Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang
Categorie: Jeugdwet
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1317431/1338496
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De uitspraak betreft een geschil tussen twee gemeenten over de vraag welke gemeente op grond van het woonplaatsbeginsel verantwoordelijk is voor de bekostiging van jeugdhulp. Na een crisis thuissituatie verbleef de jeugdige tijdelijk bij een familielid in een andere gemeente. Kort daarna werd besloten dat dit verblijf een langdurig karakter zou krijgen en werd pleegzorg aangevraagd. De commissie oordeelt dat de oorspronkelijke gemeente de hulpverlening heeft geïnitieerd, actief heeft meegewerkt aan de plaatsing en had moeten onderkennen dat sprake was van beoogde netwerkpleegzorg. Daarom blijft deze gemeente gedurende de looptijd van de initiële indicatie financieel verantwoordelijk voor de ingezette jeugdhulp. De klacht wordt gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
De indiener heeft de klacht voorgelegd aan verweerder.
Het geschil betreft de vraag welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de ingezette jeugdhulp.
Standpunt van de indiener
Voor het standpunt van de indiener verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Bij de jeugdige is sprake van jeugdhulp met verblijf. De jeugdige is verhuisd van de gemeente van de verweerder naar de gemeente van de indiener. Ten tijde van de verhuizing was sprake van informele netwerkpleegzorg. De jeugdige is op 4 juli 2025 ingeschreven bij de indiener. Op 7 juli 2025 is een aanvraag gedaan de jeugdhulp, in de vorm van pleegzorg, te formaliseren.
De hulpvraag is door de verweerder onderzocht. De jeugdige is al lange tijd bekend bij verweerder, verweerder heeft gedurende een langere periode gezocht naar een gezinsvervangende plek voor de jeugdige. In feite is hiermee de aanvraag jeugdhulp al in behandeling genomen door de verweerder. Dit maakt dat die gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Dat nadien een crisissituatie is ontstaan en dat de jeugdige vanuit deze crisissituatie, op voordracht van de ouders, is geplaatst bij de pleegmoeder maakt dit -in de optiek van indiener- niet anders.
Indiener stelt dat de plaatsing heeft plaatsgevonden met het oogmerk van netwerkpleegzorg met een langdurig karakter, hetgeen duidt op een langdurig verblijf. De verantwoordelijkheid voor het organiseren en bekostigen van de jeugdhulp ligt -gelet op de omstandigheden- bij de verweerder. Dit geldt temeer nu de aanvang van de netwerkplek begon met een crisisoplossing. In geval van een crisisplek buiten de gemeentegrens, wijzigt niet direct het woonplaatsbeginsel naar de nieuwe gemeente, dit omdat een crisisplek naar zijn aard altijd een tijdelijk en kortdurend karakter heeft.
Op 25 juni 2025, één week na de crisisplaatsing heeft de pleegmoeder reeds aangegeven de plaatsing te willen formaliseren naar een officiële netwerkpleegzorg plaatsing. Dit was het moment waarop verweerder de netwerkpleegzorg had kunnen aanvragen en dan had het woonplaatsbeginsel in die gemeente gelegen. Hier is echter niet voor gekozen en indiener heeft dan ook haar vraagtekens bij de motieven en timing van de inschrijving in haar gemeente en de kort daarop gevolgde vraag om de jeugdhulp over te nemen.
Indiener verzoekt de commissie vast te stellen dat verweerder financieel verantwoordelijk is voor de ingezette jeugdhulp.
Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Verweerder onderschrijft dat het belang van de jeugdige leidend is. Tegelijk is eenduidigheid over de verantwoordelijke gemeente op grond van het woonplaatsbeginsel essentieel voor de continuïteit van zorg en rechtmatige bekostiging.
Verweerder betwist dat zij verantwoordelijk is voor de jeugdhulp met verblijf in het geval van de jeugdige. Het geschil betreft niet of de jeugdige in juni/juli 2025 tijdelijk, middels een netwerkplaatsing, is opgevangen in een andere gemeente. Dit staat wat verweerder betreft vast. Wel betreft het de vraag wanneer en onder wiens verantwoordelijkheid de opvang is overgegaan in een formele netwerkpleegzorg plaatsing.
De jeugdige is, na een crisissituatie in de woonsituatie, met instemming van beide ouders verhuisd naar de gemeente van de indiener. Voor dit verblijf is formeel niets vastgelegd, noch is hiervoor een aanvraag ingediend. Er is dan ook geen sprake van netwerkpleegzorg maar van opvang in het netwerk.
Het woonplaatsbeginsel ziet, aldus verweerder, op daadwerkelijk geïndiceerde en ingezette hulp. De vraag welke hulp een andere gemeente ‘had moeten’ inzetten is niet beslissend voor de verantwoordelijkheidsvaststelling. De financiële verantwoordelijkheid volgt de wettelijke criteria, niet hypothetische alternatieven. Beslissend is het feitelijke moment waarop pleegzorg formeel zou worden. Aangezien verweerder geen pleegzorg heeft geïndiceerd of gecontracteerd voor 4 juli 2025, ligt de verantwoordelijkheid bij indiener omdat de formele start van de pleegzorg na de BRP-inschrijving aldaar heeft plaatsgevonden.
Verweerder wenst te benadrukken dat, in tegenstelling tot hetgeen indiener stelt, nimmer sprake geweest van een vooropgezet plan om verantwoordelijkheid af te schuiven.
Verweerder verzoekt de commissie vast te stellen dat de (financiële) verantwoordelijkheid voor de ingezette jeugdhulp bij de indiener ligt.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Het geschil betreft een jeugdige die vanwege problemen in de thuissituatie niet meer bij haar moeder in de gemeente van de verweerder kon blijven wonen.
In het kader van hulpverlening aan de jeugdige en haar ouders zijn (tot en met de verhuizing van jeugdige naar [provincienaam]) een jeugdzorgaanbieder, Veilig Thuis en het Gebiedsteam uit de gemeente van verweerder betrokken geweest.
In mei 2025 zijn het Gebiedsteam en Veilig Thuis in gezamenlijk overleg overgegaan tot een raadsmelding. Op 18 juni 2025 heeft zich vervolgens een crisissituatie voorgedaan in de thuissituatie bij de moeder van de jeugdige. Op 19 juni 2025 overweegt het Gebiedsteam dat het voor jeugdige niet veilig genoeg is om op dat moment bij moeder te verblijven. Na een anonieme casusbespreking met de Raad voor Kinderbescherming volgt het advies tot het aanvragen van een Voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) indien vader niet akkoord gaat met het opvangen van de jeugdige. Eveneens op 19 juni 2025 wordt tussen de ouders overeenstemming bereikt dat de jeugdige met de nicht van moeder mee zal gaan om daar tijdelijk (tot het einde van de zomervakantie) te verblijven en de rust terug te laten keren in het gezin van moeder. Daarmee is er geen grond meer voor het indienen van VOTS. Wel dient het Gebiedsteam een Verzoek tot Onderzoek (VTO) in met hoge prioriteit. Op 4 juli wordt dit VTO bij de Raad voor Kinderbescherming ingediend.
Op 25 juni 2025 vindt een overleg plaats tussen ouders, de nicht van moeder, de Jeugdzorgaanbieder en het Gebiedsteam. In dit gesprek wordt besproken dat jeugdige voor langere tijd, tot het einde van haar middelbare schoolperiode, bij de nicht van moeder zal (gaan) verblijven.
Op 4 juli 2025 wordt de jeugdige ingeschreven in de gemeente van indiener en op 7 juli 2025 is er contact tussen verweerder en indiener om de overdracht van de jeugdige te verzorgen.
Bij de commissie ligt de vraag voor welke gemeente op grond van het woonplaatsbeginsel, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, verantwoordelijk is voor de bekostiging van de jeugdhulp die aan de jeugdige wordt verleend.
Verantwoordelijkheid voor de ingezette jeugdhulp
De verweerder is voorafgaand aan de verhuizing van de jeugdige betrokken geweest bij de gezinssituatie. Toen bleek dat sprake was van een crisissituatie in de thuissituatie bij moeder en de jeugdige niet bij haar moeder kon blijven wonen, heeft verweerder, in verband met de ernstige onveiligheid, gezocht naar een (duurzame en) passende oplossing. Verweerder heeft allereerst de vader van de jeugdige benaderd met de vraag of deze de opvang van de jeugdige voor zijn rekening zou kunnen nemen. De vader heeft hier negatief op gereageerd.
Ondertussen heeft, in dit kader, een anonieme casusbespreking met de Raad voor de Kinderbescherming plaatsgevonden, waarbij het advies is gegeven om een voorlopige ondertoezichtstelling aan te vragen indien er geen oplossing wordt gevonden voor de opvang van de jeugdige (al dan niet bij de vader). Het is niet tot een dergelijke voorlopige ondertoezichtstelling gekomen omdat de ouders overeenstemming hebben bereikt over een tijdelijke informele plek bij de nicht van de moeder van de jeugdige. Op 19 juni 2025 is in dit kader afgesproken dat de jeugdige gedurende de zomervakantie bij de nicht van de moeder zal verblijven.
Een week na deze beslissing zijn de ouders van deze beslissing teruggekomen en hebben zij besloten dat, in het kader van de veiligheid van de jeugdige, een langer verblijf bij de nicht van moeder noodzakelijk is. Het Gebiedsteam en de jeugdzorgaanbieder zijn hierbij aanwezig.
De feitelijke verhuizing van de jeugdige naar de nicht van haar moeder -in de gemeente van de indiener- per 4 juli 2025 is het gevolg van een escalatie van de thuissituatie. Het verblijf is daarom -in eerste instantie- aan te merken als een vorm van (informele) crisisopvang en niet van (geïndiceerde) netwerkpleegzorg. Naar het oordeel van de commissie is deze gang van zaken niet ongebruikelijk: het komt vaker voor dat pleegzorg met terugwerkende kracht wordt geformaliseerd, terwijl de jeugdige in kwestie al bij de betreffende pleegouders verblijft.
De commissie verwerpt de stelling van verweerder dat (in eerste instantie) sprake is van opvang in het netwerk in plaats van (informele) netwerkpleegzorg. De commissie komt tot dit oordeel omdat de nicht van de moeder van de jeugdige in het gesprek van 25 juni 2025, tijdens welk gesprek het langdurigere verblijf van de jeugdige bij de nicht is besproken, gevraagd heeft om ondersteuning in en bij het contact met de jeugdige en de ouders. In geval van een informele zorg of opvang in het netwerk, bestaat daartoe geen formele begeleiding, dit in tegenstelling tot de situatie waarbij een verleningsbeschikking voor pleegzorg van de gemeente of de huisarts heeft plaatsgevonden. In een dergelijk geval kan ondersteuning worden geboden door een pleegzorgaanbieder. Uit deze vragen had verweerder kunnen en moeten opmaken dat op dat moment pleegzorg, al dan niet middels een netwerkplaatsing, door de ouders en de nicht van de jeugdige voorgenomen was. Dit spreekt overigens ook uit de machtiging van de ouders aan de nicht van moeder om zaken voor de jeugdige te kunnen realiseren.
Dat er formeel geen sprake is van netwerkpleegzorg, kan niet aan de indiener worden tegengeworpen. De jeugdhulp die nadien is ingezet, vloeit rechtstreeks voort uit eerdere acties en hulpverlening van de verweerder. Daarmee is verweerder verantwoordelijk gebleven voor de continuïteit van de hulpverlening aan de jeugdige, in ieder geval voor de duur van de initiële indicatiestelling. Het enkele feit dat verweerder de jeugdhulp is gestart en noodzakelijke stappen heeft gezet om een veilige verblijfplek voor de jeugdige te realiseren, als ook het contact met de Raad voor de Kinderbescherming, brengt mee dat de daarop gevolgde jeugdhulp onder diens financiële verantwoordelijkheid valt.
Conclusie
Nu vaststaat dat verweerder de jeugdhulp heeft geïnitieerd en heeft bijgedragen aan de plaatsing van de jeugdige bij de nicht van moeder, hetgeen door de commissie is beoordeeld als netwerkpleegzorg, komt de verantwoordelijkheid voor de kosten van de uiteindelijk ingezette jeugdhulp voor rekening van de verweerder overeenkomstig het woonplaatsbeginsel zoals bedoeld in de Jeugdwet.
Hoewel het in de rede ligt dat de verantwoordelijkheid op termijn wordt overgedragen aan de gemeente van verblijf, blijft de verweerder gedurende de looptijd van de initiële indicatiestelling gehouden de jeugdhulp te bekostigen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de verweerder gedurende de looptijd van de initiële indicatie financieel verantwoordelijk is voor de ingezette jeugdhulp.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw drs. M.E. Peltenburg, de heer G.J. van Noort, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. D. le Pair, secretaris, op 27 augustus 2026.