In artikel 6, lid 4 van de voorwaarden wordt geen onderscheid gemaakt tussen een regelmatige en een onregelmatige beëindiging van de lesovereenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Rijopleidingen    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 119719

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 16 november 2017 tussen partijen totstandgekomen lesovereenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het verzorgen van een motorrijopleiding inclusief AVB-examen en praktijkexamen (AVD) voor de door consument in totaal te betalen prijs van € 1.620,–. De lesovereenkomst is uitgevoerd in de periode van medio november 2017 tot en met juli 2018. De consument heeft op 1 augustus 2018 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft bij de ondernemer een lespakket genomen van 20 rijlessen voor € 955,–, deelname aan het AVB-examen (€ 95,–) en deelname aan het praktijkexamen (€ 180,–). Nadat hij 20 lessen had gehad, heeft hij nogmaals een pakket genomen van 10 lessen voor € 390,–. Deze lessen zijn allemaal uitgevoerd.

De ondernemer heeft nagelaten om voldoende informatie te verstrekken over de vooruitgang in relatie tot de exameneisen. Tijdens de rijlessen heeft de rijinstructeur zich onheus gedragen door te schreeuwen, botte en negatieve opmerkingen te maken en de consument bewust onzeker te maken. De ondernemer heeft de consument lessen laten bijkopen zonder duidelijk te maken wanneer zijn examen was ingepland, ook niet nadat de consument daar naar had gevraagd.

Nadat de consument had laten weten geen lessen meer te willen bijkopen, heeft de ondernemer geweigerd het reeds betaalde examengeld terug te betalen.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

Ik heb zeker de laatste lessen nauwelijks nog instructies of aanwijzingen gekregen. De ondernemer reed achter mij aan en deed niet meer dan aangeven dat ik links of rechts moest afslaan. Dat was eigenlijk al vanaf les 18. Hij bleef maar doorgaan met het vragen om meer lessen. Bij de 30e les heb ik gezegd dat ik het lessen nu echt wilde afronden. Hij merkte toen op dat we de week daarop nog twee lessen zouden doen en dat we de opleiding dan zouden afronden. Een half uur tevoren heeft hij vervolgens de les afgezegd, terwijl ik mij nota bene daarvoor had afgemeld voor de begrafenis van mijn buurman. Hij ging op vakantie. Dat was voor mij de druppel die de emmer deed overlopen.

Afgelopen vrijdag heeft zijn accountant nog contact met mij gezocht. Ik zou hier niet naartoe moeten gaan, want dat zou me wel € 500,– kunnen gaan kosten. Er werd ook gedreigd met het inschakelen van een incassobureau, maar er valt niets te incasseren, want ik heb alles betaald wat betaald moest worden.

Hij wil het examengeld niet terugbetalen, omdat volgens hem het examengeld onderdeel uitmaakt van de pakketprijs. Maar volgens mij is de pakketprijs de prijs voor het lesgeld en niet voor het examen. Bovendien staat in de toepasselijke voorwaarden dat het examengeld altijd wordt terugbetaald. Bij mijn weten is er nooit een examen aangevraagd. Ik heb de machtiging voor het aanvragen daarvan ingetrokken. Ik weet niet of de ondernemer reserveringskosten heeft voldaan aan het CBR. Maar hij is hier vandaag ook niet verschenen om daarover helderheid te geven. Dat de ondernemer in zijn verweer een bedrag noemt dat hij wegens reserveringskosten op mijn examengeld in mindering wil brengen wil nog niet zegen dat hij dat bedrag ook aan het CBR heeft betaald. Dat hij het aan het CBR heeft betaald, staat niet in zijn brief.

De consument verlangt terugbetaling van het examengeld ad € 180,–.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Op grond van artikel 6, lid 2 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden kan de overeenkomst die de consument met de ondernemer heeft gesloten alleen beëindigd worden, en heeft de consument ook alleen aanspraak op een restitutie, wanneer sprake is van een dringende reden. De consument heeft de overeenkomst opgezegd zonder dat daartoe een dringende reden bestond. In dat geval heeft hij geen aanspraak op restitutie van enig bedrag.
Uit coulance is de ondernemer bereid om het examengeld terug te betalen, verminderd met een bedrag van € 109,– wegens reserveringskosten en met een bedrag van € 39,– voor één motorrijles.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

In de toepasselijke voorwaarden is onder meer in artikel 6 een regeling opgenomen voor het beëindigen van de lesovereenkomst. De relevante delen van dit artikel luiden als volgt:
“2. Indien de lesovereenkomst is aangegaan voor een vast aantal lessen of voor een vast overeengekomen periode kan de leerling de lesovereenkomst slechts beëindigen indien er sprake is van een dringende reden zoals vermeld in artikel 2 lid 2.
(…)
4. Bij beëindiging van de lesovereenkomst heeft de leerling in alle gevallen recht op restitutie van aan de verkeersschool betaalde examengelden ter hoogte van het door het CBR, de CCV of het BNOR vastgestelde tarief, voor zover de verkeersschool deze gelden nog niet heeft afgedragen aan het CBR, de CCV of het BNOR.”

De ondernemer voert aan dat er geen dringende reden bestond voor de consument om de lesovereenkomst te beëindigen. Dat neemt naar het oordeel van de commissie niet weg dat de consument wel degelijk de lesovereenkomst heeft beëindigd. Wellicht bestond daarvoor geen dringende reden, maar dan zal sprake zijn van een onregelmatige beëindiging. Ook een onregelmatige beëindiging is een beëindiging.

In artikel 6, lid 4 van de voorwaarden wordt geen onderscheid gemaakt tussen een regelmatige en een onregelmatige beëindiging van de lesovereenkomst. In tegendeel: door de bewoordingen van lid 4 wordt de indruk gewekt dat de leerling “in alle gevallen”, dus ongeacht de reden voor of kwalificatie van de beëindiging, bij een beëindiging van de overeenkomst het examengeld terug krijgt.

Het voorgaande brengt de commissie dan tot het oordeel dat de consument aan de toepasselijke voorwaarden het vertrouwen mag ontlenen dat hij ook bij een beëindiging om een andere reden dan een dringende reden als genoemd in artikel 2 lid 2 van de algemene voorwaarden aanspraak heeft op terugbetaling van examengeld, alles voor zover dit niet reeds door de rijschoolhouder is afgedragen aan het CBR.

In zijn reactie op de klacht van de consument heeft de ondernemer niet gesteld dat hij het examengeld al aan het CBR heeft betaald. Uit de enkele opmerking dat hij reserveringskosten in mindering wil brengen op het terug te betalen bedrag volgt op zich niet dat een dergelijke betaling aan het CBR ook al heeft plaatsgevonden. De consument heeft dit ter zitting in twijfel getrokken en de ondernemer is niet ter zitting verschenen om één en ander nader toe te lichten.
In dat geval is de commissie niet gebleken dat zich hier het geval voordoet waarin de ondernemer niet gehouden zou zijn tot terugbetaling van het examengeld.

Het voorgaande leidt dan tot na te melden beslissing.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 180,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.
Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 77,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie een bijdrage in de behandelingskosten van het geschil verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Rijopleidingen, bestaande uit de heer mr. R.J.M. Cremers, voorzitter, de heer A. Belt en de heer ing. D.G. Kooman, leden, op 14 november 2018.