Commissie: Installerende bedrijven
Categorie: Overig
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Onbevoegdverklaring
Uitkomst: onbevoegd
Referentiecode:
494583/650574
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument huurde sinds 2019 een CV-ketel van de ondernemer. Na afloop van de minimale huurperiode van vijf jaar wilde de consument het contract beëindigen. De ketel was al door een ander bedrijf gedemonteerd en hoefde alleen nog opgehaald te worden. Toch bracht de ondernemer kosten in rekening voor demontage en bleef hij huur incasseren. De consument weigerde dit te betalen en legde de klacht voor aan de commissie. De commissie oordeelde dat zij niet bevoegd is om dit geschil te behandelen, omdat in de huurovereenkomst staat dat alleen de rechtbank [plaatsnaam] hierover mag beslissen. De AVIC-voorwaarden zijn niet van toepassing op deze huurovereenkomst.
De volledige uitspraak
Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit een op 7 juni 2019 tussen partijen tot stand gekomen
“Overeenkomst tot verhuur”. De ondernemer heeft daarbij aan de consument verhuurd: NEFIT PROLINE NXT HR COMBI KETEL HRC24 CW4 SCHOORSTEEN voor onbepaalde tijd met een minimale huurperiode van 60 achtereenvolgende maanden tegen betaling van een maandelijkse huur.
De consument heeft een bedrag van € 199,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
De consument heeft op 12 juni 2024 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
Begin juni 2024 is de overeengekomen periode van minimaal vijf jaar bereikt van het contract van consument met de ondernemer met betrekking tot het huren van een C.V. ketel. Eind april 2024 heeft consument het verzoek bij de ondernemer ingediend om het huurcontract op eerst mogelijke datum te beëindigen. De oude, van de ondernemer gehuurde, C.V. ketel is door de verhuurder van de nieuwe C.V. ketel gedemonteerd en vervangen.
De ondernemer stuurt vervolgens een offerte/nota van € 275.– voor demontage van het bestaande toestel die consument weigert te betalen omdat het toestel reeds gedemonteerd is en slechts dient te worden opgehaald. Na enige maanden en meerdere pogingen dit onderling op te lossen blijft de ondernemer van mening dat de in rekening gebrachte kosten voor demontage terecht zijn.
Consument is ondertussen ook een beetje moe van het heen en weer mailen waarbij consument de ene keer wordt verteld dat de € 274,- in rekening wordt gebracht voor het demonteren van de cv-ketel terwijl consument duidelijk aangeeft dat dit niet nodig zal zijn, daarna de administratiekosten blijkbaar opeens geschrapt kunnen worden en consument vervolgens doodleuk wordt verteld dat het ophalen van de ketel consument € 199.– gaat kosten.
De ondernemer blijft ondertussen maandelijks huur van betreffend toestel incasseren ondanks herhaaldelijk verzoek het contract en bijbehorend incasso te beëindigen.
Consument is er van uit gegaan dat deze commissie wel bevoegd is met bindend advies te beslissen over de vraag of de consument gehouden is het in depot gestorte bedrag te betalen aan de ondernemer.
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
consument blijft bij wat door consument is aangevoerd. Het klopt dat in de kleine lettertjes bij de huurovereenkomst wordt verwezen naar de rechter in [plaatsnaam] voor het afdoen van geschillen. Consument is bij zijn weten nooit gewezen op de verplichting om afhaalkosten te betalen aan de ondernemer. Raar is ook dat bij consument nog steeds maandelijks de huur wordt afgeschreven. Dit terwijl consument de overeenkomst heeft opgezegd.
De consument verlangt: ”Leverancier dient toestel waarvan het huurcontract op 07-06-2024 is verlopen (en op tijd is opgezegd) te komen ophalen zonder hier demontagekosten voor in rekening te brengen omdat toestel reeds gedemonteerd is door een professioneel bedrijf. Alle na deze datum geïncasseerde huur (€ 36,– per maand) dient ook te worden teruggestort, deze is na herhaaldelijk verzoek niet gestopt.”.
Standpunt van de ondernemer
De ondernemer heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunt aan de commissie kenbaar te maken.
Het standpunt van de ondernemer blijkt wel uit de correspondentie met de consument en luidt voor zover hier relevant in hoofdzaak als volgt.
“In de productvoorwaarden huur staat dit bedrag expliciet vermeld. Ik zal u in de bijlage hiervan een kopie doen toekomen. Mijn collega’s hebben uit coulance de administratiekosten laten vervallen, de demontage kosten blijven van kracht en dient u dus te voldoen. Met vriendelijke groet, (….)”.
Beoordeling van de bevoegdheid van de commissie
De commissie heeft het volgende overwogen.
Van de (door de consument opgezegde) huurovereenkomst van partijen maken deel uit algemene voorwaarden niet zijnde de Algemene Voorwaarden voor Installatiewerk voor Consumenten (AVIC).
In artikel 17 lid 1 van die algemene voorwaarden staat vermeld dat geschillen uitsluitend door de bevoegde rechter van de rechtbank Limburg worden beslecht.
De AVIC-voorwaarden zijn niet (ook) van toepassing op het door partijen overeengekomene. De destijdse plaatsing van deze huur C.V. ketel is overeengekomen in een afzonderlijke overeenkomst die wel werd beheerst door de AVIC- voorwaarden, maar die overeenkomst is nagekomen en uitgeput, en bovendien bevat die overeenkomst – anders dan de huurovereenkomst – geen bepaling over tegen betaling te verrichten (demontage)werkzaamheden bij beëindiging van de huur.
Voor de demontage van de huur C.V. ketel is de consument een offerte toegestuurd met verwijzing naar genoemde AVIC-voorwaarden, maar die offerte is niet geaccepteerd door de consument en het daarin begrepen aanbod van de ondernemer om demontage werkzaamheden uit te voeren is niet meer geldig, immers is bovendien achterhaald door het feit dat de ketel reeds is gedemonteerd en gereed ligt om te worden geretourneerd aan de ondernemer. Voor een goed begrip: de AVIC-voorwaarden zijn blijkens haar definitiebepaling alleen van toepassing op installatiewerk en niet op verhuur.
De slotsom moet dan ook zijn dat de rechtsverhouding van partijen niet wordt beheerst door de meergenoemde AVIC-voorwaarden, welke voorwaarden (zie artikel 20; “Geschilbeslechting”) relevant zijn voor het mogen aannemen dat deze commissie met bindend advies mag beslissen in het voorliggende geschil van partijen dat is gebaseerd op al dan niet nakoming van wat (alleen) in de huurovereenkomst is afgesproken bij beëindiging van die overeenkomst
De conclusie luidt dan ook dat de commissie niet bevoegd is in het geschil van partijen met bindend advies te beslissen.
Op basis van het bepaalde in artikel 20 lid 3 van het reglement van deze commissie dient bij deze beslissing het depotbedrag te worden terugbetaald aan de consument.
Daarom wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart zich onbevoegd het geschil te behandelen.
Draagt het secretariaat van de commissie op om het in depot gestorte bedrag van € 199,– terug te betalen aan de consument.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Installerende Bedrijven, bestaande uit
mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, de heer P.A. Frank en mr. W. van den Berg, leden, op
14 februari 2025.