Commissie: Telecommunicatiediensten
Categorie: Overig
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: tussenadvies
Uitkomst: aanvullende informatie nodig
Referentiecode:
721625/954306
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument vond dat zij sinds maart 2015 te veel abonnementskosten had betaald en eiste € 1.663,34 terug. De commissie vroeg om facturen en bankafschriften, die beide partijen hebben aangeleverd. Uit de stukken bleek dat de consument maandelijks het bedrag op de facturen betaalde en nooit bezwaar maakte. Daarom gaat de commissie ervan uit dat de kosten klopten. Wel moet de ondernemer nog € 90 betalen, bestaande uit een eerder toegezegde vergoeding en klachtengeld. De rest van de klacht is afgewezen.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Na genoemd tussenadvies dient nog beslist te worden over restitutie van volgens de consument ten onrechte geïncasseerde bedragen.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar voornoemd tussenadvies.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie eveneens naar genoemd tussenadvies.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
In meergenoemd tussenadvies overwoog de commissie dat alleen nog klachtonderdeel 5 resteerde. Dat klachtonderdeel luidde: de consument verlangt, samengevat, dat aan haar het sinds 15 maart 2015 te veel betaalde ad € 1.663,34 (€ 2.181,34 plus rente ad € 188,– minus € 706,–) gerestitueerd wordt (waarbij € 2.181,34 staat voor alle bij haar in de periode 15 maart 2015 tot 1 oktober 2024 geïncasseerde bedragen en € 706,– staat voor het aantal maanden dat het abonnement gelopen heeft van 15 maart 2015 tot 1 oktober 2024, te weten 116 maanden à € 6,– plus € 10,–).
In het tussenadvies overwoog de commissie vervolgens dat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte. De consument heeft die klacht onvoldoende onderbouwd. Het zou voor de hand gelegen hebben dat de consument de facturen sinds 2015 had overgelegd om aan te tonen dat zij ten onrechte te veel betaald heeft. Het is de commissie onduidelijk welke bedragen haar boven het overeengekomen abonnementsgeld in rekening gebracht zijn en waarom. Nu de consument echter geen toegang heeft tot haar account verzoekt de commissie aan de ondernemer diverse stukken over te leggen waaronder de facturen sinds 15 maart 2015 tot 1 oktober 2024.
De ondernemer heeft zich beperkt tot overlegging van de gevraagde facturen. De consument heeft een groot aantal bankafschriften overgelegd.
Uit de door de ondernemer overgelegde facturen leidt de commissie af dat vanaf maart 2015 tot 1 juni 2021 een abonnementsgeld gold van € 7,– per maand. Op die facturen tot 1 juni 2021 wordt vermeld dat in het abonnement begrepen zijn 100 belminuten, 300 MB internet en onbeperkt sms. Vanaf 1 juni 2021 gold een maandelijks abonnementsgeld van € 6,– voor 1 GB internet, 100 belminuten, 500 sms en 4G internetsnelheid tot 75 Mbps (vanaf 1 september 2023: tot 150 Mbit/s). Voorts werden maandelijks buitenbundelkosten, zowel telefoon als internet, in rekening gebracht voor zover dergelijke kosten in de betreffende maand gemaakt waren.
De commissie overweegt dat geen van partijen de in maart 2015 en kennelijk in juni 2021 gesloten overeenkomsten heeft overgelegd, zodat de commissie niet aan de hand van die overeenkomsten kan beoordelen welk maandbedrag en welke condities overeengekomen zijn. Daarbij is van belang dat in principe de bewijslast op de consument rust, te meer daar zij naar de overeenkomst van maart 2015 verwijst. Wel constateert de commissie dat de consument in de periode maart 2015 tot oktober 2024 het op de facturen vermelde abonnementsgeld, de overeengekomen belminuten, sms en internet, alsmede de berekende buitenbundelkosten aanvaard heeft zonder daartegen te protesteren. De op de facturen vermelde bedragen heeft zij maandelijks betaald. Dan mag aangenomen worden dat hetgeen op de facturen staat overeenstemt met het overeengekomene. Er is dan ook geen aanleiding de vordering van de consument toe te wijzen, nu deze immers ziet op verlaging van het abonnementsgeld over de periode maart 2015 tot juni 2021 en kwijtschelding van alle buitenbundelkosten.
In het tussenadvies is aan de orde geweest dat de ondernemer aan de consument € 40,– plus het klachtengeld (€ 50,–) betaalt. Nu betaling van die bedragen niet aangetoond is, zal de commissie een bedrag van € 90,– toewijzen.
Omdat er ook discussie geweest is over het nog openstaande door de consument te betalen bedrag, heeft de commissie daarover een vraag aan de ondernemer gesteld. Nu de ondernemer daarop niet ingegaan is, gaat de commissie ervan uit dat er geen openstaand bedrag meer is. Ook is er discussie geweest over een in te stellen datalimiet. Anders dan de consument veronderstelt kan de ondernemer niet verweten worden dat hij de consument op het bestaan daarvan niet uitdrukkelijk gewezen heeft.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht, behoudens de toegezegde
€ 90, –, ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer betaalt aan de consument een bedrag van € 90,–. Indien betaling niet binnen 14 dagen na verzending van deze beslissing heeft plaatsgevonden, dient de ondernemer over genoemd bedrag de wettelijke rente te vergoeden.
Het door de consument meer of anders verlangde wordt afgewezen.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Telecommunicatiediensten, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter, de heer J. Schouten en de heer drs. E.J.M. Polman, leden, op 19 juni 2025.