Commissie: Energie
Categorie: Tariefbepalingen
Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
653313/68255
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De consument kreeg bij tussentijdse opzegging van haar energiecontract een indicatieve boete van € 333,79. De definitieve boete bleek echter € 703,80, ruim het dubbele. De commissie oordeelt dat de ondernemer de indicatieve boete op een verkeerde manier berekende en dat de consument mocht vertrouwen op het opgegeven bedrag. Daarom hoeft zij alleen de indicatieve boete te betalen. Het depotbedrag wordt deels aan de ondernemer en grotendeels aan de consument uitgekeerd.
De volledige uitspraak
Samenvatting
De consument klaagt erover dat haar een definitieve opzegboete berekend wordt die aanzienlijk afwijkt van de indicatieve boete. De commissie oordeelt dat de ondernemer de indicatieve boete op een niet-overeengekomen wijze berekend heeft.
Beoordeling
Partrijen hebben met elkaar met ingang van 26 september 2023 een overeenkomst gesloten voor de levering van energie gedurende drie jaar. De consument heeft de overeenkomst voortijdig opgezegd. De discussie gaat over de berekening van de opzegboete. De ondernemer heeft op verzoek van de consument op 8 augustus 2024 een indicatieve opzegboete berekend. Die bedroeg € 333,79, waarbij de consument zich realiseerde dat het om een voorlopige boete ging die, naar haar verteld was, ongeveer € 50,– zou kunnen afwijken van de definitieve boete. De overeenkomst is per 25 augustus 2024 beëindigd. De eindafrekening is door de consument ontvangen op 30 augustus 2024 (dus meer dan 9 dagen na ontvangst van de indicatieve boete, de toegekende bedenktijd). Op die eindafrekening stond de definitieve opzegboete ad € 703,80.
De consument klaagt erover dat de boete bijna het dubbele (in feite meer dan het dubbele, toevoeging commissie) bedraagt van de indicatieve boete. Zij wijst erop dat bij de berekening van de definitieve boete gekeken moet worden naar het historisch verbruik. De ondernemer interpreteert dat als het verbruik gedurende het lopende contract. De consument zegt dat gekeken moet worden naar de periode vanaf 2021, toen zij op dit adres voor het eerst een overeenkomst met de ondernemer sloot. Ook voert zij aan dat de boete niet transparant is, omdat zij haar beslissing om op te zeggen gebaseerd heeft op de indicatieve boete, die onvoldoende indicatie geeft over de uiteindelijke boete. Bovendien vindt zij dat het tarief gebaseerd moet zijn op het economisch verlies van de ondernemer.
De commissie overweegt dat de ondernemer verwezen heeft naar zijn Voorwaardenoverzicht, dat onderdeel uitmaakt van het tussen partijen overeengekomene, in het bijzonder de artikelen 5.4 en 5.5. De commissie constateert dat de ondernemer de definitieve boete berekend heeft conform het in genoemd artikel 5.4 bepaalde, dat in overeenstemming is met de ‘Beleidsregel Redelijke opzegvergoedingen vergunninghouders 2023’ van de Autoriteit Consument en Markt. De commissie constateert ook dat de ondernemer de indicatieve boete niet berekend heeft op dezelfde wijze. Immers hij heeft ter berekening van de resterende hoeveelheid energie zich gebaseerd op gegevens uit het Centraal Aansluitingenregister
(C-AR). In artikel 5.5, dat gaat over de indicatieve boete, wordt over de berekeningswijze niets vermeld, maar voor de hand ligt dat zulks gebeurt op dezelfde wijze als vermeld in artikel 5.4. Immers over een afwijkende berekeningswijze van de indicatieve boete wordt niets gezegd, noch wordt dat vermeld in het bericht waarin de indicatieve boete medegedeeld wordt. Volgens voornoemd artikel 5.4 wordt van de gegevens uit dat register gebruik gemaakt als de overeenkomst tussen partijen korter dan 120 dagen heeft geduurd, hetgeen hier niet het geval is. De ondernemer betoogt echter dat zijn berekening van de indicatieve boete op basis van gegevens uit het C-AR in de markt gebruikelijk is als de eerste jaarnota nog niet verschenen is (zoals in deze casus). De commissie overweegt dat de consument een slimme meter heeft, zodat de ondernemer op basis van het verbruik tot de opzegdatum de indicatieve boete had kunnen berekenen. Doordat het geschatte verbruik (Standaard Jaarverbruik) uit het C-AR lager was dan haar werkelijke verbruik was de indicatieve boete lager dan de definitieve boete en als gevolg daarvan is de consument bij de beoordeling of zij tussentijds zou opzeggen van een verkeerd gegeven uitgegaan. Zou de ondernemer uitgegaan zijn van het verbruik volgens de meterstanden, zou in elk geval de berekening van de resterende hoeveelheid energie meer aansluiten bij dat gegeven als verwerkt in de definitieve boete. De commissie komt tot het oordeel dat er geen reden voor de ondernemer was om af te wijken van het tussen partijen overeengekomene. De ondernemer heeft nog verwezen naar artikel 4 van voornoemde Beleidsregel. In dat artikel staat niets over raadpleging van het C-AR in bepaalde gevallen. In de toelichting wordt wel de mogelijkheid genoemd van raadpleging van het C-AR, doch daarbij wordt vermeld dat zulks moet staan in de leveringsovereenkomst, hetgeen, als hiervoor vermeld, niet het geval is.
De consument mocht uitgaan van de indicatieve boete. De commissie zal bepalen dat de consument als opzegboete die indicatieve boete dient te betalen.
Met die beslissing behoeven de overige punten die de consument aanvoert, geen verdere bespreking meer. Nu de consument in het gelijk wordt gesteld, dient de ondernemer aan haar het klachtengeld ad € 52,50 te vergoeden.
De consument heeft de eindafrekening ad € 522,48, waarin begrepen de opzegboete ad € 703,80, niet betaald. Indien de boete € 333,79 ware geweest, had de consument € 522,48 – € 703,80 + € 333,79, derhalve € 152,47, moeten betalen. Dat leidt ertoe dat uit het depotbedrag € 152,47 minus het klachtengeld ad € 52,50, is € 99,97, aan de ondernemer wordt uitgekeerd. Het restant ad € 422,51 wordt aan de consument gerestitueerd.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Aan de consument had door de ondernemer op de hiervoor vermelde wijze de opzegboete berekend dienen te worden. Dat leidt tot de hierna te vermelden verdeling van het depotbedrag.
Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag ad € 522,48 als volgt verrekend: aan de ondernemer wordt uitgekeerd € 99,97 en aan de consument € 422,51.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie, bestaande uit de heer mr. R.J. Paris, voorzitter,
de heer R.A. Timmer en mevrouw J.M.A. van Haren, leden, op 19 december 2024.