juni 2024 beëindigd. Daarna heeft de advocaat geen actief contact meer met de cliënte gezocht. Pas na de beëindiging van de samenwerking is de tweede procedure aangevangen. De advocaat wist niet dat er een tweede verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel was ingediend. Zij is ook niet door de rechtbank benaderd om de cliënte kosteloos bij te staan in deze procedure. De rechtbank heeft daarvoor een andere advocaat aangewezen.

De advocaat betwist dat zij haar werk vanaf 1 januari 2023 in de hoedanigheid van voorkeursadvocaat had moeten voortzetten. Zij heeft geen bijstand verleend die ook kosteloos had kunnen zijn en geen kosten in rekening gebracht die onder de werking van de pilot hadden kunnen vallen. Er is dan ook geen reden voor terugbetaling van de facturen.
De advocaat verzoekt de commissie de daartoe strekkende vordering van de cliënte af te wijzen.

Ter zitting heeft de advocaat benadrukt dat zij geen werkzaamheden heeft verricht die onder de pilot hadden kunnen vallen. Zij heeft ook geen werkzaamheden verricht waarvoor zij geen opdracht had en heeft de cliënte steeds gewezen op de kosten. Zij heeft dus niet onterecht gedeclareerd.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De cliënte vordert terugbetaling van de facturen van de advocaat van 10 januari 2023, 4 december 2023,
5 januari 2024, 7 februari 2024, 5 maart 2024, 10 april 2024, 8 mei 2024 en 6 juni 2024 ten bedrage van in totaal € 5.050,87. Zij stelt dat de advocaat de werkzaamheden die staan vermeld op de specificaties bij deze declaraties onterecht bij haar in rekening heeft gebracht, omdat zij deze op basis van de pilot kosteloos had moeten verrichten.

De pilot is inwerking getreden op 1 januari 2023 en geldt voor procedures in eerste aanleg met betrekking tot gezagsbeëindiging waarin op of na 1 januari 2023 een verzoek tot gezagsbeëindiging bij de rechtbank wordt ingediend.
In de ‘Visual pilot gratis rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging’ (te downloaden via de website van de Rijksoverheid en door de advocaat overgelegd als bijlage 4 bij het verweerschrift) staat vermeld:
“Welke hulp biedt de pilot?
U wordt benaderd door een gespecialiseerde advocaat die u bijstaat tijdens de zitting. Deze advocaat wordt door de rechtbank aangewezen.
De advocaat helpt bij:
het voorbereiden van de zitting bij de rechtbank
het maken en opsturen van een verweerschrift
het ondersteunen tijdens de zitting
het nabespreken van de uitspraak”.

Op grond van de stukken stelt de commissie vast dat de advocaat de cliënte heeft bijgestaan in een (eerste) procedure strekkende tot gezagsbeëindiging. Het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is ingediend op 18 juli 2022. In deze procedure heeft de rechtbank op 16 december 2022 een uitspraak gedaan. De factuur van de advocaat van 10 januari 2023 heeft betrekking op deze procedure; uit de specificatie blijkt dat de advocaat de beschikking van de rechtbank op 19 december 2022 aan de cliënte heeft toegestuurd. Daarmee waren de werkzaamheden van de advocaat voor deze procedure afgerond.
Nu de procedure is aangevangen en beëindigd vóór 1 januari 2023, kon de cliënte daarvoor geen gebruik maken van gratis rechtsbijstand op grond van de pilot.

Vaststaat dat de advocaat na 1 januari 2023 tot de beëindiging van de samenwerking door de cliënte in juni 2024 ook nog werkzaamheden voor de cliënte heeft verricht. De cliënte stelt dat zij de advocaat op 20 november 2023 een tweede opdracht heeft verstrekt voor bijstand ter zake de door de Raad voor Kinderbescherming opnieuw verzochte gezagsbeëindiging en dat de advocaat de werkzaamheden vanaf dat moment gratis had moeten verrichten. De advocaat heeft niet betwist dat zij de cliënte heeft bijgestaan in het voortraject van deze tweede procedure tot gezagsbeëindiging.
Hoewel deze werkzaamheden – zoals de cliënt terecht stelt – (het voorkomen van de verzochte) gezagsbeëindiging betreffen, vallen deze toch niet onder de pilot. Immers, deze zijn verricht voordat de Raad voor de Kinderbescherming het tweede verzoek tot gezagsbeëindiging bij de rechtbank heeft ingediend en kunnen daarom niet worden aangemerkt als werkzaamheden waarvoor de pilot blijkens de hiervoor genoemde Visual hulp biedt. Deze werkzaamheden betroffen niet de bijstand tijdens de zitting.
Vaststaat immers dat deze tweede procedure pas is aangevangen na de beëindiging van de samenwerking tussen de cliënte en de advocaat. De rechtbank heeft de advocaat kennelijk niet benaderd om de cliënte ook in deze procedure bij te staan. Voor deze bijstand is – hoewel de cliënte volgens haar zeggen op het formulier van de rechtbank de naam van de advocaat had ingevuld – een andere advocaat aangewezen. Dit kan de advocaat niet worden verweten. Van de advocaat kan ook niet worden verwacht dat zij haar werkzaamheden vanaf 1 januari 2023, althans 20 november 2023, met terugwerkende kracht niet in rekening brengt.
De commissie merkt nog op de werkzaamheden van de advocaat, die de rechtbank heeft aangewezen voor de bijstand van de cliënte tijdens de zitting, wel onder de pilot vielen. Vast is komen te staan dat deze advocaat daarvoor geen kosten bij de cliënte in rekening heeft gebracht en dat de cliënte dus gebruik heeft kunnen maken van kosteloze rechtsbijstand op grond van de pilot.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14) dient de commissie voorts het navolgende – ook ambtshalve – te toetsen. Kort gezegd is het Hof van oordeel dat weliswaar niet geëist kan worden dat de ondernemer (de advocaat) de consument (de cliënt) volledig informeert over de uiteindelijke financiële consequenties van de overeenkomst, maar dat dit niet wegneemt dat de informatie die verstrekt wordt, de consument in staat moet stellen om met de nodige voorzichtigheid een beslissing te nemen. De informatie die wordt verstrekt, moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Het Hof van Justitie geeft als voorbeeld het geven van een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of het regelmatig tussentijds factureren.
De commissie stelt vast dat de advocaat de financiële consequenties van de dienstverlening heeft vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 14 juni 2022 en dat zij de cliënte maandelijks een declaratie en specificatie van haar werkzaamheden heeft verstuurd. De commissie is van oordeel dat de advocaat de cliënte op deze wijze voldoende inzicht heeft gegeven in de kosten.

Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de advocaat door haar werkzaamheden vanaf 20 november 2023 tot juni 2024 bij de cliënte in rekening te brengen, niet heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. Dit betekent dat de klacht van de cliënte ongegrond is.

De cliënte heeft de declaraties van de advocaat niet inhoudelijk betwist. Zij heeft daartegen geen concrete bezwaren geuit. Gelet op de aard en omvang van de door de advocaat verrichte werkzaamheden, komt de commissie het door de advocaat van 20 november 2023 tot juni 2024 gedeclareerde bedrag ook niet bovenmatig voor. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de advocaat blijkens de specificaties een aantal werkzaamheden niet in rekening heeft gebracht.
De commissie zal de door de cliënte verzochte terugbetaling dan ook afwijzen.

Nu de klacht van de cliënte ongegrond wordt verklaard, is het naar het oordeel van de commissie gerechtvaardigd dat het door haar betaalde klachtengeld voor haar rekening blijft.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst het door haar verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. T.B.M. Kersten en de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 12 maart 2025.

Opslaan als PDF