Commissie: Energie
Categorie: Hoogte tarief warmtelevering
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: bindend advies na tussenadvies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
223847/226065
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument zegt dat zij bijna drie weken zonder warm water en verwarming heeft gezeten en vraagt een schadevergoeding op basis van de Warmtewet. De ondernemer stelt dat er geen storing in de warmtelevering was, maar dat de thermostaat in de woning niet goed werkte. Dat is onderdeel van de binneninstallatie en valt onder de verantwoordelijkheid van de verhuurder, niet van de warmteleverancier. De commissie oordeelt eerst dat zij wel bevoegd is om het geschil te behandelen, omdat de Warmtewet van toepassing is. Daarna beoordeelt zij de inhoud. De commissie volgt de ondernemer: er was geen volledige onderbreking van de levering, maar een verminderde levering door een probleem in de woning zelf. Daarom geldt de hoge wettelijke onderbrekingsvergoeding niet. Wel moet de ondernemer de abonnementskosten over de betreffende periode terugbetalen (€ 49,92). Omdat de ondernemer ter zitting al heeft aangeboden € 150,- te betalen (inclusief klachtengeld), kent de commissie dat bedrag toe. De klacht is daarmee gedeeltelijk gegrond.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument stelt dat zij enige tijd geen warmte en warm tapwater geleverd heeft gekregen. Zij vordert de vergoeding voor onderbreking van de levering op grond van de Warmtewet. De commissie wijst dat af, nu er geen sprake is geweest van een onderbreking in de levering, maar van een verminderde levering. Zij wijst in principe de daarbij passende vergoeding toe.
Beoordeling
In voornoemd tussenadvies heeft de commissie de zaak aangehouden omdat deze veel gelijkenis vertoonde met een andere zaak waarin het bindend advies (onder nummer 158610/164710) ter beoordeling voorgelegd was aan de kantonrechter te Amsterdam. Van de uitspraak van de kantonrechter d.d. 11 maart 2025 (zaaknummer 10828633/CV EXPL 23-15241) is door de betreffende consument hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is niet aangebracht, zoals ter zitting medegedeeld werd. Daarmee is het vonnis van de kantonrechter definitief.
De commissie zal overgaan tot de beoordeling van de huidige zaak, rekening houdend met voornoemd vonnis van de kantonrechter.
De ondernemer heeft een beroep gedaan op onbevoegdheid van de commissie. In lijn met de eerdere uitspraak in de zaak 158610/164710 overweegt de commissie als volgt:
Het gaat om de vraag of de commissie het geschil kan behandelen, nu in de overeenkomst tussen partijen alleen de (burgerlijke) rechter bevoegd is verklaard.
Artikel 3b lid 1 van de Warmtewet luidt als volgt: Verbruikers kunnen geschillen die voortvloeien uit een overeenkomst tot levering van warmte, onverminderd de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie.
Voornoemd artikellid impliceert dat deze commissie naast de burgerlijke rechter bevoegd is indien de Warmtewet van toepassing is.
Voor de vraag of de Warmtewet van toepassing is, is van belang dat de consument met de ondernemer een overeenkomst heeft gesloten betreffende de EOI (de energieopwekkingsinstallatie, zijnde het samenstel van waterpompen, boilervaten, bronnen, leidingen en (andere) toebehoren, welke installatie is aangesloten op de binneninstallatie).
Van belang is verder dat het, voor zover in dit geschil relevant, gaat om de verhuur van een individuele waterpomp en de exploitatie van een collectieve bron voor de levering van warmte met een lage temperatuur. Voor het totaal betaalt de consument aan de ondernemer een vast bedrag per maand. Zij betaalt dus niet een aan de levering van de hoeveelheid warmte gerelateerd bedrag.
Cruciaal voor de beoordeling is dat de ondernemer vanuit de door de ondernemer geëxploiteerde bron warmte aan de consument levert. Niet van belang is dat de consument niet afzonderlijk voor de geleverde hoeveelheid warmte betaalt. Daarmee is de ondernemer warmteleverancier en valt de rechtsverhouding tussen partijen onder de Warmtewet. In die situatie is het hiervoor genoemde artikel 3b lid 1 van de Warmtewet van toepassing. De consument kan zich dan, ongeacht wat de tussen partijen gesloten overeenkomst bepaalt, naar keuze wenden tot de burgerlijke rechter of in casu deze geschillencommissie. Nu hij zich tot deze commissie heeft gewend is de commissie bevoegd.
Voor de volledigheid wijst de commissie erop dat zij tot taak heeft (artikel 3 reglement):
“Geschillen tussen consument en ondernemer te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot de aansluiting en/of de levering van gas, warmte of elektrische energie en daarmee samenhangende leveringen en diensten.”
Nu er sprake is van een overeenkomst met betrekking tot de aansluiting en/of de levering van warmte, valt onderhavig geschil onder haar taak en is zij dus bevoegd het geschil te beoordelen. Anders dan de ondernemer betoogt gaat het dan ook niet om de ontvankelijkheid van de consument in zijn klacht.
Op grond van het voorgaande acht de commissie zich bevoegd het geschil te behandelen. Overigens heeft de kantonrechter in genoemd vonnis bevestigd dat de Warmtewet van toepassing is. De commissie gaat thans over tot de inhoudelijke behandeling.
De consument voert aan dat zij van 4 december tot 23 december 2022 zonder warm water en verwarming heeft gezeten Op 23 december is haar warm water weer gaan werken en op 27 december had zij weer verwarming. Zij heeft regelmatig zowel met de ondernemer als met de verhuurder ([naam]) contact gehad, zonder resultaat. Er is vanuit de ondernemer nooit contact met de consument opgenomen en zij heeft er zelf voor moeten zorgen samen met [verhuurder] dat zij warm water en verwarming kreeg. Op 9 januari 2023 heeft de consument een officiële schadeclaim verstuurd naar de ondernemer. Tot op de dag van indiening van de klacht heeft zij daar geen reactie op gehad, ondanks vele pogingen telefonisch contact met de ondernemer te leggen. Via de Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft zij uitgerekend wat de schadevergoeding zou zijn: 4 t/m 22 december = 18 dagen; 18 dagen = 432 uur; eerste 8-12 uur =
€ 35,-; 432-12 = 420 uur; voor elke 4 uur daarna € 20,-; 420/4 = 105; 105 x € 20,- = € 2.100,-; eindbedrag = € 2.100,- + € 35,- = € 2.135,-. Hierbij heeft de consument geen vergoeding berekend voor de extra moeite/kosten die zij heeft moeten ervaren/maken door het niet thuis kunnen douchen en zijn voor al die dagen. De consument heeft moeten overnachten op andere plekken aangezien het midden in de winter was en om goed te functioneren in haar leven als in haar werk moet zij toegang hebben tot warm water.
De ondernemer heeft inhoudelijk verweer gevoerd dat ter zitting werd toegelicht. Het komt erop neer dat de ondernemer voldaan heeft aan zijn leveringsplicht, maar dat de consument de vraag naar warmte en warmtapwater niet kon verwezenlijken omdat de ruimtethermostaat niet goed werkte. Die thermostaat valt niet onder de bevoegdheid van de ondernemer, maar onder die van de verhuurder, namelijk behorende tot de binneninstallatie. Dat het niet aan de installatie van de ondernemer ligt of aan een tekortkoming in de leveringsverplichting volgt uit het feit dat van andere bewoners die op dezelfde pomp aangesloten zijn, geen klachten binnengekomen zijn. Bovendien verklaart de consument dat het probleem is opgelost door ingrijpen van de verhuurder, hetgeen er ook op wijst dat het aan de binneninstallatie lag.
De commissie volgt de ondernemer in de gegeven uitleg. Dat betekent dat er geen sprake is van onderbreking van de levering, maar van verminderde levering. Dan is de door de consument bedoelde vergoeding (van artikel 4 Warmteregeling) niet van toepassing. In lijn met meergenoemd vonnis van de kantonrechter heeft de ondernemer dan een terugbetalingsverplichting van de door de consument betaalde abonnementskosten over de door haar bedoelde periode (artikel 3 lid 1 onder b Warmtewet). Die terugbetalingsverplichting bedraagt € 49,92. Nu de ondernemer ter zitting herhaald heeft bereid te zijn, inclusief het klachtengeld, € 150,- te vergoeden, zal de commissie dat bedrag toewijzen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer betaalt aan de consument een bedrag van € 150,-. Indien betaling niet binnen 14 dagen na verzending van deze beslissing heeft plaatsgevonden, is over dat bedrag wettelijke rente verschuldigd.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer R.A. Timmer, de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 18 november 2025.