Irritatie tussen partijen over taakopvatting advocaat is geen minachting

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV03-0128

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil betreft de hoogte van de (onbetaalde) declaraties van de advocaat voor haar bijstand in de echtscheiding van de cliënt en de kwaliteit van de dienstverlening.
 
De cliënt heeft de declaratie ter grootte van € 2.667,33 niet voldaan en dit bedrag overeenkomstig het Reglement van de commissie in depot gestort.
 
Standpunt van de cliënt
 
Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak:
 
De cliënt verwijt de advocaat een gebrek aan (inzet van) inhoudelijke deskundigheid. De advocaat toonde moeite te hebben met rekenen in percentages, leverde een onduidelijke draagkrachtberekening aan waarin verkeerde cijfers waren gebruikt en de vier concepten convenant bevatten steeds weer nieuwe, volstrekt onjuiste stukken tekst. Ook verzocht de advocaat om het aanleveren van bewijsstukken terwijl deze al in haar bezit waren. Door deze gang van zaken werd het proces vertraagd en liepen de kosten op.
 
De cliënt verwijt de advocaat een grote mate van slordigheid, hetgeen blijkt uit de onjuiste gegevens c.q. afspraken die zij in de concepten convenant opnam dan wel niet overnam en het feit dat zij regelmatig euro en guldentekens met elkaar verwisselde. Het maken en het herstellen van de fouten heeft onnodige kosten met zich meegebracht.
 
De advocaat heeft een minachting voor de cliënt getoond door de integriteit van de gemaakte afspraken of ingenomen standpunten in twijfel te trekken door hiervoor bewijzen op te vragen. Hoewel de door de cliënt en zijn inmiddels gewezen echtgenote aangeleverde punten ongewijzigd in het convenant zijn opgenomen hebben de discussies, correspondentie en het verzamelen van bewijsstukken tot extra kosten voor de cliënt geleid.
 
De cliënt verwijt de advocaat voorts dat zij het concept convenant onhandig heeft opgezet in die zin dat de cliënt en zijn (voormalig) echtgenote hierin niet dan wel met zeer veel moeite de oorspronkelijk aangeleverde afspraken konden herkennen.
 
Tot slot verwijt de cliënt de advocaat dat zij ten onrechte het kennismakingsgesprek in rekening heeft gebracht, terwijl uit de advertentie van het kantoor blijkt dat dit gratis is. Ook heeft de advocaat voor diverse administratieve handelingen het advocatentarief berekend terwijl deze werkzaamheden dienen te vallen onder de kantoorkosten.
 
De cliënt meent als gevolg van het handelen van de advocaat schade te hebben geleden en stelt ter oplossing van het geschil voor dat de advocaat de declaraties vermindert tot het reeds betaalde bedrag (ad € 1.446,40) en verzoekt de commissie een vergoeding ten laste van de advocaat op te leggen van € 771,–, bestaande uit reiskosten, leges en tijd die hij heeft besteed aan het herstellen van fouten en onderhavige procedure.
 
Standpunt van de advocaat
 
Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak.
 
Het oriëntatiegesprek dat de advocaat met de (voormalig) vrouw van de cliënt heeft gevoerd, heeft de advocaat niet in rekening gebracht. Het gesprek dat zij vervolgens met beide partijen heeft gevoerd wel.
 
De advocaat heeft met de opdrachtgevers afgesproken het door de man opgestelde convenant te gebruiken als leidraad bij de opstellen en juridische toetsing van een definitief convenant. Bij deze toetsing heeft de advocaat met name gekeken naar de evenwichtigheid, omdat er sprake was van een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding en tegenstrijdige belangen goed in het oog moesten worden gehouden. De onevenwichtigheid in de aan de vrouw toe te kennen alimentatie en de voorgestelde boedelscheiding gaven de advocaat aanleiding tot het opvragen van nadere gegevens. Hoewel de cliënt in eerste instantie erop stond dat de advocaat de gemaakte afspraken zou overnemen, is de advocaat er door middel van een stappenplan uiteindelijk in geslaagd partijen van de onevenwichtigheid te overtuigen en het convenant in die zin aangepast. Dit heeft veel tijd gevergd en extra kostenverhogend gewerkt.
De draagkrachtberekening is aan de hand van de beschikbare gegevens en conform de toepasselijke tremanormen gemaakt. De advocaat heeft zich bereid verklaard de berekening toe te lichten in een gesprek maar de cliënt heeft besloten hiervan af te zien.
 
De verweten slordigheid betreft niet noemenswaardige tekstuele omissies in het concept convenant en geen inhoudelijke aspecten. De advocaat betwist de afspraken onjuist te hebben overgenomen en wijst erop dat het concept in eerste instantie een discussiestuk betrof.
 
De nadere informatie achtte de advocaat noodzakelijk voor een inhoudelijke toetsing van hetgeen partijen waren overeengekomen. De cliënt was weigerachtig om de door de advocaat noodzakelijk geachte aanvullende informatie en gegevens te verschaffen. De advocaat achtte een vervolgtoesting van de wilsovereenstemming van partijen noodzakelijk om toekomstige vernietiging van het convenant wegens benadeling van de vrouw te voorkomen. Met de discussies over de noodzaak van het verstrekken van nadere informatie is de nodige tijd gemoeid geweest.
 
Met betrekking tot de gemaakte kosten wijst de advocaat erop dat met de tussentijdse (deel-)declaraties tijdspecificaties zijn toegezonden waarop de cliënt nimmer heeft gereageerd of pas nadat het dossier kon worden gesloten. De advocaat merkt op dat iedere handeling, tenzij achteraf nodeloos, met een tijdseenheid van 10 minuten is geschreven en de bureaukosten de algemene indirecte werkzaamheden dekken.
 
De cliënt is uiteindelijk ook tot het inzicht is gekomen dat hetgeen de advocaat naar voren bracht juist was, hetgeen erin heeft geresulteerd dat het convenant is bijgesteld. De advocaat heeft de cliënt in een vroeg stadium gewezen op de taakopvatting van de advocaat als dominus litus maar hij was de mening toegedaan dat de advocaat zijn aanwijzingen diende op te volgen. Desondanks heeft de cliënt ervoor gekozen niet een andere advocaat in de arm te nemen.
 
De advocaat verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren, de verzochte vergoeding af te wijzen en de cliënt te veroordelen tot betaling van de openstaande declaratie(‘s) vermeerderd met wettelijke rente vanaf vervaldata tot aan de dag van de algehele voldoening. Tevens verzoekt de advocaat de commissie de cliënt te veroordelen in de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de klachtafhandeling welke zij begroot op € 706,38.
 
Beoordeling van het geschil
 
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
 
De commissie merkt allereerst op dat zij kennis heeft genomen van de stukken die de cliënt middels een brief van 1 februari 2004 aan de commissie en de advocaat heeft doen toekomen en dat zij deze stukken in haar beoordeling heeft meegenomen. Het is de commissie overigens uit het bij deze stukken gevoegde feitenoverzicht gebleken dat de cliënt weldegelijk op de hoogte was van het feit dat de mondelinge behandeling van het onderhavige geschil zou plaatsvinden op 5 februari 2004. De commissie acht de op de dag van de zitting opgegeven reden van afwezigheid, te weten dat de cliënt zich vergist heeft in de dag, bezien in het licht van het vorenstaande onaannemelijk en stelt vast dat de eventuele gevolgen van zijn afwezigheid voor risico van de cliënt komen.
Alvorens vervolgens tot een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen van de cliënt te kunnen komen, stelt de commissie vast dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht dat hij bij de behandeling van een zaak de leiding neemt en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid bepaalt hoe de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend. De mate van deze verantwoordelijkheid neemt naar het oordeel van de commissie toe indien een advocaat bij een echtscheiding als gezamenlijk advocaat voor twee partijen optreedt. In dat geval mag van een advocaat worden verwacht dat hij grote zorgvuldigheid betracht om te voorkomen dat hij tegenstrijdige belangen behartigt.
 
De commissie is van oordeel dat de opstelling van de advocaat gemeten aan vorenstaande criteria getuigt van een juiste taakopvatting en dat ook niet kan worden gezegd dat de advocaat zich onnodig strikt heeft opgesteld. In dit verband stelt de commissie tevens vast dat de advocaat onweersproken heeft gesteld partijen vrijwel direct te hebben gewezen op haar taakopvatting en ook schriftelijk duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij de door haar gevraagde nadere informatie noodzakelijk achtte om zich ervan te vergewissen dat beide partijen de consequenties van de door hen gewenste regeling begrepen.
 
Het is de commissie ook niet gebleken dat het de advocaat heeft ontbroken aan inhoudelijke deskundigheid noch aan inzet daarvan. De commissie stelt in dit verband vast dat de advocaat – zeker bezien vanuit haar eigen verantwoordelijkheid – relevante vragen heeft gesteld aangaande de evenwichtigheid van de voorgestane verdeling en alimentatie voor de vrouw. Dit klemt temeer nu het convenant uiteindelijk ook in de door de advocaat voorgestane zin is aangepast en ondertekend en de cliënt heeft erkend dat er in dit verband sprake was van een onevenwichtigheid in het door hem aangeleverde concept convenant. Hoewel partijen van mening verschilden over de wijze waarop de draagkrachtberekening tot stand is gekomen, stelt de commissie vast dat de uitkomst van deze berekening aanleiding heeft gegeven het convenant in voornoemde zin aan te passen.
 
Ten aanzien van de grote mate van slordigheid die de cliënt de advocaat verwijt, stelt de commissie vast dat in de concepten weliswaar enige onjuistheden zijn geslopen, maar dat deze niet van dien waard zijn dat zij niet op simpele wijze en zonder verdere kosten hersteld konden worden c.q. hersteld zijn. De commissie acht het bovendien zeker gezien het tijdsgewricht waarin de concepten zijn opgesteld niet verwijtbaar dat de advocaat gulden- met eurotekens heeft verwisseld.
 
Het is de commissie ook niet gebleken dat de advocaat de integriteit van de cliënt in twijfel heeft getrokken. Zoals de commissie reeds heeft vastgesteld, behoort het tot de taak van de advocaat na te gaan of beide partijen de inhoud en daarmee de consequenties van een regeling begrijpen. Bovendien heeft de advocaat de cliënt schriftelijk en in heldere bewoordingen gewezen op haar eigen verantwoordelijkheid en vroegtijdig hierbij aangegeven dat het de cliënt vrijstaat indien hij het niet eens is met deze handelwijze zich tot een andere advocaat te wenden. De commissie merkt nog op dat de irritatie die over de taakopvatting van de advocaat tussen partijen is ontstaan niet kan worden aangemerkt als minachting.
 
De klacht van de cliënt dat de advocaat het eerste concept dermate onduidelijk en slordig heeft opgezet dat cliënten zich reeds hierin niet meer konden herkennen, komt de commissie gezien het gering aantal aantekeningen op het concept onaannemelijk voor. Deze aantekeningen zijn bovendien weinig inhoudelijk van aard of betreffen een aanvulling van feitelijke informatie die kennelijk bij het opstellen van het concept ontbrak. Ook stelt de commissie nogmaals vast dat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding diende te nemen en vanuit haar verantwoordelijkheid diende te bepalen hoe de belangen van haar cliënten het beste gediend waren. Reeds om die reden kan het de advocaat niet worden verweten dat zij de afspraken van de cliënt en zijn vrouw niet ongewijzigd heeft overgenomen, noch daargelaten dat tevens is vastgesteld dat ook de inhoud van de gemaakte afspraken aanleiding gaf tot het aanbrengen van wijzigingen c.q. aanvullingen.
 
Met betrekking tot het gestelde ten onrechte in rekening brengen van kosten stelt de commissie vast dat de advocaat onbetwist heeft gesteld dat zij het eerste kennismakingsgesprek met de vrouw niet in rekening heeft gebracht. Het feit dat de advocaat het daaropvolgende gesprek met beide echtelieden wel in rekening heeft gebracht, doet daar niets aan af. Ten aanzien van de rekeneenheden van 10 minuten die de advocaat per handeling heeft gehanteerd, stelt de commissie vast dat het binnen de advocatuur gebruikelijk is op deze wijze de bestede tijd te registreren. De uitleg van de advocaat, dat het gebruik van deze rekeneenheid ook voor korte handelingen gerechtvaardigd is gezien de directe en indirecte tijd die de advocaat kwijt is met het verrichten van een handeling, acht de commissie redelijk en billijk.
 
Voorzover echter de cliënt zich beklaagt over het feit dat de advocaat voor eensluidende brieven aan beide echtelieden twee maal 10 minuten heeft geschreven, acht de commissie dit klachtonderdeel terecht. De commissie acht het niet redelijk dat de advocaat voor dergelijke eenvoudige werkzaamheden twee maal 10 minuten heeft geschreven. Hierin ziet de commissie aanleiding een bedrag op het totaal aan nog openstaande declaraties in mindering te brengen. Dit bedrag stelt de commissie naar redelijkheid en billijkheid vast op € 200,– (inclusief BTW en kantoorkosten), zodat de cliënt nog een bedrag van € 2.467,33 verschuldigd is, hetgeen direct uit het in depot gestorte bedrag aan de advocaat zal worden overgemaakt.
 
Nu de advocaat de cliënt voordat het geschil bij de commissie aanhangig is gemaakt ter oplossing van het geschil een aanbod heeft gedaan dat de voorstaande zeer geringe, terechte klacht ruimschoots compenseert, is de commissie van oordeel dat de cliënt zijn eigen kosten dient te dragen en verklaart de commissie de klacht in zijn geheel ongegrond.
 
Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente bepaalt de commissie dat de toewijzing daarvan in strijd is met artikel 14 lid 1 van het Reglement van de commissie. Dit artikel bepaalt immers – kort weergeven – dat de advocaat bij gelegenheid van het indienen van zijn verweer een tegenvordering kan instellen binnen de grenzen van artikel 2 en voorzover betrekking hebbende op het onbetaalde deel van de declaratie terzake van de opdracht die in geding is. De ratio van dit artikel is dat de cliënt, consument, die een geschil aanhangig maakt bij de commissie niet geconfronteerd kan worden met allerlei bijkomende kosten.
 
De commissie vergoedt bovendien slechts in bijzondere gevallen de kosten die verband houden met de klachtafhandeling en de behandeling van het geschil door de commissie. De commissie acht in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig om een vergoeding voor deze kosten toe te kennen.
 
Op grond van het vorenstaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.
 
Beslissing
 
De commissie vermindert de declaraties die de advocaat voor het verrichten van haar diensten bij de cliënt in rekening heeft gebracht in die zin dat een bedrag van € 200,– (inclusief BTW en kantoorkosten) van de betwiste declaraties als niet verschuldigd wordt aangemerkt.
 
Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag als volgt verrekend.
Aan de advocaat wordt een bedrag van € 2.467,33 overgemaakt.
Aan de cliënt wordt een bedrag van € 200,– gerestitueerd.
 
Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.
 
Aldus beslist op 5 februari 2004 door de Geschillencommissie Advocatuur.