Herstel oorspronkelijke overeenkomst na eenzijdige opzegging door energieleverancier

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie Zakelijk    Categorie: Opzeggen en annuleren    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 136286/141446

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Het geschil vloeit voort uit tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst op grond waarvan de ondernemer zich heeft verbonden tot het leveren van gas en elektriciteit. De klant heeft een vijfjarig contract afgesloten voor de levering van energie. De aanbieder heeft deze overeenkomst eenzijdig opgezegd vanwege de stijgende gas- en stroomprijzen op de energiemarkt. De klant voelde zich hierdoor genoodzaakt om een contract aan te gaan met een andere leverancier, tegen een hoger tarief. Volgens de aanbieder was er geen sprake meer van een vast contract, waardoor de prijzen aangepast mochten worden. De commissie verwerpt het verweer van de aanbieder en bepaalt dat de klacht van de klant gegrond is. De leverancier is aansprakelijk voor de schade en dient te zorgen voor Herstel van de oorspronkelijke overeenkomst.

De uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een of meer tussen partijen totstandgekomen overeenkomst(en) op grond waarvan de ondernemer zich heeft verbonden tot het leveren van gas en elektriciteit, verder tezamen aan te duiden als ‘energie’. De levering vond plaats tot eind oktober 2021. Klaagster heeft op 25 oktober 2021 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van klaagster
Het standpunt van klaagster luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer heeft ten onrechte bij brief van 29 september 2021 de levering van gas per 1 november 2021 eenzijdig beëindigd. De klaagster had met ingang van 1 september 2019 een contract voor de levering van gas en elektriciteit voor de duur van vijf jaar, tot 1 september 2024. De ondernemer heeft deze overeenkomst eenzijdig opgezegd vanwege de stijgende gas- en stroomprijzen op de energiemarkt. Daarin mag echter volgens de ACM geen grond zijn gelegen om een vast contract open te breken of te beëindigen.

Klaagster heeft zich genoodzaakt gezien om – zoals de ondernemer in de opzeggingsbrief ook adviseerde – voor de levering van energie een contract aan te gaan met een andere leverancier. De klaagster heeft hierdoor schade geleden, bestaande uit het prijsverschil tussen het met de ondernemer overeengekomen tarief en het door de nieuwe leverancier gerekende tarief.

Na inschakeling van haar gemachtigde heeft de ondernemer voorgesteld om het beëindigde contract alsnog voort te zetten. Klaagster heeft daarop aanspraak gemaakt op vergoeding van de opzegboete die zij in dat geval aan haar nieuwe leverancier verschuldigd zou zijn, alsmede op vergoeding van het prijsverschil tussen het met de ondernemer overeengekomen tarief en het door de nieuwe leverancier berekende tarief. De omvang hiervan kan de klaagster niet eenvoudig vaststellen, omdat (enerzijds) de ondernemer haar geen toegang meer verleent tot de digitale klantomgeving en klaagster dus geen inzage meer heeft in de in het verleden met de ondernemer gesloten contracten en (anderzijds) omdat zij met de nieuwe gasleverancier een variabel tarief is overeengekomen en het totale verschil zich dus pas laat berekenen per 1 september 2024.

De ondernemer heeft klaagster daarin echter niet tegemoet willen komen, maar stelt nu ineens dat de klaagster vrijwillig zou zijn overgestapt naar een nieuwe leverancier. De ondernemer had dit echter geadviseerd in de opzeggingsbrief en heeft daarmee onjuiste informatie aan klaagster verstrekt.

Ter zitting heeft de klaagster verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
Naar aanleiding van de brieven van de ondernemer heb ik nog geprobeerd om telefonisch contact te krijgen. Ik kreeg een dame van de klantenservice aan de lijn. Die wilde mij niet doorverbinden met iemand die bevoegd was om over deze kwestie te beslissen. Zij liet mij weten dat ze mij niet langer wilden leveren tegen het tarief uit het contract dat tot 2024 liep. De ondernemer heeft niet met mij gebeld. Ik heb nu een contract met een variabel tarief. Niemand is meer bereid om mij een vast contract aan te bieden.

Het contract met de ondernemer is geregeld door tussenkomst van Mebo Adviesgroep. Ik beschik zelf wel over een ondertekend contract. Ik kan dat alsnog scannen en aan het dossier toevoegen. Als een medewerker van de Mebo-groep dat niet aan de ondernemer heeft overgedragen, is dat niet mijn probleem. Die medewerker ken ik als ‘Jefry’.
Ik heb geen idee wat mijn nieuwe leverancier aan opzegboete in rekening gaat brengen als ik terugkeer naar de ondernemer. Mijn huidige contract loopt tot november 2022, alleen op basis van een variabel tarief. De energie kost me nu 4 à 5 keer zoveel als op basis van het beëindigde contract.

Namens klaagster is voorts nog het navolgende aangevoerd door mevrouw Katoen.
Ik blijf bij hetgeen ik in de voorgaande zaken ook al heb opgemerkt. De bedenktijd van 14 dagen bij een overstap geldt alleen voor consumenten, niet voor ondernemers, ook niet wanneer dat kleinverbruikers zijn. Ik weet niet of er ondernemers zijn die kleinverbruikende ondernemers ook een bedenktijd gunnen, maar dat is zeker niet in alle gevallen zo.

Ik sta in 14 of 15 dossiers klanten van deze ondernemer bij die allemaal dit probleem hebben gehad. Geen van hen heeft mij ooit verteld dat zij door de ondernemer zijn gebeld om uitleg te krijgen over de bedoeling van de brieven van 29 september en 7 oktober 2021. Het is heel moeilijk om contact te krijgen met de ondernemer. Ik verwijs naar onder meer de recente uitzending van TROS Radar over deze ondernemer en verschillende fora op het internet. Ik betwist dan ook dat de ondernemer met de consument telefonisch contact heeft gezocht.

Klaagster heeft wel degelijk aangetoond dat zij een vijfjarig contract had met als afloopdatum 1 september 2024. Een en ander is bevestigd in een elektronisch contract dat klaagster nog heeft teruggevonden en aan het dossier heeft toegevoegd.

De klaagster verlangt dat de commissie de ondernemer zal opdragen om klaagster als klant terug te nemen tegen de voorwaarden uit het oorspronkelijke contract, alsmede het tariefverschil vanaf 1 november 2021 tot de datum waarop klaagster is teruggezet naar haar oorspronkelijke contract en de overstapboete van de nieuwe leverancier te vergoeden.

Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Klaagster is in 2012 voor het eerst klant geworden bij de ondernemer voor de levering van gas en elektriciteit. De overeenkomst had een looptijd van twee jaar en is na afloop voor een zelfde periode verlengd tot 1 september 2016. Hierna heeft de klaagster niet meer gereageerd op een nieuw aanbod van de ondernemer, waardoor de overeenkomst conform het hiertoe bepaalde uit de Algemene voorwaarden en conform de artikelen 52b lid 6 Gaswet en 95m lid 6 Elektriciteitswet 1998 is voortgezet als overeenkomst van onbepaalde duur met variabele tarieven. De stelling van de klaagster dat deze een vast contract zou hebben, is dus niet juist.

De klaagster stelt voorts ten onrechte dat de ondernemer de overeenkomst met haar zou hebben opgezegd. Dit is onjuist. Op 29 september 2021 is aan klaagster een brief gestuurd waarin uitdrukkelijk aan haar is uitgelegd dat de ondernemer haar energieleverancier blijft, maar dat het de haar vrij staat een nieuwe energieleverancier te zoeken. Vervolgens heeft de klaagster zelf – zoals zij in haar klachtformulier ook toegeeft – de overeenkomst vroegtijdig opgezegd en is zij naar een andere energieleverancier overgestapt. Dit is een keuze geweest van de wederpartij waar de ondernemer buiten staat. Er kan aldus op geen enkele wijze gesproken worden van enige aansprakelijkheid aan de zijde van de ondernemer.

Er heeft met klaagster telefonisch contact plaatsgevonden, waarbij haar zelfs is aangeboden om ondanks de door haar gedane overstap weer terug te komen bij de ondernemer. Dit aanbod heeft zij afgewezen. Het kan dan niet zo zijn dat zij nu opeens maanden later een schadeclaim kan neerleggen bij de ondernemer die elke rechtsgrondslag ontbeert.

Enkel in het kader van het treffen van een minnelijke regeling zou DGB Energie bereid zijn om de wederpartij terug te nemen als klant. Al het vorenstaande in acht nemende kan DGB Energie niet anders dan concluderen tot afwijzing van het verzoek van de klant.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
Wij betwisten het bestaan van een overeenkomst voor bepaalde tijd tegen een vast tarief. Ik merk op dat wij in onze administratie geen geaccepteerd voorstel met een handtekening van klaagster hebben teruggevonden. Het format van het stuk dat de consument heeft toegevoegd aan het dossier komt ook niet overeen met wat wij ter bevestiging opsturen. De bijlagen ontbreken, bijvoorbeeld. Voor de totstandkoming van een overeenkomst verlangen wij of een elektronische handtekening of een ‘natte’ handtekening op een papieren contract. Een dergelijk stuk hebben wij in de administratie niet teruggevonden. Het bedrijf dat klaagster noemt kennen wij wel.

Ik verwijs naar hetgeen ik in de vorige zaken al heb aangevoerd. De boodschap die wij naar onze klanten wilden doorgeven is in de brief van 29 september 2021 niet goed geformuleerd. Daarom is daar op 7 oktober 2021 een tweede brief overheen gestuurd. Die geeft de bedoeling van de ondernemer aan: niet om de overeenkomst op te zeggen, maar om aan te kondigen dat wij vanwege de sterk gestegen en fluctuerende prijzen op de energiemarkt niet langer in staat waren om aan onze klanten een passend voorstel te doen voor de levering over een bepaalde periode tegen vaste tarieven. Nadat die brief van 7 oktober was gestuurd, heeft de ondernemer ook nog telefonisch contact opgenomen met klaagster om één en ander uit te leggen.

De ondernemer heeft nooit beoogd om de overeenkomst met klaagster op te zeggen. Tussen 29 september 2021 en 7 oktober 2021 zit minder dan twee weken. Bij het overstappen heeft klaagster 14 dagen bedenktijd gehad. Binnen die termijn is de brief van 7 oktober gestuurd. Naar aanleiding van die brief had klaagster een eventuele overstap dus nog ongedaan kunnen maken. Dat heeft zij niet gedaan. Dat is haar eigen keuze, maar dan is de consequentie daarvan dat de overeenkomst met de ondernemer is geëindigd. Die bedenktijd geldt niet alleen voor consumenten, maar ook voor kleinverbruikers als klaagster, die met consumenten gelijkgesteld zijn. In elk geval houdt de ondernemer ook voor hen een bedenktijd van 14 dagen aan.

Of de klaagster schade heeft geleden, betwijfelen wij. Zij had een contract voor onbepaalde tijd en de tarieven zouden sowieso gestegen zijn. Overigens hanteert de ondernemer geen vaste peilmomenten voor het aanpassen van de tarieven bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd tegen een variabel tarief. Wanneer een dergelijke contractvorm aanvangt, betaalt de klant het tarief zoals dat op dat moment geldt. Dat tarief wordt dan pas 12 maanden na datum van ingang van het contract voor onbepaalde tijd opnieuw vastgesteld.

De beoordeling

De commissie heeft het volgende overwogen.

De eerste vraag die in geding is betreft de aard van de gesloten overeenkomst. De ondernemer voert in haar verweer aan dat geen sprake zou zijn van een contract voor bepaalde tijd tegen een vast tarief. De commissie verwerpt dat verweer. Klaagster heeft een kopie van twee e-mailberichten van de ondernemer aan haar van 7 juni 2019 aan het dossier toegevoegd, waarin de ondernemer bevestigt dat een overeenkomst voor de duur van vijf jaar tot stand is gekomen met als startdatum 1 september 2019 en als einddatum 1 september 2024. Daaruit blijkt afdoende dat de ondernemer zelf heeft bevestigd dat voor de levering van energie een contract was aangegaan voor deze periode. Het kan niet anders dan dat de ondernemer dit bij het opstellen van haar verweer in haar eigen administratie heeft kunnen verifiëren. Aangenomen mag worden dat zij in het klantendossier de inhoud van met de klaagster gevoerde correspondentie bijhoudt. Dat zij een ondertekend document van deze overeenkomst niet heeft kunnen terugvinden, betekent niet dat dit er niet is of is geweest. In elk geval heeft de klaagster haar standpunt voldoende onderbouwd. Dat de genoemde e-mails door de ondernemer aan klaagster zijn verstuurd, is verder niet betwist. De commissie neemt daarom aan dat tussen partijen een overeenkomst voor bepaalde tijd tot stand was gekomen met als afloopdatum 1 september 2024 en tegen de tarieven zoals opgenomen in de door klaagster overgelegde e-mail.

Het geschil betreft de vraag of de ondernemer de overeenkomst heeft opgezegd of niet. In dit verband stelt de commissie voorop dat het voor de vraag of de ondernemer bevoegd is om de overeenkomst op te zeggen niet uitmaakt of tussen partijen een overeenkomst voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. In beide gevallen is het – behoudens in geval van wanprestatie door de klant – de ondernemer niet toegestaan de levering eenzijdig te beëindigen bij prijsstijgingen op de energiemarkt. De toepasselijke voorwaarden van de ondernemer geven deze bevoegdheid niet, net zomin als de Gaswet of de Elektriciteitswet.

Op 29 september 2021 heeft de ondernemer klaagster een brief gestuurd met de navolgende inhoud:
“Betreft: Opzegging leveringsovereenkomst energie

Geachte heer/mevrouw,

Zoals u wellicht via nieuwsberichten heeft vernomen, zijn de energieprijzen momenteel historisch hoog. De afgelopen weken zijn de energieprijzen in korte tijd meer dan verdubbeld en op dit moment is de prijsontwikkeling zeer onzeker. Voor [ondernemer] is het op dit moment niet mogelijk uw leveringsovereenkomst voort te zetten. Conform de algemene voorwaarde maken wij gebruik van de mogelijkheid om uw leveringsovereenkomst op te zeggen.

Einddatum leveringsovereenkomst [ondernemer]
Rekening houdend met de opzegtermijn van 30 dagen eindigt de levering van elektriciteit en/of gas op 1-11-2021. De beëindiging betreft onderstaande aansluiting(en):
(…)

Overstappen naar andere leverancier
We raden u aan om u zo spoedig mogelijk aan te melden bij een andere energieleverancier om zekerheid te houden van elektriciteit en/of gaslevering.

Wanneer de marktomstandigheden het in de toekomst wel toelaten, willen we u graag vrijblijvend benaderen voor een nieuw aanbod.
Wij begrijpen dat het ook voor u jammer is dat we op deze manier onze klantrelatie moeten beëindigen.”

Op 7 oktober 2021 schreef de ondernemer aan de consument in een e-mailbericht het navolgende:
“Betreft: nadere toelichting brief 29 september jl.

Geachte klant,

Vorige week heeft u van ons een brief ontvangen met het bericht dat we uw leveringsovereenkomst voor energie op dit moment niet kunnen verlengen. Naar aanleiding van berichten in de media willen we u graag een nadere toelichting geven op enkele onjuistheden.

Momenteel zijn de energieprijzen historisch hoog en zeer volatiel. De afgelopen weken zijn de energieprijzen in korte tijd meer dan verdubbeld en op dit moment is de prijsontwikkeling nog steeds zeer onzeker. Vanwege bovenstaande ontwikkelingen kunnen we u op dit moment geen verlengingsvoorstel aanbieden.

Echter willen wij de suggestie wegnemen dat de leveringszekerheid van energie voor u in gevaar komt. [Ondernemer] staat voor eerlijke energie en wij vinden dat wij als energiebedrijf een maatschappelijke zorgplicht hebben om klanten te waarschuwen voor onverwachts grote prijsstijgingen. In de brief van 29 september jongstleden hebben wij uw leveringsovereenkomst conform de voorwaarden opgezegd en u aangeraden op zoek te gaan naar een andere energieleverancier. Mogelijk kunt u bij een andere leverancier nog gebruik maken van een relatief lage aanbieding. Door uw energieprijzen vast te zetten, kunt u zich beschermen tegen mogelijke verdere prijsstijgingen.

Mocht u zich niet kunnen aanmelden bij een andere leverancier, zullen wij uiteraard energie aan u blijven leveren. De geleverde energie zal na 1 november 2021 tegen een variabel tarief worden afgerekend. Op dit moment is de verwachting dat de nu al zeer hoge variabele energietarieven nog verder zullen stijgen.

Wij betreuren de ontstane misverstanden en vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”

Artikel 52b, lid 3 van de Gaswet (oud) zoals die ten tijde van deze correspondentie van kracht was luidde als volgt:
“Het is verboden voor de houder van een vergunning om op zodanige wijze afnemers als bedoeld in artikel 43, eerste lid, te benaderen dat onduidelijkheid bestaat over het feit dat een contract is afgesloten, de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van het contract, het bestaan van een recht op opzegging en de voorwaarden van opzegging.”
Artikel 52b, lid 3 Gaswet 2022 is overigens gelijkluidend. Artikel 95m, lid 3 van de Elektriciteitswet is ook gelijkluidend, met dien verstande dat daarin wordt verwezen naar afnemers als bedoeld in artikel 95a, eerste lid van die wet. Artikel 43, lid 1 Gaswet (oud) en artikel 95a, lid 1 Elektriciteitswet spreken over afnemers en maken daarbij geen onderscheid tussen consumenten en (kleine) ondernemers.

De commissie vindt in deze brieven, blijkens aanhef en inhoud kennelijk standaardbrieven die de ondernemer naar haar klanten heeft verzonden, een bevestiging voor het bestaan van een overeenkomst voor bepaalde tijd tegen een vast tarief. Zou immers een overeenkomst voor onbepaalde tijd bestaan, dan waren de tarieven al variabel en bestond voor de ondernemer geen aanleiding om de klant te wijzen op de omstandigheid dat zij de overeenkomst niet kon voortzetten of geen verlengingsvoorstel kon doen. De ondernemer kan immers, gelet op het bepaalde in artikel 19, lid 3 van de toepasselijke algemene voorwaarden in het geval van een contract van onbepaalde duur met variabele tarieven de prijs aanpassen wanneer marktontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

Wat er ook zij met betrekking tot de bedoeling van de ondernemer: uit de brief van 29 september 2021 kon klaagster niet anders begrijpen dan dat de ondernemer vanaf 1 november 2021 geen energie meer zou leveren. De commissie constateert dat de brief van 29 september 2021 onjuiste informatie bevat en daarmee onduidelijkheid heeft geschapen over het bestaan van een leveringsovereenkomst met klaagster. Ten onrechte kondigt de ondernemer daarin de beëindiging van de leveringsovereenkomst per 1 november 2021 aan. De daarvoor aangevoerde grond geeft haar die bevoegdheid niet, noch op grond van de Gaswet (oud) of Elektriciteitswet, noch op grond van de overeenkomst of de daarop van toepassing zijnde voorwaarden. De ondernemer heeft ook ter zitting erkend dat zij de overeenkomst niet kon opzeggen, dat de formulering van de brief van 29 september 2021 onjuist is geweest en dat het ook niet haar bedoeling was om de leveringsovereenkomst te beëindigen.

In de brief van 29 september 2021 wordt onder “Overstappen naar andere leverancier” ook ten onrechte de suggestie gewekt dat de leveringszekerheid in het geding zou zijn. Wanneer een ondernemer om welke reden dan ook niet langer in staat is om energie te leveren, geven het Besluit leveringszekerheid Elektriciteit en het Besluit leveringszekerheid gas een procedure die garandeert dat een verbruiker ook dan elektriciteit en gas blijft ontvangen. Zou sprake zijn geweest van een overeenkomst met een consument als bedoeld in artikel 6:193a, lid 1 onder a BW, dan zou het verzenden van deze brief zich laten kwalificeren als een misleidende handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193c BW.

De brief van 7 oktober 2021 is naar het oordeel van de commissie onvoldoende om de gerezen onduidelijkheid recht te zetten. De brief begint enerzijds met de onjuiste opmerking dat de ondernemer in haar eerdere brief heeft aangekondigd dat zij een overeenkomst niet kon verlengen. Die mededeling is onjuist, omdat in de eerdere brief glashard is aangekondigd dat de levering per 1 november 2021 zou worden gestaakt, ongeacht de duur van een contract. Later in de brief wordt dat dan weer wel opgemerkt, maar aan het eind van de brief wordt dan weer aangekondigd dat de ondernemer na 1 november 2021 zal gaan leveren tegen een variabel tarief. In het geval waarin voor een vaste periode een vast tarief is afgesproken, staat het echter de ondernemer niet vrij om tussentijds de tarieven te verhogen, behoudens in het geval van een wijziging van overheidstarieven of belastingen (artikel 19.5 van de algemene voorwaarden). Ook met deze opmerking wordt dus weer onduidelijkheid geschapen. Bovendien wekt de brief aan het eind de indruk dat de ondernemer alleen bereid is de levering voort te zetten, wanneer aanmelding bij een andere leverancier niet slaagt.

Dat de ondernemer naar aanleiding van deze brieven klaagster nog telefonisch heeft ingelicht is door klaagster betwist en door de ondernemer niet aangetoond door het overleggen van belnotities of andere bescheiden waaruit dit kan blijken.

Wat er ook zij met betrekking tot de bedoeling die de ondernemer met deze brieven heeft gehad: in hun onderling verband gelezen kunnen zij door klaagster in redelijkheid zijn uitgelegd als een aansporing om op korte termijn haar overeenkomst met de ondernemer op te zeggen. Daartoe bestond echter bepaald geen grond, omdat vanwege de tariefstijgingen op de energiemarkt aannemelijk is dat klaagster in dat geval een hoger tarief zou moeten gaan betalen dan op basis van het lopende contract met de ondernemer het geval was. Klaagster heeft aangevoerd dat zij na beëindiging van de overeenkomst inderdaad een overeenkomst tegen een hoger tarief heeft moeten afsluiten.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer met het verzenden van de brieven van 29 september 2021 en 7 oktober 2021 heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 52b, lid 3 Gaswet en artikel 95m, lid 3 van de Elektriciteitswet. Dat levert een tekortkoming op in de nakoming van haar verplichtingen jegens klaagster. Voldoende aannemelijk is dat klaagster als gevolg hiervan is bewogen tot een overstap naar een andere leverancier die zij niet zou hebben gemaakt wanneer de aangehaalde correspondentie niet was gevoerd. Dat deze haar een bedenktijd van 14 dagen heeft gegund, is door klaagster betwist en door de ondernemer niet aangetoond. Het bepaalde in artikel 6:230o BW (de opzegtermijn van 14 dagen) is in beginsel slechts van toepassing op overeenkomsten tussen handelaren en consumenten, waarbij artikel 6:230g BW het begrip “consument” definieert als ‘iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen.’ Klaagster voldoet niet aan die definitie. Of sommige ondernemers desondanks aan partijen als klaagster een bedenktijd gunnen kan de commissie niet vaststellen. In elk geval is met betrekking tot klaagster niet gebleken dat zij bij het overstappen naar een andere leverancier zo’n bedenktijd heeft gekregen.

Ook voldoende aannemelijk is dat klaagster als gevolg van de tekortkoming schade heeft geleden en lijdt, doordat de nieuwe leverancier voor de levering van energie een hoger tarief in rekening brengt dan het tarief dat bij beëindiging van de overeenkomst met de ondernemer door de ondernemer in rekening werd gebracht. De commissie is van oordeel dat de ondernemer aansprakelijk is voor deze schade en dat klaagster, ter beperking van die schade, op goede gronden herstel vordert van de oorspronkelijke overeenkomst, zulks als schadevergoeding in natura. Voorts dient de ondernemer op grond van het voorgaande de schade te vergoeden die klaagster heeft geleden en lijdt als gevolg van het overstappen naar een andere leverancier in de periode tot herstel van de levering door de ondernemer. Deze schade bestaat uit het verschil tussen het bedrag (exclusief de verrekenbare btw) dat de klaagster in de periode tussen 1 november 2021 en het herstel van de leveringen door de ondernemer heeft betaald en nog moet betalen voor het geleverde gas en de geleverde elektriciteit, vermeerderd met een eventueel door de huidige leverancier in rekening te brengen opzeggingsvergoeding bij herstel van de leveringen door de ondernemer. De commissie zal het gevorderde aldus geformuleerd toewijzen, met bepaling dat de ondernemer op daartoe door de consument te verstrekken specificatie binnen veertien dagen na verzending van die specificatie tot uitbetaling van de schade dient over te gaan. Mocht een en ander door toedoen van de ondernemer niet of niet tijdig plaatsvinden, dan kan klaagster zich opnieuw tot de commissie wenden, zonder dat opnieuw een klachtengeld verschuldigd zal zijn.

De slotsom luidt dat de klacht van klaagster gegrond is. Beslist wordt dus als na te melden.

Beslissing
De commissie draagt de ondernemer op om binnen veertien dagen na verzending van deze beslissing de leveringen van gas en elektriciteit te hervatten en de voor de daartoe benodigde switch te treffen maatregelen uit te voeren, een en ander voor een periode tot 1 september 2024 en tegen de tarieven zoals die zijn vermeld in de e-mails van de ondernemer aan klaagster van 7 juni 2019.

De ondernemer betaalt aan klaagster, op een door haar aan ondernemer te verstrekken specificatie, een vergoeding voor de door haar geleden schade, bestaande uit het verschil tussen het bedrag (exclusief de verrekenbare btw) dat de klaagster heeft betaald voor de geleverde energie in de periode tussen 1 november 2021 en het herstel van de leveringen door de ondernemer en de prijs die zij daarvoor had moeten betalen aan de ondernemer bij voortzetting van de overeenkomst, vermeerderd met een eventueel door klaagster aan haar huidige leverancier verschuldigde beëindigingsvergoeding.

Betaling dient plaats te vinden binnen veertien dagen na de verzenddatum van de specificatie door klaagster aan de ondernemer. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na de verzenddatum van de specificatie.

Indien een en ander door handelen of nalaten van de ondernemer niet binnen de gestelde termijnen is geschied, kan klaagster zich weer tot de commissie wenden zonder opnieuw klachtengeld te betalen.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 181,50 aan klaagster te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit mr. R.J.M. Cremers, voorzitter,
mr. C.J.J. Havermans en mr. Sj.S Bakker, leden, op 9 mei 2022.