Geen sprake van te lage teruglevering energie bij jaarrekening

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie    Categorie: Jaarrekening    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 33482/38745

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het geschil gaat over de hoogte van de jaarrekening over 2019-2020. De consument stelt dat de jaarrekening niet klopt, omdat hij in 2019 veel minder gas en elektriciteit heeft verbruikt dan het jaar ervoor en toch heeft hij minder teruggekregen. De consument stelt dat hij onheus is behandeld door de ondernemer. De ondernemer geeft aan dat op de jaarrekening van 2017-2018 de teruglevering van de zonnepanelen niet is geregistreerd, omdat de consument die standen niet had doorgegeven. In 2019 is dit wel doorgegeven, waardoor de jaarrekening van 2018-2019 een hogere teruggave had dan de jaarrekening van 2019-2020. De jaarrekening van 2019-2020 is gebaseerd op de door de consument doorgegeven standen en is correct. Uit een berekening van de commissie blijkt dat bij de consument mag worden uitgegaan van een teruglevering van ongeveer 2000 kWh. De teruglevering van 2078 kWh die op de jaarrekening van 2019-2020 vermeld staat, is dan ook correct. De commissie twijfelt niet aan de verklaring van de ondernemer over de hoge teruglevering van de jaarafrekening van 2018-2019. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de hoogte van de jaarrekening over 2019-2020.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een jaarafrekening gekregen die niet klopt want in 2019 heeft hij veel minder gas en elektriciteit verbruikt, dan in het jaar ervoor en toch heeft hij minder teruggekregen. Eerst is hem gezegd dat zijn zonnepanelen niet goed zouden werken. Die werken echter prima. Daarna is hem gezegd dat in 2019 sprake is geweest van verhogingen van overheidslasten zodat de jaarnota hoger is dan de jaren ervoor. Dit zijn smoesjes en de fout ligt bij de ondernemer. Verder voelt hij zich onheus behandeld door de (klantenservice van de) ondernemer.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft een contract vanaf 29 maart 2017. Op de jaarrekening van 2017-2018 is geen teruglevering van zonnepanelen geregistreerd omdat de consument de meterstanden niet had doorgegeven. In 2019 heeft de consument de teruglevering wel doorgegeven zodat op de jaarrekening van 2018-2019 de teruglevering van de zonnepanelen vanaf 29 maart 2017 is afgerekend. Daarom staat op die jaarrekening een hogere teruglevering en daarmee een hogere teruggave dan de jaarrekening 2019-2020. De jaarrekening van 2019-2020 maakt gebruik van de door de consument doorgegeven standen en is correct.

De betrokken medewerkers zijn aangesproken op hun onjuiste antwoorden en de ondernemer heeft de consument excuses aangeboden en een vergoeding aangeboden.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

Uit de stukken blijkt dat de consument samen met zijn buren 14 zonnepanelen op het dak heeft liggen. Deze 14 panelen leveren ongeveer 3.500 kWh tot 3.800 kWh als theoretisch maximum per jaar op. Gelet hierop kunnen die panelen nooit 6918 kWh in één jaar opwekken. Voorts deelt de consument de opbrengst van de zonnepanelen met zijn buren. Dat betekent dat ten gunste van hem mag worden uitgegaan van een teruglevering van ca 2000 kWh per jaar. De commissie constateert dat dit past bij de teruglevering van 2.078 kWh die op de jaarnota 2019-2020 staat vermeld. De verklaring die de ondernemer heeft gegeven voor veel hogere teruglevering die op de jaarnota van 2018-2019 staat vermeld, acht de commissie in het licht van het voorgaande zonder meer plausibel.

De ondernemer heeft erkend dat de consument door de klantenservice niet goed is geholpen. De betrokken medewerkers zijn daarop aangesproken, de ondernemer heeft zijn excuses gemaakt en uit coulance een vergoeding van € 100,– en vergoeding van het klachtgeld van € 52,50 aangeboden. Daarmee heeft de ondernemer zonder meer in voldoende mate het optreden van haar medewerkers recht gezet. Daaraan doet niet af dat dit aanbod door de consument is geweigerd.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Op grond van het reglement van de commissie is de ondernemer een bijdrage in de behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mevrouw mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, de heer E.J.C. van Lier, de heer H.W. Zuur, leden, op 19 oktober 2020.