Inruilauto blijkt 10 jaar ouder dan door ondernemer aangenomen. Mededelingsplicht weegt zwaarder dan onderzoeksplicht. Beroep op dwaling slaagt.

  • Home >>
  • Voertuigen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: VOE06-0331

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil betreft de vraag of er een overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, onder welke voorwaarden.
 
De consument heeft een bedrag van € 400,– niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.
 
De consument heeft in mei 2006 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
 
In mei 2006 heb ik een gebruikte auto gekocht, voor € 7.400,–, met inruil van mijn oude auto, die op € 7.000,– werd gewaardeerd zodat ik nog € 400,– moest bijbetalen.
De volgende dag kwam de ondernemer daarop terug, omdat mijn inruilauto niet van 2001 was, zoals op deel I van het kenteken stond, maar van 1991. Ook beriep de ondernemer zich erop dat de directie de verkoop niet had goedgekeurd, maar en was helemaal geen voorbehoud gemaakt. Het argument van het jaartal gaat niet op, want dat had de ondernemer zelf heel eenvoudig kunnen controleren. Ook gaat niet op, dat ik de ondernemer had moeten informeren. Ik heb namelijk nog aan de verkoper gevraagd, waarom de inruilprijs zo hoog was, en hij heeft mij dat toen uitgelegd.
 
Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
 
Ik had nog helemaal niet het plan om een andere auto te kopen, maar ik wilde gewoon wel eens weten wat deze auto waard was. Wij waren eerst naar de overbuurman van de ondernemer geweest, en deze bood € 1.500,– tot € 2.000,–. Wat dat betreft was het wel een prettige verrassing toen de ondernemer € 7.000,– bood. Wij hebben toen wel gevraagd waarom dat bedrag werd geboden, maar er niet uitdrukkelijk bij gezegd dat de auto uit 1991 was. De verkoper zei toen, dat zij veel contacten hadden met een bedrijf dat gespecialiseerd was in 4WD-auto´s.
 
Wij hadden de auto in 2001 gekocht bij Sleutelbloem. Deze had die auto geïmporteerd; wij waren de eerste gebruiker in Nederland. De auto was toen gekeurd door de RDW en daarvan hadden wij een verklaring meegekregen. Wij wisten dat de auto van 1991 was, maar de ondernemer kon dat ook zien want dat stond op het kentekenbewijs.
 
De consument verlangt dat de overeenkomst gestand wordt gedaan.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.
 
Onze verkoper heeft gevraagd van wanneer de auto was, en te horen gekregen dat deze van 2001 was. De consument had toen de auto en het kentekenbewijs niet bij zich. Een paar dagen later is de consument met de auto gekomen, en toen is deze bekeken. Ook het kentekenbewijs is overhandigd maar toen is verzuimd dit te controleren.
De consument heeft misbruik gemaakt van ons vertrouwen door ons willens en wetens te misleiden.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.
 
Uit het kentekenbewijs blijkt, dat de auto oorspronkelijk in België, in 1991, voor het eerst geregistreerd is, dat deze op 7 augustus 2001 in Nederland op kenteken is gezet, en op 7 november 2001 op naam van de consument is overgeschreven.
De consument wist toen dat de auto ruim 10 jaar oud was.
 
Ondenkbaar is, dat de consument zich niet heeft gerealiseerd dat toen hij de auto in mei 2006 aanbood aan de ondernemer, deze reeds 15 jaren oud was.
 
Natuurlijk is het een fout van de ondernemer – die deskundiger is dan de consument – dat hij niet heeft gezien dat de auto veel ouder was dan uit het kenteken zou volgen. Een enkele blik in het kentekenbewijs had daartoe volstaan. De ondernemer heeft dus in vergaande mate zijn onderzoeksplicht verzaakt.
 
Dat laat onverlet dat de consument, wie even tevoren bij de overbuurman een € 5.000,– lager aanbod had gekregen en wist dat de auto 15 jaar oud was, begrepen moet hebben dat er sprake was van een kennelijke vergissing. De commissie acht het onbestaanbaar dat de consument zich dat niet heeft gerealiseerd, en in elk geval had zij zich dat behoren te realiseren. In een dergelijke situatie volstaat het niet met zijn verbazing uit te spreken over een vrij hoge inruilprijs, en had de consument de ondernemer uitdrukkelijk dienen te wijzen op de ver gevorderde leeftijd van de auto.
 
De commissie verstaat het beroep van de ondernemer op het feit dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen althans dat deze is geannuleerd, als een impliciet beroep op dwaling, veroorzaakt door een verzwijging van de wederpartij waar deze had moeten spreken. Dat beroep op dwaling slaagt. Het beroep op de omstandigheid dat de ondernemer zijn onderzoeksplicht had verzaakt ketst af op de omstandigheid dat de consument haar informatieverplichting grovelijk heeft veronachtzaamd.
 
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
 
Overigens dient het depot geretourneerd te worden, want het bedrag zou de consument juist enkel verschuldigd zijn als er wel een overeenkomst tot stand was gekomen.
 
Beslissing
 
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
 
Het depot wordt terugbetaald aan de consument.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen op 8 augustus 2006.