Geschil over reparatiekosten na motorstoring: bindende afspraak sluit terugbetaling uit

  • Home >>
  • Voertuigen >>
De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Voertuigen    Categorie: Betaling    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 574707/ 774457

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De zaak gaat over een consument die in 2022 een tweedehands Landrover kocht en in 2024 te maken kreeg met een kapotte motor door een gebroken distributieketting. Hoewel er eerder een nieuwe ketting was geplaatst, moest de motor vervangen worden. De kosten bedroegen € 15.000, maar de ondernemer bood uit coulance aan om de helft te betalen, waardoor de consument € 10.500 betaalde. De consument diende later een klacht in, omdat hij vond dat de ondernemer deze kosten volledig had moeten dragen. De ondernemer stelde dat er een duidelijke afspraak was gemaakt en dat de consument hiermee akkoord was gegaan. De commissie oordeelde dat er inderdaad een bindende overeenkomst was gesloten en dat de consument geen bezwaar had gemaakt op het moment van de afspraak. Daarom is er geen reden om het bedrag terug te betalen. De klacht van de consument is ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Onderwerp van het geschil betreft het antwoord op de vraag of de ondernemer gehouden is € 10.500, — aan de consument te betalen.

Standpunt van de consument

Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In april 2022 heeft de consument een Landrover Discovery Sport uit 2018 bij de ondernemer gekocht. In april 2024 sloeg de motor plotseling af op de ringweg in Groningen. De distributieketting bleek gebroken te zijn, terwijl er in 2022 een nieuwe was gemonteerd. De conclusie was dat een nieuwe motor noodzakelijk was: kosten € 15.000, –. Met enige coulance van de ondernemer werden de kosten verlaagd naar
€ 10.500, –. De consument is hiermee akkoord gegaan, omdat de auto anders nog maar € 10.000, — waard zou zijn en de consument geen auto meer zou hebben, maar de consument is het hier nooit mee eens geweest. Deze kosten hadden namelijk voor de ondernemer moeten zijn. Vandaar deze klacht.

De consument verlangt € 10.500,– van de ondernemer.

Standpunt van de ondernemer

Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument heeft zich op of omstreeks 31 januari 2024 bij de ondernemer gemeld met een probleem aan haar voertuig. Na diagnose bleek dat de distributieketting van het voertuig was gescheurd. Gevolg daarvan was dat het voertuig een nieuwe motor nodig had. De totale reparatiekosten daarvan betroffen in totaal circa € 20.000, –. Opgemerkt wordt dat de onderhoudsintervallen, voorafgaand aan het ontstaan van het onderhavige gebrek, waren overschreden. Desondanks heeft de ondernemer in het kader van klantvriendelijkheid (geheel coulance halve) aangeboden om de helft van de kosten van de reparatie voor haar rekening te nemen. De consument heeft met voornoemd voorstel ingestemd, bedankte de directie en gaf daarbij ook expliciet aan dat hij het een redelijk voorstel vond:

“Goedemorgen [naam],

Ik wil u even bedanken voor de oplossing, die en uw collega … hebben bedacht voor het vervangen van de motor. Dit vinden wij een redelijke oplossing. Wij zijn ook … dankbaar voor zijn inzet om tot een zo goed mogelijke oplossing te komen. ….
Nogmaals bedankt.”

Daar partijen tot een (bindende) afspraak zijn gekomen, heeft de ondernemer de reparatie aan het voertuig uitgevoerd. De consument heeft vervolgens, conform afspraak, het verschuldigde bedrag van € 10.500, — aan de ondernemer betaald.
Kort en goed: partijen hebben een duidelijke en bindende afspraak gemaakt en hebben daar vervolgens uitvoering aan gegeven. Er is dus geen enkele juridische of feitelijke grondslag aanwezig om over te gaan tot terugbetaling van het gevraagde bedrag aan de consument. Indien de consument van mening was dat het voorstel niet redelijk was, had zij zulks kenbaar moeten maken vóórdat de reparatie werd uitgevoerd. Dit zou partijen in staat hebben gesteld om eventuele alternatieve oplossingen te overwegen, zoals een deskundigenonderzoek. Deze mogelijkheid bestaat simpelweg niet meer. De ondernemer beschouwt deze kwestie dan ook als afgehandeld en ziet geen reden om in te gaan op het verzoek tot terugbetaling.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Gelet op voornoemde standpunten van partijen, is de vraag aan de orde of zij op enig moment na het breken van de distributieketting van de auto van de consument, en de daaropvolgende gestelde diagnose, een overeenkomst met elkaar zijn aangegaan ter beëindiging of ter voorkoming van een (verder) geschil omtrent de verdeling van de reparatiekosten naar aanleiding van het breken van de distributieketting. De ondernemer heeft nader, met stukken onderbouwd, gesteld dat dit het geval is. De consument heeft deze stelling niet wezenlijk weersproken en heeft erkend met het aanbod van de ondernemer akkoord te zijn gegaan. Naar het oordeel van de commissie staat dan ook vast dat partijen al eerder ter beëindiging of ter voorkoming van een geschil omtrent de verdeling van herstelkosten jegens elkaar hebben gebonden omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, te weten dat de ondernemer de auto zou herstellen voor een door de consument te betalen bedrag van € 10.500, –. Wel stelt de consument dat zij het nooit met deze schikking eens is geweest. Niet gesteld of gebleken is dat de consument dat ten tijde van de totstandkoming van de schikking kenbaar heeft gemaakt aan de ondernemer en enig voorbehoud heeft gemaakt bij de bereikte schikking. Naar het oordeel van de commissie zijn ook geen feiten en/of omstandigheden komen vast te staan op grond waarvan de ondernemer alsnog gehouden zou zijn
€ 10.500, — aan de consument te vergoeden.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. D.P.C.M. Hellegers, voorzitter, de heer R. Vlasveld, mevrouw mr. C.R.J.M. den Hartog-Kaaij, leden, op 31 januari 2025.

Opslaan als PDF