Geen recht op terugbetaling, eigen keuze om niet naar vakantiepark te gaan en voucher aan te vragen

  • Home >>
  • Recreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: (non)conformiteit / Annulering    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 32497/34322

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument heeft bij de ondernemer een bungalow voor een periode in mei 2020 geboekt. In verband met de Corona-maatregelen van de regering heeft de ondernemer besloten om in zijn vakantieparken extra maatregelen te nemen. Zo worden enkele faciliteiten in de parken gesloten. De parken zelf blijven echter wel open. De consument vindt dat de ondernemer de overeenkomst heeft geannuleerd dan wel dat hij de overeenkomst niet kon nakomen. De consument wil zijn geld terug. De ondernemer stelt dat hij de overeenkomst niet heeft geannuleerd. Het vakantiepark van de ondernemer was namelijk geopend. Daarnaast heeft de ondernemer de voucher niet aan de consument gestuurd, omdat de vakantie niet door zou kunnen gaan, maar omdat de consument zelf de voucher heeft aangevraagd. De commissie is van oordeel dat er geen sprake is van annulering dan wel van het niet nakomen van de overeenkomst door de ondernemer. Hierdoor heeft de consument geen recht op terugbetaling van het door hem betaalde bedrag. Het is de eigen, vrijwillige keuze van de consument om niet af te reizen naar het vakantiepark en gebruik te maken van de door de ondernemer vanwege Corona geboden mogelijkheid om een voucher aan te vragen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit de op 15 december 2019 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst.
Daarbij heeft de consument bij de ondernemer een vierpersoonsbungalow geboekt voor twee personen voor de periode van 8 mei 2020 tot en met 15 mei 2020 op [naam vakantiepark] te Weert voor een bedrag van € 415,86.

Feiten
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken -voor zover thans van belang- het volgende vast:

a. Op 24 maart 2020 heeft de ondernemer een e-mail aan de consument gezonden. Deze e-mail luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
“U boekte bij ons een verblijf en het park is open. De Nederlandse regering heeft extra maatregelen genomen die de verdere verspreiding van het coronavirus moeten beperken. Hierdoor zullen de eventuele centrumfaciliteiten zoals animatie, de kidsclub, het zwembad, de wellness en de restaurants tot 1 juni 2020 gesloten zijn. Tot die tijd bezorgen we op sommige parken snacks en maaltijden bij uw vakantiewoning. Daarnaast zijn de eventuele receptie, winkel en de fietsverhuur open volgens de normale openingstijden. Plaatsen die vaak worden bezocht, maken we extra goed schoon. Mocht u uw reis liever op een ander moment inplannen, dan kan dat. We hebben hiervoor de voorwaarden van onze omruilgarantie versoepeld. Om uw geplande vakantie om te boeken naar een andere datum kunt u hier een voucher aanvragen ter waarde van uw reeds betaalde reissom. In dat geval ontvangt u de digitale voucher in de loop van volgende week per email met een duidelijke instructie hoe u die kan verzilveren (…)”

b. Over de mogelijkheid om een voucher aan te vragen was op de website van de ondernemer de volgende tekst opgenomen: “BOEKINGEN TOT 1 JUNI
Natuurlijk zien wij het liefst dat uw vakantie de komende weken gewoon door kan gaan. Heeft u een vakantie geboekt op een van de [naam ondernemer] parken met een aankomstdatum tussen 1 april en 1 juni? En besluit u deze te verzetten? U kunt een recreatie-voucher aanvragen ter waarde van uw reeds betaalde reissom, waarmee u een nieuw verblijf naar keuze bij ons kan boeken. Als u in aanmerking komt voor de recreatie-voucher zullen wij u deze na uw aanvraag binnen enkele dagen per e-mail toesturen.”

c. Indien op de link werd geklikt om een recreatie-voucher aan te vragen werd de volgende informatie gegeven: Recreatie-voucher aanvragen
Om uw geplande vakantie tussen 14 maart en 1 juni 2020 om te boeken naar een andere datum, kunt u een recreatie-voucher bij ons aanvragen. Deze voucher heeft de waarde van de al door u betaalde reissom. Met de voucher kunt u dan op een later moment een nieuwe vakantie boeken.
Heeft u al een recreatie-voucher aangevraagd, maar deze nog niet ontvangen?
Wij doen ons uiterste best om alle aanvragen te verwerken en u de voucher half april toe te sturen.”

d. Bij het aanvraagformulier voor de recreatie-voucher stond, voor zover thans van belang, als introtekst: “Om uw geplande vakantie tussen 14 maart en 1 juni 2020 om te boeken naar een andere datum kunt u via onderstaand formulier een recreatievoucher aanvragen ter waarde van uw reeds betaalde reissom. U ontvangt de voucher binnen enkele weken per e-mail. In afwachting hiervan hoeft u verder geen actie te ondernemen. Na ontvangst van de voucher kunt u zelf een nieuwe boeking maken. De recreatie-voucher is 12 maanden geldig vanaf de oorspronkelijke aankomstdatum. U boekt dus binnen 12 maanden na uw oorspronkelijke aankomstdatum een nieuwe reis met een aankomstdatum voor 30 september 2021. In de e-mail staat duidelijk beschreven hoe u de recreatie-voucher kan verzilveren.”

e. Op 25 maart 2020 heeft de consument via de website van de ondernemer een voucher aangevraagd.

f. De consument heeft de voucher op 14 april 2020 ontvangen.

g. Diezelfde dag (14 april 2020) heeft de consument na ontvangst van de voucher de volgende aangetekende brief aan de ondernemer gezonden: “Enkele weken geleden kreeg ik een e-mail van u, met de mededeling dat ik een voucher van u tegemoet kon zien. Omdat ik u nog niet in gebreke kon stellen heb ik de voucher op uw verzoek, zonder dat u een alternatief gaf, aangevraagd.
Nu stel ik U in gebreke voor uw opzegging van de overeenkomst met uw nummer [boekingsnummer], die ik op 15 december 2019 aangegaan was, omdat u mede door uw aangeboden voucher mij in kennis hebt gesteld, dat u de overeenkomst niet nakomt.
Het hele bedrag van de overeenkomst ad € 415,86 is betaald aan u. Omdat de overeenkomst niet nagekomen wordt door u, verzoek ik u het totale bedrag van € 415,86 aan mij terug te betalen. Ik verzoek dit te doen binnen een termijn van 1 maand. Een termijn van 1 maand vind ik vrij lang, maar gezien de omstandigheden redelijk, zodat ik wil dat mijn geld voor 15 mei 2020 op [rekeningnummer consument] staat.”

h. De ondernemer heeft de consument op 20 april 2020 een mailtje gezonden waarin wordt aangegeven dat de voucher op 14 april 2020 is verzonden. Verder spreekt de ondernemer in het mailtje de hoop uit de consument voldoende te hebben geïnformeerd.

i. Bij e-mail van 22 april 2020 heeft de consument als volgt gereageerd: “Hiermee ben ik NIET voldoende geïnformeerd! Op 14 april j.l. heb u middels een aangetekende brief gemeld, dat ik geen genoegen neem met een voucher. In die brief heb u vriendelijk doch dringend verzocht, het door mij ten onrechte betaalde bedrag ad € 415,86 aan mij terug te betalen. Ik blijf bij deze eis!”

j. De ondernemer heeft niet op deze e-mail gereageerd, waarna de consument op 29 mei 2020 een klacht heeft ingediend bij de commissie. De klacht, zoals die is ingevuld op het betreffende vragenformulier, luidt dat de ondernemer hem een voucher heeft toegestuurd terwijl hij terugbetaling van zijn geld wil. Volgens de consument heeft hij op 14 april 2020 een voucher toegestuurd gekregen, “omdat blijkbaar de vakantie volgens [ondernemer] niet door kon gaan.”

Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument blijkt onder meer uit zijn hierboven vermelde brief van 14 april 2020, zijn mailtje van 22 april 2020 en zijn vragenformulier van 29 mei 2020. Samengevat is de consument van mening dat de ondernemer de overeenkomst heeft geannuleerd dan wel dat hij deze overeenkomst niet kon nakomen. Op grond daarvan wil de consument zijn geld terug.

Standpunt van de ondernemer
De ondernemer is van mening dat de klacht van de consument moet worden afgewezen.

De ondernemer heeft de overeenkomst niet geannuleerd. Tijdens het verblijf van de consument in mei 2020 was [naam vakantiepark] open en de ondernemer kon de geboekte bungalow ook aan de consument ter beschikking stellen. Voor de ondernemer was er dan ook geen noodzaak om de boeking te annuleren. De ondernemer heeft de voucher ook niet aan de consument gestuurd omdat de vakantie niet door zou kunnen gaan, maar uitsluitend omdat de consument de voucher op 25 maart 2020 zelf heeft aangevraagd.

Beoordeling van het geschil
1. De commissie moet in deze zaak een aantal vragen beantwoorden.

2. De eerste vraag die voorligt, is of de ondernemer de overeenkomst heeft geannuleerd. Want als dat het geval is, dan heeft de consument recht op terugbetaling van het geld. Met de ondernemer is de commissie echter van oordeel dat uit de door de consument overgelegde stukken niet blijkt dat de ondernemer de overeenkomst heeft geannuleerd.

3. Vervolgens is de vraag of de op 15 december 2019 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst door de ondernemer nagekomen kon worden of niet. Want als die vraag ontkennend beantwoord zou moeten worden, heeft de consument eveneens recht op terugbetaling van het geld.

4. De consument heeft niet betwist dat [naam vakantiepark] in de periode van 8 mei 2020 tot en met 15 mei 2020 open was en dat de ondernemer de door de consument geboekte bungalow ter beschikking kon stellen. Van het niet kunnen nakomen van de overeenkomst door de ondernemer is daarmee geen sprake.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de ondernemer de overeenkomst niet kon nakomen, heeft de consument ook nog gesteld dat de ondernemer onmogelijk waar kon maken waarvoor hij had geboekt. De consument heeft deze stelling echter niet onderbouwd, zodat onduidelijk is wat hij daarmee precies bedoelt. Indien dit betrekking zou hebben op bepaalde gesloten faciliteiten van het vakantiepark, is de commissie met de ondernemer van oordeel dat die faciliteiten geen essentieel onderdeel zijn van de overeenkomst. Dat is slechts anders wanneer de consument bij het boeken heeft aangegeven dat één of meer faciliteiten van het betreffende park voor hem juist doorslaggevend waren om de overeenkomst aan te gaan. Niet gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is.
Het enkele feit dat in de periode van 8 mei 2020 tot en met 15 mei 2020 sommige faciliteiten van het vakantiepark mogelijk gesloten waren, kan naar het oordeel van de commissie dan ook evenmin tot de conclusie leiden dat daardoor sprake is van het niet kunnen nakomen van de overeenkomst door de ondernemer. Wel had de sluiting van sommige faciliteiten, als de consument gewoon naar het park was gegaan, hem mogelijk recht gegeven op een korting van het door hem betaalde bedrag in verband met verminderd vakantiegenot. Maar dat is iets anders dan een volledige ontbinding van de overeenkomst als gevolg van het niet kunnen nakomen van die overeenkomst.

5. Nu de ondernemer de overeenkomst niet heeft geannuleerd (zie overweging 2. van de commissie) en er ook geen sprake van is dat de ondernemer de overeenkomst niet kon nakomen (zie overweging 4. van de commissie), heeft de consument geen recht op terugbetaling van het door hem betaalde bedrag. De commissie is van oordeel dat het een eigen, vrijwillige keuze van de consument is geweest om niet af te reizen naar de [naam vakantiepark] en gebruik te maken van de door de ondernemer vanwege Corona geboden mogelijkheid om een voucher aan te vragen. Door de voucher aan te vragen is de oorspronkelijke boeking van de consument komen te vervallen en is een nieuwe overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen, zoals de ondernemer met juistheid heeft aangevoerd. Bij het aanvragen van de voucher was de consument er ook van op de hoogte dat deze uitsluitend kon worden gebruikt voor een nieuwe boeking bij een [naam ondernemer] park naar keuze en dat het niet mogelijk was om een vergoeding in geld te vragen in ruil voor de voucher.

6. De ondernemer heeft in zijn reactie van 25 augustus 2020 op de nadere onderbouwing van de consument aangevoerd dat de inhoud van die voucher is ingevuld aan de hand van de voorwaarden die de HISWA-Recron daarvoor heeft opgesteld. Dat standpunt deelt de commissie niet. Gesteld noch gebleken is dat deze voorwaarden aan de consument bekend waren op het moment dat hij op 25 maart 2020 voor de voucher koos. Op die datum kende de consument blijkens de overgelegde stukken immers alleen de hierboven (onder de feiten onder d.) vermelde introtekst. Daarin staan de rechten van de consument met betrekking tot de voucher duidelijk vermeld. De HISWA-Recron-voorwaarden kunnen dan ook niet afdoen aan die rechten voortvloeiend uit de introtekst, indien en voor zover die voorwaarden in nadelige zin afwijken van de introtekst. Dat geldt uiteraard niet voor voorwaarden die daarvan in positieve zin afwijken of andere nadien gemaakte afspraken die in positieve zin afwijken. Als voorbeeld van dit laatste geldt de door de ondernemer in zijn verweerschrift van 3 juli 2020 genoemde afspraak met de Autoriteit Consument en Markt en het ministerie van Economische Zaken dat recreanten vanaf 1 juni 2021 een aanvraag kunnen doen om de (rest) waarde van de voucher vergoed te krijgen. Concreet betekent dit voor de consument dat hij met ingang van 1 juni 2021 een dergelijke aanvraag bij de ondernemer kan doen, indien hij vóór die tijd geen (volledig) gebruik van de voucher zou willen maken.

7. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de klacht ongegrond zal worden verklaard.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit mr. J.L. Sierkstra, voorzitter, drs. P.C. Hoogeveen-de Klerk en J. Hagedoorn-Wiarda, leden, op 3 september 2020.