Commissie: Voertuigverhuur
Categorie: Schade
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1005720/1128183
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een consument huurde op 1 maart 2025 een bestelbus voor een korte verhuizing. Volgens de consument had de bus bij het ophalen al meerdere beschadigingen. Na ongeveer drie uur bracht hij de bus terug en plaatste deze voor het pand van de verhuurder, omdat het kantoor al gesloten was. De sleutel werd in een sleutelkluis gedaan, zoals hij dat vaker had gedaan. Enkele dagen later kreeg de consument te horen dat er nieuwe schade aan de bus was vastgesteld en dat zijn volledige waarborgsom van € 1.000 werd ingehouden. De consument ontkende dat hij de schade had veroorzaakt en stelde dat hij de bus niet onbeheerd had achtergelaten. De ondernemer stelde dat de consument bij het ophalen had getekend voor acht bestaande schades en dat er bij controle na terugkomst een grote nieuwe schade was geconstateerd. De herstelkosten bedroegen volgens de ondernemer € 3.100. Omdat de consument de bus buiten openingstijden had ingeleverd, bleef hij volgens de voorwaarden verantwoordelijk totdat het voertuig officieel was gecontroleerd. De commissie stelde vast dat de bus bij terugname inderdaad meer schade had dan bij vertrek en dat de consument hiervoor in principe aansprakelijk is. Tegelijk vond de commissie dat de ondernemer de consument eerder duidelijk had moeten informeren over de aard en omvang van de schade en de herstelkosten. Deze informatie werd pas mondeling tijdens de zitting gegeven en kon niet meer door de consument worden gecontroleerd. Daarom besloot de commissie uit redelijkheid het bedrag dat de consument moet betalen te verminderen. De consument moet uiteindelijk € 500 betalen in plaats van de volledige borg. De ondernemer moet dus € 500 van de borg terugbetalen en daarnaast de helft van het klachtengeld vergoeden. De klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard.
De uitspraak
Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Het geschil betreft inhouden van een waarborgsom in verband met schade aan een gehuurd voertuig.
Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 1 maart 2025 haalde ik een door mij gehuurde bestelbus op bij de ondernemer (ik kom daar met regelmaat).
De bus werd snel afgeleverd. Ik maakte een kort rondje om de bus die onder de schade zat (waar ik nog een opmerking over maakte). Daarna heb ik het contract getekend. Drie uur later heb ik de bus teruggebracht, het was een simpele verhuizing. Ik heb de bus voor de deur van de ondernemer geparkeerd en de sleutel in de kluis gedaan want de vestiging was gesloten. Dit gaat al jaren goed.
De maandag er na kreeg ik te horen dat ik schade had veroorzaakt aan de bus. Daar was absoluut geen sprake van, ik heb zelf gereden en de bus is nooit onbeheerd geweest. Ik meldde dus dat dit niet kon kloppen. Desalniettemin liet de ondernemer weten dat het mijn schade is en ook een forse schade zodat ik mijn volledige borg van € 1000,– kwijt ben.
Ik voel me enorm in de maling genomen. De bus zat al onder de schade en nu wordt mij een schade toegerekend, die ik niet heb veroorzaakt en waarmee de hele bus kan worden hersteld.
Ik snap dat ik aansprakelijk ben na het neerzetten van de bus. Laat de ondernemer voortaan adviseren om de bus pas terug te brengen als er iemand is om hem in te nemen. Ik vind in principe dat ik helemaal niets hoef te betalen. Ik realiseer me dat dat niet reëel is, dus hoop op een eerlijk resultaat.
Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bij het ophalen van de bus heeft de consument getekend dat er acht schades aanwezig waren. Bij inname daarna is er een flinke nieuwe schade geconstateerd en daarom is het eigen risico belast. De consument heeft het voertuig buiten de openingstijden ingeleverd, hij blijft verantwoordelijk voor de bus tot deze kan worden ingecheckt.
Ons beleid is dat kleine schades aan een voertuig wel moeten worden vergoed, maar door ons in beginsel niet worden hersteld. De voertuigen zouden anders te lang uit roulatie zijn. Grotere schades, zoals deze, worden wel hersteld. Wanneer een voertuig te veel of grote schades heeft wordt deze door ons afgestoten. In dit geval bedroeg de schade € 3.100,–, dus aanzienlijk meer dan het eigen risico. De schade is door een extern bedrijf hersteld.
De consument heeft het voertuig na sluitingstijd van het kantoor ingeleverd en geplaatst op het terrein van ons kantoor aldaar. Dit terrein bevindt zich niet op de openbare weg maar wordt niet afgesloten. Het kan zijn dat derden de schade hebben veroorzaakt, maar dit risico is dus voor rekening van de consument op basis van de voorwaarden die hij heeft aanvaard.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Het staat vast dat de het voertuig, toen de ondernemer deze na teruggave weer incheckte, meer schade had dan waarvoor de consument bij ontvangst van de bus had getekend. Op basis van artikel 7: 218 BW en de tussen partijen gemaakte schriftelijke afspraken, is de consument hiervoor verantwoordelijk en aansprakelijk.
Dit neemt niet weg dat als de ondernemer een borg niet terugbetaalt, de consument recht heeft op inzicht in de aard en omvang van de schade die hierdoor voor zijn rekening komt. Hij heeft zelf immers niet de mogelijkheid die schade te herstellen.
De ondernemer heeft in dit geval pas ter zitting mondeling inzicht gegeven in die schade en informatie verstrekt over het herstel. De consument was hierbij niet aanwezig en heeft hierop niet kunnen reageren.
De commissie neemt op basis hiervan wel aan dat er een flinke schade aan het voertuig was maar vindt dat de consument eerder op de kosten van de schade en de wijze van herstel had moeten worden gewezen c.q. dat de ondernemer die informatie eerder in de procedure had moeten en kunnen inbrengen. De consument had dan hierop kunnen reageren. Ook de commissie zelf heeft alleen mondelinge informatie over de omvang van de schade ontvangen die zij niet kan controleren. Op basis hiervan matigt de commissie op basis van de redelijkheid en billijkheid het bedrag dat de consument aan de ondernemer verschuldigd is tot € 500,–, zijnde 50% van de waarborgsom.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.
Met betrekking tot de kosten van deze procedure oordeelt de commissie dat deze voor de helft voor rekening komen van elke partij op de wijze zoals hierna beslist.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De ondernemer dient binnen 14 dagen na verzending van dit advies aan de consument een bedrag van € 500,– (terug) te betalen.
Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf het tijdstip van verzending van dit advies.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een deel van het klachtengeld aan de consument te vergoeden, namelijk een bedrag van 50 % van het klachtengeld ad € 77,50 aan de consument te vergoeden, zijnde € 38,75.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie 50 % van de behandelingskosten verschuldigd.
De commissie wijst het meer of anders verlangde af
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigverhuur, bestaande uit de heer mr. W.F.R. Rinzema, voorzitter, de heer R. Vlasveld, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 17 juli 2025.