Geschil over zichtbaarheid sleuven in herstelde gietvloer

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Afbouw    Categorie: -    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 134013/145101

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument liet in 2019 een nieuwe gietvloer aanbrengen door de ondernemer, met de garantie dat eerder gefreesde sleuven niet meer zichtbaar zouden zijn. Kort na oplevering werden deze sleuven echter alsnog zichtbaar, samen met onregelmatigheden zoals kringen en opbollingen. De ondernemer stelde dat dit werd veroorzaakt door vocht in de ondergrond, waarvoor hij niet verantwoordelijk was. De consument betwistte dit en eiste kosteloos herstel.

Een deskundige onderzocht de vloer en vond geen direct bewijs van overmatig vocht, maar concludeerde dat een lichte vochtophoping mogelijk een reactie in de onderliggende lagen had veroorzaakt. De commissie oordeelde dat de ondernemer een duidelijke garantie had gegeven en dat de consument mocht verwachten dat de sleuven blijvend onzichtbaar zouden blijven. Daarom moet de ondernemer de vloer zonder kosten herstellen. Daarnaast moet hij de consument €127,50 vergoeden voor de klachtkosten en behandelingskosten aan de commissie betalen.

De uitspraak

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Afbouw (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 te Den Haag.

De commissie heeft de behandeling van het geschil op basis van de stukken, zonder mondelinge behandeling, afgedaan.

Onderwerp van het geschil

De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft een gietvloer.

Standpunt van de consument

Voor het – namens hem verwoorde – standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Kort samengevat heeft client in 2018 met de firma [onderneming] een overeenkomst gesloten voor het herstellen van een gietvloer in zijn woning. Kort nadat deze herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd ontstonden enkele gebreken waarna is besloten een gehele nieuwe gietvloer over de bestaande vloer aan te brengen. Op advies van [naam onderneming] heeft client daarbij gekozen voor een bepaald type/merk gietvloer, zijnde: Urban Velvet. Daarbij is door [onderneming], onder andere, de garantie afgegeven dat de sleuven die in de “oude” vloer waren gefreesd door de nieuwe gietvloer zouden worden opgevuld en niet meer zichtbaar zouden worden/zijn. Op basis van deze garantie is client akkoord gegaan en is de vervangende vloer eind mei 2019 door [onderneming] in de woning van cliënt aangebracht.
In eerste instantie was client tevreden over het resultaat echter al vrij snel daarna werd duidelijk dat de gevreesde sleuven toch weer omhoogkwamen en dus wel zichtbaar werden. Daarnaast ontstonden er vreemde kringen op meerdere plaatsen van de vloer. Deze gebreken zijn medio 2019 door client aan [onderneming] kenbaar gemaakt. Als reactie hierop stelde [onderneming] zich op het standpunt dat de problemen zouden worden veroorzaakt door een vermeend vochtprobleem in de woning van cliënt.
Per brief van 11 maart 2021 is [onderneming] door ondergetekende formeel in gebreke gesteld. [Onderneming] is daarbij in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen of vervangen. Als reactie hierop heeft [onderneming] aangegeven geen her stel/vervanging te zullen uitvoeren en stelt zich daarbij opnieuw op het standpunt dat de problemen zouden worden veroorzaakt door een vermeend vochtprobleem. Client kan zich hierin niet verenigen. Cliënt wenst graag dat de geconstateerde gebreken kosteloos door [onderneming]worden hersteld dan wel vervangen.

Standpunt van de ondernemer

Voor het – namens hem verwoorde – standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Het is juist dat [onderneming] in 2018 (21 juni 2018) een overeenkomst heeft gesloten voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan de gietvloer bij familie [familienaam] (hierna: [consument]). Dit, omdat sprake was van waterschade aan de gietvloer. De herstelkosten werden door de verzekeraar gedekt. In afwijking van de normale garantievoorwaarden van drie jaar, heeft [onderneming] garantie op herstelwerkzaamheden uitgesloten in de overeenkomst.
Na uitvoering van de herstelwerkzaamheden bleek dat deze niet het gewenste resultaat hadden. De vloer bleek krasgevoelig te zijn en er waren op details wat onregelmatigheden zichtbaar. [Onderneming] heeft toen aangeboden om dit kosteloos te herstellen middels het aanbrengen van een overlaging met een PU. Dit betekende wel dat het in de vloer aanwezige ingefreesde sleuvenpatroon niet meer kon worden gehandhaafd. [Onderneming] heeft daarbij aangegeven dat de vloer glad zou worden.
[Onderneming] heeft mondeling en schriftelijk aan [consument] uiteengezet dat op de herstelwerkzaamheden geen garanties konden worden gegeven. Er was immers sprake geweest van waterschade en voor [onderneming] onbekend en ook onvoorzienbaar of en hoe dat mogelijk tot nadelige gevolgen zou kunnen leiden.
Op basis hiervan zijn de werkzaamheden uitgevoerd en opgeleverd. [Consument] was tevreden met het resultaat.
Na enkele maanden bleek dat op meerdere plaatsen waar de sleuven aanwezig waren, rillen ontstonden, alsook werden cirkels zichtbaar. [Onderneming] heeft zulks onderzocht en vastgesteld dat de oorzaak van het rillen moet zijn gelegen in een probleem in de ondergrond, dat door [onderneming] niet kon worden voorzien. [Onderneming] vermoedt dat sprake is van vocht. [Consument] meende echter dat [onderneming] wederom kosteloos moet overgaan tot herstel, nu [onderneming] zou hebben gegarandeerd dat de sleuven niet meer zichtbaar zouden zijn.

Garantie op zichtbaarheid sleuven
Het is juist dat [onderneming] in de e-mail van 29 januari 2019 heeft geschreven:
“De in gefreesde sleuven welke u nu in de vloer geeft zullen worden dichtgezet en zullen dus niet meer te zien zijn; het vloeroppervlak wordt geheel vlak. Bij de Urban Velvet vloer kunnen we garanderen dat sleuven dan ook niet meer zichtbaar zijn, bij de Living Concrete kunnen we dat niet.”
Bij [consument] lag een Living Concrete vloer, zijnde een cementgebonden gietvloer. Dit materiaal werkt anders dan een Polyurethaan gebonden vloer, zoals de Urban Velvet, waardoor [onderneming] aan [consument] de PU gietvloer heeft geadviseerd. De sleuven zijn dichtgezet met een dood materiaal, dat uit zichzelf niet zal werken na droging daarvan. Bij oplevering van de vloer waren de sleuven ook niet zichtbaar, zoals bedoeld in de e-mail van 29 januari 2019. Per e- mail van 4 juni 2019 heeft [consument] ook bevestigd dat de vloer egaal glad is geworden en de in gefreesde sleuven dus ook niet meer zichtbaar zijn, e.e.a. zoals door [onderneming] in de mail van 29 januari 2019 is bevestigd.
Wat na circa vier maanden echter bleek, was dat op de plaats waar de sleuven hadden gezeten de vloer omhoog werd gedrukt. Er ontstonden rillen. Dat kan een dood materiaal uit zichzelf niet doen. Dit materiaal zet niet uit, zodat de oorzaak van het rillen niet moet worden gezocht in het door [onderneming] vervaardigde werk, maar in een oorzaak buiten [onderneming]. [Onderneming] heeft deze gevolgen ook vooraf niet kunnen voorzien. De deskundige van de commissie zou zulks kunnen vaststellen.
Juist omdat er vooraf sprake is geweest van waterschade, heeft [onderneming] geen garantie op de uit te voeren werkzaamheden kunnen geven. Dit is in de opdrachtbevestiging vastgelegd. Daarin zegt [onderneming]: “[onderneming] verleent drie jaar garantie conform de CWB-voorwaarden. Deze geldt op herstelwerkzaamheden niet.”
Blijkt het dat het inderdaad zo is wat [onderneming] stelt dat de oorzaak van het rillen van de sleuven veroorzaakt wordt door een gebrek dat in de ondergrond aanwezig is, dan is [onderneming] daar niet verantwoordelijk voor. Immers, het bepaalde in art. 7:760 lid 2 BW bepaalt dat de gevolgen van een gebrekkige ondergrond voor rekening en risico van de opdrachtgever, in dit geval [consument] zijn. Dit is alleen anders, indien [onderneming] mogelijk haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Maar, dat is niet het geval. [Onderneming] heeft namelijk niet kunnen voorzien dat sprake was van een mogelijk (vocht) probleem in de ondergrond. Het is juist dat sprake is geweest van waterschade (hemelwater/regen is over de dorpel naar binnen gelopen), maar uit niets volgde dat sprake was van een blijvend of structureel probleem in de ondergrond. De ondergrond was droog en schoon bij aanvang van de werkzaamheden. De schade was immers veroorzaakt door water dat over de vloer was gelopen bij de deur. Dat is geen structureel probleem in de ondergrond. In de CBW voorwaarden is daarover aanvullend tussen partijen nog opgenomen: “De ondernemer is niet aansprakelijk voor schade door oorzaken die hij niet kende of zou moeten kennen. Die oorzaken kunnen bijv. zijn: – het niet blijvend droog zijn van de vloer, mits de ondernemer vooraf de vochtigheidsgraad van de vloeren heeft gemeten en het resultaat daarvan voldoende was.”
Daarbij heeft [onderneming] wel degelijk aangegeven dat op de herstelwerkzaamheden geen garantie konden worden gegeven. De gegeven ‘garantie ‘voor het niet meer zichtbaar zijn van de sleuven zag ook niet op onvoorziene oorzaken in de ondergrond, maar op de wijze van uitvoeren van het herstel en de producteigenschappen van de diverse vloerafwerkingen. En, na uitvoering van de werkzaamheden waren deze sleuven ook niet meer zichtbaar. Daar zag deze garantie op. [Onderneming] vermoedt ook dat als er geen sprake was geweest van dichtgezette sleuven op dit project, de vloer elders zou zijn gaan opbollen. Dat blijkt ook wel uit het feit dat ook cirkelvormige aftekeningen ontstonden. De oorzaak van het rillen ligt dus niet bij de wijze van uitvoeren van de werkzaamheden. Het onderliggende probleem zal dus ook eerst opgelost moeten worden, alvorens überhaupt sprake kan zijn van herstel, los van de vraag wie dat zal moeten uitvoeren.
Het verzoek van [onderneming] zal dan ook moeten worden afgewezen.

Rapport van de deskundige

De bevindingen van de deskundige zijn neergelegd in het rapport waarvan de inhoud – voorzover thans van belang – als volgt luidt.

Ter plaatse tref ik een grijze polyurethaan gietvloer aan met daarin een groot aantal merkwaardig afgetekende onregelmatigheden alsook duidelijke opbollingen op de voormalige schijnvoegen die werden gevuld. In het oppervlak van de gietvloer zijn “eilanden” zichtbaar en ringvormige oneffenheden, zowel verhoogd als juist daaromheen verhoogd.
Ter plaatse van één van de eilanden is door mij een kleine opening gemaakt om te beoordelen of vocht een rol heeft gespeeld, bijv. in de vorm van aantasting van het polyurethaan door alkalisch vocht (“verzepen”) of blaasvorming (“osmose”). Uit het gaatje kwam slechts droog stof. Van beide oorzaken of bovenmatig vocht-aanbod is mij niet gebleken.
Met een indicatieve vochtmeter is beoordeeld of ter plaatse van de onregelmatigheden sprake is van een verhoogd vochtgehalte. Dit is in deze specifieke situatie een acceptabele beoordelingsmethode omdat de onderliggende kunststof siergrindvloer een toetreding van vocht zou moeten belemmeren en door de sterk damp remmende thans aanwezige polyurethaan gietvloer zou accumulatie van vocht in de top van het vloer-systeem aan de orde kunnen zijn. Een equivalent van circa 3% m/m werd gemeten, niet voldoende om tot schade aan de gietvloer te leiden, maar wel meer dan op grond van de laagopbouw zou worden verwacht.
Feitelijk schadeonderzoek zou ingrijpend destructief onderzoek en laboratoriumtest vereisen. Om die reden beperk ik mij in deze situatie tot redenatie.
In de gegeven situatie is niet gebleken van een bovenmatig vochtpercentage. Op zich zou optrekken van vocht wel kunnen optreden. Het betreft een woning uit 1900 die daarom niet conform het huidige Bouwbesluit werd voorzien van een vochtwerende folielaag aan de onderzijde. De woning ligt vrijwel op gelijke hoogte met het naast de woning gelegen water (de oude Rijn). Er is dus op zich vochtaanbod onder de constructievloer en de constructievloer zou in principe optrekkend vocht toestaan.
De aangebrachte siergrindvloer is echter gebonden met epoxy en dergelijke vloeren worden in algemeenheid op een epoxy primerlaag aangebracht of met een verhoogd bindmiddelgehalte verwerkt, zodat indirect een vrij goede benatting van de dekvloer plaatsvindt. Een dergelijke primerlaag werkt als een semipermeabel, relatief damp remmende tussenlaag. De siergrind vloerafwerking had geen zichtbare gebreken zoals nu worden waargenomen.
Op de siergrindvloer werd een cementgebonden gietvloer (met daarna een identieke overlaging) aan- bracht, nadat deze eerst met een tegellijm was geëgaliseerd. Consument gaf aan dat in het oppervlak van deze cementgebonden gietvloer na verloop van tijd onvolkomenheden werden waargenomen die vergelijkbaar zijn met het huidige beeld van onregelmatigheden. Dit zou kunnen worden verklaard als er inderdaad sprake is van enig optrekkend vocht door de siergrindvloer en er een kristallisatieproces in de tegellijm of cementgebonden gietvloer is ontstaan. De cementgebonden gietvloer was dampopen, zodat van een meetbaar verhoogd vochtgehalte in die overlaging geen sprake zal zijn geweest.
Vervolgens werd de cementgebonden gietvloer bij herhaling voorzien van een water gedragen epoxy coating. Alvorens deze aan te brengen werden in de cementgebonden gietvloer ontstane onregelmatigheden weggeschuurd. Naast opgetreden vochtschade ging deze coating onthechten en vergelijkbare onregelmatigheden vertonen in het oppervlak, zo werd aangegeven. Een water gedragen epoxycoating is minder dampdicht dan een polyurethaan gietvloer, maar kan evenmin dit schadebeeld vanuit zichzelf veroorzaken. Zou de ondergrond echter vervormen, bijv. doordat de eerder weggeschuurde oneffenheden opnieuw optreden (en dat zou bij een kristallisatieproces in de onderliggende lagen mogelijk zijn), dan zal dit zich zonder meer in een water-gedragen epoxycoating aftekenen, ook als er meerdere lagen van worden aangebracht.
Ten laatste is dan gekozen voor een relatief dampdichte polyurethaan gietvloer. Er is geen sprake van een wezenlijk verhoogd vochtgehalte in de ondergrond, maar 3% boven een kunststof siergrindvloer is toch als relatief hoog aan te merken. Voor kristallisatie is geen erg hoog vochtpercentage nodig, zouten zijn hygroscopisch van aard en hebben aan weinig vocht genoeg om tot expansie over te gaan.
In dit geval acht ik de oorzaak van de zonder meer uiterst merkwaardige onregelmatigheden in het vloeroppervlak van de woonkamer het gevolg van een weinig optrekkend vocht die een reactie aangaat met de daarop aangebrachte tegellijm of cementgebonden gietvloer. De daarna aangebrachte lagen hebben telkens het optredende schadebeeld weggenomen en tijdelijk glad overlaagd. Om dit probleem op te lossen acht ik het noodzakelijk om de vele over elkaar heen aangebrachte lagen te verwijderen en een nieuw vloersysteem op te bouwen.
Het laatstelijk aangebrachte vloersysteem is NIET de oorzaak van de optredende afwijking. Partijen zijn het erover eens dat deze in eerste instantie vrij was van de thans zichtbare onregelmatigheden. Een polyurethaan gietvloer kan deze schade niet zelf veroorzaken, daarvoor is een zich vanaf de onderzijde aanbiedende oorzaak noodzakelijk.
Herstel is mogelijk door het verwijderen van het huidige vloersysteem in het lage deel van de woonkamer tot op de cementgebonden dekvloer. In de hal hoeven geen werkzaamheden te worden verricht, de vloeropbouw wijkt daar af van de woonkamer.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie onderschrijft in grote lijnen het rapport van de deskundige.
De commissie gaat voorbij aan het verweer van de ondernemer dat geen garantie wordt gegeven op herstelwerkzaamheden. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de oorspronkelijke opdracht voortvloeide uit waterschade van bovenaf en dat de in het kader van die opdracht gelegde vloer gebreken vertoonde welke door de ondernemer kosteloos zijn hersteld, waarbij de ondernemer in de mail van 29 januari 2019 het volgende heeft gesteld: ‘De in gefreesde sleuven welke u nu in de vloer heeft zullen worden dichtgezet en zullen dus niet meer te zien zijn; het vloeroppervlak wordt geheel vlak. Bij de Urban Velvet vloer kunnen we garanderen dat sleuven dan ook niet meer zichtbaar zijn.’ De commissie kan die toezegging niet anders uitleggen dan dat de consument mocht verwachten dat de sleuven niet alleen direct na het leggen van de vloer, maar permanent niet meer zichtbaar zouden zijn. In die zin heeft de ondernemer niet een specifiek voorbehoud gemaakt en gaat zijn verweer met betrekking tot het karakter van de oorspronkelijke overeenkomst niet op.

Naar het oordeel van de commissie zijn de door de deskundige geadviseerde werkzaamheden een adequate oplossing voor het probleem. De ondernemer is gehouden deze werkzaamheden zonder kosten voor de consument uit te voeren.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer voert de door de deskundigen geadviseerde werkzaamheden uit binnen acht weken na datum verzending bindend advies zonder de consument daarvoor kosten in rekening te brengen.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Afbouw, bestaande uit de heer mr. D.J. Buijs, voorzitter, de heer mr. A.B. van Kruistum, de heer mr. B.W. Weilers, leden, op 20 april 2022.

 

Opslaan als PDF