Geen sprake van dwang bij ondertekening vaststellingsovereenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV04-0244

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat voor zijn bijstand in de afwikkeling van een nalatenschap. De cliënte heeft geen declaraties onbetaald gelaten.
 
Standpunt van de cliënte
 
Het standpunt van de cliënte luidt in hoofdzaak als volgt.
 
De advocaat heeft tijdens de zitting van 5 november 2003 bij de rechtbank weinig inbreng gehad. Hij heeft niet of nauwelijks gereageerd op de door de wederpartij verkondigde onjuistheden en onwaarheden. Dit terwijl de advocaat vóór de zitting van de cliënte nog een overzicht “Tegenstrijdigheden en onwaarheden” had ontvangen. Hiervan is door de advocaat geen enkel punt benut tijdens de zitting.
 
Ter gelegenheid van de voornoemde zitting is een schikking getroffen. Deze schikking is niet op de normaal gangbare wijze tot stand gekomen. Bovendien vertoont de schikking diverse onvolkomenheden, die de wederpartij de gelegenheid bood de afspraken niet op de juiste wijze na te komen. De advocaat is met zijn belangenbehartiging zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als de inhoud van de schikking tekortgeschoten. De rechter heeft de schikking opgelegd en de advocaat heeft niet ingegrepen. Toen de cliënte twijfelde bij de ondertekening van de schikking, heeft de advocaat gezegd dat zij een andere advocaat kon zoeken als zij niet zou tekenen.
 
Vervolgens heeft de advocaat onvoldoende moeite gedaan om overeenkomstig het om haar moverende redenen gedane verzoek van de cliënte, de bij de schikking afgesproken opheffing van het derdenbeslag nog even op te houden. Ondanks het excuus van de advocaat dat de opheffing bij de deurwaarder reeds in gang was gezet, had hij kunnen proberen aan de wens van de cliënte tegemoet te komen. Hierbij komt dat de advocaat de opdracht tot opheffing kennelijk al een dag ná de zitting in gang had gezet, terwijl het doorgeven van het rekeningnummer van de cliënte aan de wederpartij enkele weken te laat heeft plaatsgevonden.
 
Op 28 november 2003 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden. De advocaat heeft de cliënte toen een aantal toezeggingen gedaan met betrekking tot de nakoming van de schikking door de wederpartij. Deze toezeggingen is de advocaat niet nagekomen. Ook heeft hij niet meer de moeite genomen om te reageren op brieven en e-mails van de cliënte.
In het bijzonder wordt de advocaat verweten dat hij het in de financiële stukken door de wederpartij niet verantwoorde en uit de kluis verdwenen bedrag van fl. 25.000,– niet meer aan de orde heeft gesteld.
 
Na een klacht te hebben ingediend bij de Raad van Toezicht, omdat niets meer van de advocaat werd vernomen, is in januari 2004 de zaak door een kantoorgenoot van de advocaat overgenomen. Deze kantoorgenoot zou trachten de wensen van de cliënte terzake van de onvolkomenheden van de schikking alsnog te realiseren. Uiteindelijk heeft de kantoorgenoot de cliënte laten weten geen nadere acties meer te willen ondernemen en de zaak te sluiten, in welk verband de cliënte een financiële genoegdoening door het kantoor is aangeboden.
 
Door de handelwijze van de advocaat heeft de cliënte naast psychische schade ook financiële schade geleden, die deels in het door de cliënte overgelegde overzicht is begroot. De cliënte verzoekt de commissie, mede op basis van dat overzicht, in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen.
 
Standpunt van de advocaat
 
Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.
 
De advocaat heeft ruime aandacht aan de zaak besteed. Er is veelvuldig gesproken met zowel de cliënte als haar zwager, die haar vertegenwoordigde. Hierbij is ook aan de orde gekomen de kansen van bepaalde aspecten van de vordering. De advocaat betwist daarom dat de cliënte door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een stap in het ongewisse zette. Temeer gelet op het feit dat de cliënte, althans haar zwager steeds alles uitvoering gedocumenteerd bijhield en besprak.
 
De schikking is op een gebruikelijke wijze tot stand gekomen. De partijen zijn tijdens de zitting, die totaal drie en half uur heeft geduurd, tot driemaal toe telkens drie kwartier tot een uur de gang opgegaan om te overleggen. Daarbij is alles uitgebreid aan de orde gekomen. De cliënte noch haar zwager heeft toen aan de advocaat kenbaar gemaakt dat zij de schikking niet wensten, noch hebben zij meer bedenktijd gevraagd. De advocaat ontkent dat hij enige druk zou hebben uitgeoefend op de cliënte toen zij twijfelde bij het tekenen.
 
De advocaat wijst erop dat kenmerkend voor een schikking is dat een deel van de standpunten wordt opgegeven en dat goede en kwade kansen worden afgewogen, teneinde de strijd te kunnen staken. De cliënte lijkt achteraf niet met de vaststellingsovereenkomst akkoord te zijn omdat de wederpartij de afspraken niet naar behoren nakwam, zich daarbij als winnaar gedroeg en zij wellicht vindt dat zij haar jongste zuster teveel is tegemoet gekomen. Dit een en ander tast evenwel de overeenkomst als zodanig niet aan en heeft voorts niets te maken met de vermeende tekortkomingen van de advocaat.
 
Over het verdwenen kluisgeld heeft de advocaat diverse malen met de cliënte gesproken. Aangezien de wederpartij een en ander ontkende en er niets op papier stond, is de cliënte erop gewezen dat het leveren van het bewijs van de aanwezigheid van het geld geen hoge kans van slagen had. Los daarvan is deze kwestie een gepasseerd station, nu de cliënte met de schikking haar pretense aanspraak op dat kluisgeld heeft laten varen. Zij is zich daarvan ook bewust geweest. Ter zitting is immers nog indringend over dit kluisgeld en de bewijsbaarheid van de stellingen dienaangaande gesproken. De rechter verwachtte dat de cliënte het bewijs niet kon leveren en dat als de boedelnotaris ermee belast zou worden, deze daarop evenzo zou stuklopen.
 
Ten aanzien van de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door de wederpartij kwam de cliënte, althans haar zwager, telkens weer met wensen en kanttekeningen over punten die nu juist door de schikking waren afgehandeld. Mede hierdoor heeft de advocaat niet volledig ingezet op het afdwingen van wat kleinere punten. Die raakten ondergesneeuwd. Na klachten van de cliënte is de zaak vervolgens vlot getrokken door een kantoorgenoot van de advocaat. Deze heeft, tevergeefs, getracht de wederpartij tot nakoming te bewegen. Op enig moment wilde het kantoor van de zaak af. Dienaangaande is aan de cliënte een bedrag van €1.176,– betaald, bestaande uit het door de cliënte nog te claimen bedrag en een op verzoek van de cliënte betaalde genoegdoening voor de ongemakken. Het kantoor meende daarmee dat de zaak was afgedaan.
 
Gelet op het voorgaande is een deel van de klachten van de cliënte ten onrechte voorgesteld en voor het overige zijn de klachten door de betaling van de vergoeding afgehandeld.
 
Beoordeling van het geschil
 
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
 
De commissie stelt vast dat de klachten van de cliënte voortvloeien uit dan wel samenhangen met de ter zitting van 5 november 2003 tussen de betrokken procespartijen, waaronder de cliënte, gesloten en bij proces-verbaal vastgelegde en ondertekende vaststellingsovereenkomst. Met het sluiten van deze overeenkomst hebben de betrokkenen hun (juridische) geschil beëindigd. Nu de cliënte met de gemaakte afspraken akkoord is gegaan, is zij daaraan gebonden en kan zij daarop niet meer terugkomen. Dit zou anders kunnen zijn ingeval moet worden aangenomen dat de cliënte, zoals zij stelt, onder dwang van de rechter en de advocaat de overeenkomst heeft getekend. De commissie acht daarvoor echter geen gronden aanwezig.
 
Zoals de advocaat onweersproken heeft aangevoerd, heeft de zitting op 5 november 2003 meer dan drie uren geduurd en hebben partijen regelmatig op de gang overleg gevoerd. Dat dit overleg vooral tussen de advocaten van de betrokkenen heeft plaatsgevonden, als naar voren gebracht door de cliënte, is gebruikelijk bij dat soort onderhandelingen. Mede in aanmerking genomen dat de zwager van de cliënte, die – zoals ook de commissie bij de behandeling ter zitting heeft geconstateerd – uitstekend gedocumenteerd en geïnformeerd is, haar ter zitting heeft bijgestaan, oordeelt de commissie dat zonder nadere, ontbrekende, feiten of omstandigheden de gestelde dwang niet is komen vast te staan. De niet onderbouwde en door de advocaat ontkende beschuldiging dat hij de cliënte zou hebben gedreigd dat zij op zoek kon naar een andere advocaat als zij niet zou tekenen, is daartoe onvoldoende.
 
Nu vaststaat dat de cliënte is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en de advocaat onbetwist heeft aangevoerd dat in dat kader ook de kwestie omtrent het eventueel uit de kluis verdwenen geld is meegenomen, wordt de daarop betrekking hebbende klacht van de cliënte verworpen. Voor zover de cliënte erover klaagt dat de advocaat bij de afwikkeling van de vaststellingsovereenkomst tekort is geschoten, overweegt de commissie het volgende. Een kantoorgenoot van de advocaat heeft tevergeefs getracht de zaak naar de wensen van de cliënte op te lossen, waarna (het kantoor van) de advocaat de cliënte heeft voorgesteld het dossier te sluiten tegen betaling van een financiële genoegdoening. In overleg zijn partijen toen uitgekomen op een bedrag van € 1.176,–, welk bedrag aan de cliënte is betaald. De commissie begrijpt uit de aan haar voorgelegde stukken dat bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag ook de belangen van de cliënte zijn meegenomen, hetgeen meebrengt dat zij thans bij deze klachten geen belang meer heeft.
 
Ten aanzien van de klacht van cliënte terzake van het verschil tussen het saldo van de ABN-Amro rekening waarop beslag was gelegd en het uiteindelijk aan haar uitgekeerde bedrag heeft de advocaat bij de behandeling ter zitting onweersproken aangevoerd dat de bank hem heeft medegedeeld dat dat verschil van circa € 2.200,– de kosten zijn van de in verband met het opheffen van het beslag verstrekte bankgarantie en dat hij niet ermee bekend was dat banken aldus handelden en mochten handelen. De commissie overweegt dat naar thans moet worden vastgesteld deze wijze van verrekening door de bank voor partijen – ook niet voor de advocaat – kenbaar was ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, zodat voor zover de cliënte in dit kader een vordering heeft op haar toenmalige wederpartij, zij deze vordering, die dus niet in de afspraken is meegenomen, heeft behouden.
 
Het voorgaande brengt de commissie tot het oordeel dat niet is gebleken dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. De klachten van de cliënte zijn ongegrond. De schadevordering zal daarom worden afgewezen. Overigens voor zover de cliënte in dit geding ook namens haar zusters schadevorderingen heeft willen instellen, wijst de commissie erop dat dat niet mogelijk is, omdat slechts de cliënte als klaagster kan worden aangemerkt.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.
 
Beslissing
 
Wijst het verlangde af.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 18 mei 2005.